1965-1978 Amsterdam

‘In Amsterdam ben ik altijd de provinciaal gebleven, maar er was geen weg terug’

De hostess van Ria’s Men’s Club aan de Amsterdamse Overtoom zegt dat we de fietsen op het plaatsje kunnen parkeren en dat de achterdeur open staat. Dat laten we ons geen twee keer zeggen.
Volgens de site van Ria’s Men’s Club moest ons een stylish bar wachten en een fine selection of fifty women. De bar is inderdaad stijlvol, in de zin van gedempt rood, maar van de vijftig vrouwen hebben er negenenveertig kennelijk bezigheden elders. Nummer vijftig kijkt verbijsterd op van haar glossy als ze rond het middaguur de bezwete handen van twee oudere mannen moet drukken – moeders mooisten zijn het ook al niet.
Gelukkig voor haar gaat onze aandacht uit naar de hostess achter de bar, eentje van het toffe type en de Nederlandse taal ruimschoots machtig. Ze is een en al oor als Freek de Jonge met brede armgebaren de contouren schetst van een tweepersoonsbed. Hier was dus de slaapkamer, daarachter was het keukentje en daar had Hella een winkeltje in sieraden.
Toen ze dit huis betrokken, dat moet begin jaren zeventig ten tijde van Neerlands Hoop in Panama zijn geweest, was er nog geen douche. Ze hadden hun hielen nog niet gelicht of er waren zes douches. Van woonruimte was Overtoom 558 veranderd in een relaxruimte.

We zijn rond het middaguur op de fiets vertrokken van hotel De l’Europe aan de Nieuwe Doelenstraat in Amsterdam. Toen Freek halverwege de jaren zestig in Amsterdam aankwam, was De l’Europe van een onbereikbare luxe, om niet te zeggen ongepaste luxe. Hotelbar Excelsior was alleen van binnenuit toegankelijk, heren als Freddy Heineken wensten niet het gevaar te lopen hun glas bier te moeten drinken in het gezelschap van mannen in korte broek. Ruim veertig jaar later is De l’Europe de uitvalsbasis voor zijn bezoeken aan Amsterdam. Op zekere leeftijd is luxe vooral het gemak dat de ouder wordende mens kan dienen.
Voor het vervolg van onze tournee langs de ankerplaatsen van Freeks leven heeft het hotel huurfietsen beschikbaar. Aan de stuurpen is een schildje gemonteerd met daarop de tekst Rent a bike. Het is zo’n waarschuwend bordje waarmee doven en slechthorenden vroeger de andere weggebruikers op hun gevaar wezen. Een soortgelijk effect heeft het ook op ons. Fietsen op zo’n fiets is opeens een stuk minder vanzelfsprekend. We slingeren als toeristen in de richting van het Damrak. Het huurfietsenschild fungeert ook als een opbergmandje waarin Freek de Jonge zijn bruine jack van suède kwijt kan. Het is een soort jasje dat een jaar of veertig geleden enorm populair was en nu nog maar zelden wordt gedragen.

Eerste halte is een standplaats voor bussen bij de rondvaartboten op het Damrak. Freek wijst naar een pand linksboven. In dat huis, naast het pand waar nu het Sexmuseum is gevestigd, had Bram Vermeulen in de tweede helft van de jaren zestig een kamer. Het was destijds een verzamelpunt voor een clubje studentenvrienden met Just Enschedé en Eddy Habbema. Enschedé zou later hun manager worden en Habbema werd acteur en regisseur, onder meer van hun musical Een kannibaal als jij en ik. ‘En Eddy had een zus, Cox Habbema. Dat was ook iemand bij wie we graag in de buurt waren.’
Ze waren een hecht stel, die vier. Als voorloper van twitter hielden ze elkaar met briefjes die op voordeuren waren achtergelaten op de hoogte van hun verblijfplaats. In 1967 gingen ze gevieren kamperen in het Friese Oudehaske, zo onafscheidelijk dat de andere kampeerders er het hunne van dachten. ‘Ik kookte, want dat deed ik graag. Dan hoorde ik ze op de camping tegen elkaar fluisteren dat ik het vrouwtje was.’

In 1965 was Freek de Jonge per trein vanuit Goes in de hoofdstad aangekomen als aanstaand student aan de Universiteit van Amsterdam. Hij ging op kamers wonen bij de voordrachtskunstenaar Coos van Hoboken op Singel 383. Van Hoboken had in Zaandam meegewerkt aan de diensten van zijn vader. Hij speelde de Ongelovige Thomas die door dominee De Jonge naar het rechte pad werd geleid. Later werd Van Hoboken theatercriticus voor Trouw en recenseerde hij de eerste voorstellingen van Neerlands Hoop. Als je ergens het startpunt van de loopbaan van Freek de Jonge moet markeren, dan was dat misschien wel het moment waarop zijn vader aan Coos van Hoboken vroeg of het theater iets was voor zijn zoon.

Andries de Jonge stelde zich daarbij een toekomst voor in de geest van Seth Gaaikema, nota bene de zoon van twee predikanten. De studie Nederlandse taal- en letterkunde zou voorop staan, met als hoofddoel een betrekking als leraar. ‘En dan maar kijken of je in je vrije tijd cabaretier kon worden. Daar zat ook wel wat in natuurlijk.’

Het liefst was Freek inderdaad Nederlands gaan studeren, maar dat kon niet met de vooropleiding HBS-b. Waarom hij in plaats daarvan voor culturele antropologie koos? Geen idee, vermoedelijk ook nooit gehad. ‘Het was natuurlijk bizar om mij te laten studeren. Ik had er op school al niets van gebakken. Die studie was een sympathiek plan, maar volkomen onrealistisch.’

Twee jaar later maakte hij alsnog de overstap naar Nederlands toen de studie culturele antropologie was gestrand en een lerarenopleiding uitkomst bood. Maar in 1967 was studie niet meer dan een alibi om alles in het werk te stellen voor dat ene doel: het toneel.

‘Ik ging nooit naar college. Had ik dat wel gedaan, dan had ik bij Helios, een studentenvereniging, een briefje zien hangen. Don ­Quishocking, een beginnende cabaretgroep, zocht leden. Als ik dat had gelezen, was ik er onmiddellijk op afgegaan. Was ik in het keurslijf van het ouderwetse cabaret terecht gekomen, onder het juk van George Groot.’

Freek de Jonge was lid geworden van het Amsterdamsch Studenten Corps, hoewel dat in de jaren zestig allang niet meer vanzelfsprekend was. In steden als Leiden en Delft was het corps nog het brandpunt, maar niet in Amsterdam en helemaal niet voor jongens met een Hitweek-achtergrond. Maar zijn vader had het zo gewild. Andries de Jonge had bij het Groninger corps kennis gemaakt met het cultureel-maatschappelijke leven. Dat moesten Freek en zijn broer Govert, die al in Delft studeerde, ook doen.
Het corps was voor hem geen onverdeeld genoegen, zeker de ontgroening vond hij vreselijk. Daarover was halverwege de jaren zestig ook enige beroering ontstaan. In 1965, het jaar waarin Freek in Amsterdam arriveerde, kwam een Utrechtse corpsstudent door verstikking om het leven bij wat naderhand de ‘roetkapaffaire’ zou gaan heten. Jonkheer David Rutgers van Rozenburg had bij een ritueel een roetkap over zijn hoofd gekregen. In plaats van hout­roet zat er olieroet in de kap. Dat werd hem fataal.
Twee jaar eerder was er in het Amsterdamse corps ook al ophef ontstaan over het zogenoemde Dachautje spelen. ‘Ik kon er het spelelement totaal niet in herkennen. Zat je met z’n allen op elkaar gepropt in het bestuurskamertje van de sociëteitscommissie. Knieën opgetrokken, dicht tegen elkaar aan. Dan zwiepte er een wandelstokje van bamboe over je hoofd en stond de open haard volop te loeien. Het was heel vernederend. Op een zaterdagavond kon ik het niet meer verdragen, dus toen een van die jongens vroeg wie er de volgende ochtend naar de kerk moest, stak ik meteen mijn vinger op. Ik ben nog gegaan ook. Ik dacht: als ze het controleren, ben ik helemaal de lul.’
De sociëteit van het ASC zat aanvankelijk op het Frederiksplein in een donker gebouw, ook overdag, met een penetrante bierlucht. Dat beeld is voor Freek de Jonge ook aan het Amsterdam van toen blijven kleven, een stad als een duistere spelonk. Hij vond er moeilijk zijn weg. ‘Ik liep jarenlang bepaalde routes in de stad, zonder te beseffen dat het niet de kortste waren.’
In de sociëteit kon je op rekening drinken en eten. Daar zat dus geen rem op. ‘Als de rekening zo hoog was opgelopen dat je het niet meer kon betalen, bleef je gewoon weg.’ De rijke disputen bestelden een vaatje dat door de ‘heren bedienden’ werd aangesloten. De arme disputen moesten het doen met een stoopje, een reuze fles met een mandje er omheen. ‘En dan deden we wel eens het beroemde stiefelen. Drinken uit een laars, in één keer in je keelgat gieten. Als het bier terugkwam was de volgende drinker aan de beurt en wie de op een na laatste slok nam moest betalen. Kwestie van taxeren dus. Maar ik had altijd die overmoed, hè? Tactisch drinken. Op een avond hadden ze er een liter jenever doorheen gedaan. Studentenlol nietwaar? Heb ik een half uur bewusteloos op de wc gezeten. Iemand heeft me uiteindelijk bevrijd, maar dat was behoorlijk heftig. Ik had echt deliriumverschijnselen.’

Amsterdam was en is als studentenstad van een andere orde dan Delft of Leiden, maar elk corps heeft zijn mores. Ook in Amsterdam kon het er behoorlijk archaïsch aan toe gaan. Maar met de verhuizing van het Frederiksplein naar het Lido aan wat nu het Max Euweplein is, leek er even wat te veranderen. ‘Bram en ik zijn nog eens in een legendarische vechtpartij beland met de oude garde. Uiteindelijk hebben de conservatieven het weer overgenomen.’
Elders in de stad had zich ook een alternatief studentenleven ontwikkeld rond de vakbond ASVA en sociëteit Olofspoort, waar latere VPRO-medewerkers als Wim Noordhoek en Jan Donkers elkaar vonden. In feite was dat de voortzetting van de Hitweek-cultuur, waarmee Freek groot was geworden in Goes. Maar hij heeft er nooit deel van uitgemaakt. ‘Dat scheerde langs elkaar heen. Niet voor niets heeft het vrij lang geduurd voordat we bij de VPRO aan de bak kwamen.’
We eten een broodje in Felix Meritis, een voornaam gebouw aan de Keizersgracht dat zo’n belangrijke rol speelde in de culturele geschiedenis van Amsterdam. Felix Meritis (‘gelukkig door verdiensten’) werd in de achttiende eeuw gesticht door een genootschap waarin de Amsterdamse elite zich had verbonden om de kunst en wetenschap te dienen. Na de Tweede Wereldoorlog nam de Communistische Partij Nederland het pand in gebruik als hoofdkantoor en redactielokaal voor partijkrant De Waarheid. In 1956 stond het gebouw met zijn opvallende zuilen symbool voor het verderfelijke communisme en werd het bestormd tijdens een woedende demonstratie tegen de Russische inval in Hongarije.
Nu zoekt Felix Meritis het geluk weer in de dienstbaarheid aan kunstzinnige en politieke initiatieven. Een medewerkster leidt ons van het café naar een van de hoger gelegen zalen, die aan het eind van de jaren zestig het Shaffy Theater heette. Zo genoemd door initiatiefnemer Steve Austen, manager van Ramses Shaffy. Het werd de uitlaatklep voor vernieuwende kunst van Hauser Orkater en Neerlands Hoop.
Op 20 juni 1969 hadden Bram Vermeulen en Freek de Jonge hun officiële theaterdebuut gemaakt in de schouwburg van Haarlem op uitnodiging van directeur Peter Lohr. Hij had ze zien optreden in een klein zaaltje elders in de stad en na afloop gevraagd of ze dat programma, Neerlands Hoop in Bange Dagen, aan het eind van het seizoen in zijn theater wilden spelen. Dat was een eervol verzoek, zeker omdat het afkomstig was van de man die met het tv-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer de toon had gezet voor Neerlands Hoop. Toen de eerste elpee van Bram en Freek verscheen, schreef Lohr op de hoes dat het duo was ‘gegrondvest op het afscheid van domineesland’.

Na hun optreden in de Haarlemse Stadsschouwburg stonden Bram en Freek vier maanden lang in het Shaffy Theater. Het is een rond zaaltje op de derde verdieping van Felix Meritis, sfeervol gemaakt door de hippiekunstenaars Marijke Kooger en Simon Posthuma. De banken voor het publiek waren met tapijt bekleed. Het theater bood plek aan 150 toeschouwers en was elke voorstelling uitverkocht. Er waren weken waarin Neerlands Hoop acht keer optrad, inclusief nachtvoorstellingen. ‘We blaakten van de energie.’

Na zijn aankomst in Amsterdam in 1965 had Freek de Jonge zijn zinnen gezet op het dispuut Pallas, dat binnen het Amsterdamsch Studenten Corps de reputatie heeft van meest kunstzinnige. Peter Lohr, Aad Kosto en Dimitri Frenkel Frank waren er lid van geweest en de vrienden met wie hij later zo intensief zou optrekken waren dat ook allemaal.
In de tweede week van hun groentijd gingen de feuten alle disputen langs om een plekje te veroveren. ‘Dan moest je je van je beste kant laten zien in de hoop dat het in de smaak viel. Er bestaat nog een filmpje waarop ik luidkeels De Internationale sta te zingen.’
Pallas kreeg niet de beste kant van Freek de Jonge te zien. ‘Ik was een doodverlegen provinciaaltje, niet in staat tot iets. Eén keer ben ik flink geweest en prompt kwam ik in dat dispuut terecht. Ik zei dat ik binnen vijf jaar in Carré zou staan. Het was nog waar ook.’
Het dispuut dat hem wel wilde hebben, was Marnix. Hij kwam ten slotte terecht in hun dispuuthuis in de Hartenstraat. waar hij woonde met de olympische roeiers Roel Luijnenburg en Paul Veenemans.

De benedenverdieping van Hartenstraat 29, dat al ontelbare restaurants gehuisvest heeft, wordt voor de zoveelste keer verbouwd. Bij het echtpaar Van Hoboken aan het Singel had hij het gauw gezien. ‘Het stonk er ongelooflijk.’ Daarna woonde hij nog een tijdje aan het Minervaplein in bij een collega van Van Hoboken van Trouw. Maar de kamer, waarin vroeger de dienstbode onderdak vond, was wel erg klein en het huis ver verwijderd van het centrum.
De Hartenstraat is een smalle fietsverbinding tussen de Amsterdamse grachten, nu een aantrekkelijke en rijk gesorteerde uitvalsbasis voor de verlokkingen elders in de stad. Om de hoek was het vermaarde Tafeltennis Instituut gevestigd. Freek speelde er vaak potjes tegen Bram Vermeulen, een jongen die hij net had leren kennen. Eén keer leek zo’n potje in een zege voor hem te eindigen, waarna er iets leek te veranderen in Brams ogen. ‘Dat was pure intimidatie. Hij kon je mentaal breken als het nodig was. Dat is volgens mij het verschil tussen een topsporter en een gewone sporter. Ik kan me bij golf of tennis slecht over een teleurstelling heen zetten, maar bij iemand als Bram ging er dan een knopje om. Werd het een mentale strijd.’

Voordat Bram Vermeulen op het toneel verscheen heette de man bij Freek achter de piano Louis Richard. ‘Natuurlijk begon ik onmiddellijk na mijn aankomst in Amsterdam te kijken of ik iets kon doen, ergens.’ Richard was een dispuutgenoot, maar hun samenwerking was van korte duur. Hij is nu niet meer dan een vage herinnering van een repetitie bij zijn ouders in Baarn en een optreden in Goes op een instuif van de Hervormde Jeugdraad in jeugdcentrum De Veste. ‘Het liep gewoon dood met hem. Hij had te weinig ambitie en is later arts geworden.’
Jop Pannekoek, hun latere tv-regisseur en een ouderejaars bij het corps, zette Freek op het spoor van Bram. In 1967 vierde het corps zijn 67ste lustrumfeest Adammania, dat met cabaret opgeluisterd zou worden. Freek de Jonge kreeg het voor elkaar het Amsterdams studentencabaret nieuw leven in te blazen en Pannekoek suggereerde hem contact te leggen met Bram Vermeulen voor de begeleidende muziek.

Met de verhuizing naar het Lido beschikte het corps over een café-chantant waarin ‘jongens met gitaren’ hun kleinkunsten vertoonden, zoals Dick Poons, Ronnie Potsdammer en Boudewijn de Groot. ‘Daar lagen dus kansen, maar je weet gewoon niet hoe je springen moet.’ Dat leerde Bram Vermeulen hem.
Kenden ze elkaar al? ‘Ik wist wie hij was, ik denk niet dat hij wist wie ik was. Bram was een buitengewoon zelfverzekerde jongen en daar haakte je bij aan. Hij wist meteen wat ons te doen stond en er werden doelen gesteld. Dat is dus een heel belangrijke periode in mijn leven geweest. Weten wat je wilt en bedenken hoe je dat realiseert. Bram heeft me dat geleerd en het is de rest van mijn leven meegegaan.’
In de feestelijke voorstelling die Freek de Jonge in juni 2009 maakte over het officiële debuut van Neerlands Hoop, zei hij: ‘Bram heeft mij wakker gekust.’ Dat klinkt gek voor iemand die al zo bezeten was van het theater. Wat viel er aan hem wakker te kussen? ‘Ik was in Amsterdam verlamd geraakt door de grotemensenwereld. Had echt geen enkel idee hoe ik die kon binnendringen. Eigenlijk ben ik altijd de provinciaal gebleven, ook in die tijd. Zeker die eerste maanden in Amsterdam waren een ramp, maar er was geen weg terug. Mijn ouders waren van Zeeland naar De Bilt verhuisd.’

Het contact met Bram Vermeulen veranderde alles. ‘Op het moment dat we aan elkaar werden gekoppeld, kwam alles in een stroomversnelling terecht. Er moest iemand opstaan om mij te lanceren. Je kunt het ook coachen noemen, iemand die je duidelijk maakt wat het doel moet zijn en hoe je dat bereikt.’
Aan het lustrumfeest van het corps, van 22 juni tot 6 juli 1967, was een theateravond gekoppeld. Een aantal cabaretgroepen trad op, waaronder Zwart Zaad (Elly Nieman, Rikkert Zuiderveld en Jop Pannekoek), Kabaret Ivo de Wijs en Cabariolet. Die laatste groep bestond uit Freek de Jonge, Bram Vermeulen en Johan Gertenbach. De eerste deed de conferences, de tweede speelde piano en de laatste zong liedjes.

Cabariolet was een kort leven beschoren, waarna het trio een duo werd. Johan Gertenbach is in de herinnering van Freek een tamelijk nondescript figuur, met wie het in elk geval niet zo goed boterde. Toen Gertenbach besloot dat zijn studie voorrang moest krijgen, werd dat niet als een grote ramp ervaren. Hij ging in de reclamebranche aan de slag en reed zich op jonge leeftijd dood. Dat werd in Neerlands Hoop Express nog een liedje met de macabere titel De helaas te vroeg overleden Johnny Gerbach.

Bram Vermeulen kwam oorspronkelijk uit Den Haag, geboren in 1946 als de jongste in een gezin met drie zoons. Groeide zorgeloos op in de keurige Vruchtenbuurt. Vader was inspecteur bollenteelt op het ministerie van landbouw. ‘Echt een sociaal-democratisch milieu, vervuld van liefde en begrip. Bram had op de Montessorischool gezeten en was helemaal doordrenkt van die methode van zelfstandig werken en zelfontwikkeling. Bram was wat je nu een ADHD’er zou noemen.’

Op zijn beurt was Bram Vermeulen wakker gekust door Cees van Zweeden, gymleraar op het Haagsch Montessori Lyceum en bekend als coach van het nationale volleybalteam. Bram Vermeulen speelde piano en tekende verdienstelijk, maar in al die dingen was hij een sportman. Het leven was een wedstrijd die gewonnen moest worden. ‘Van Zweeden zag die fanatieke trekjes in hem. Hij zei: “Als je nerveus wordt, ga je maar een bal tegen de muur slaan”. En dat deed Bram dan een uur of vier achterelkaar.’

Onder leiding van Cees van Zweeden kreeg het Nederlandse volleybal in de jaren zestig voor het eerst internationale allure. Na hem kwam Hidde van der Ploeg, die systematiek bracht in training en coaching. In die tijd waren de communistische landen in Oost-Europa onverslaanbaar in volleybal. Maar van de West-Europese landen kwam Nederland het dichtst in de buurt.
Bram Vermeulen debuteerde in 1963, zestien jaar oud, in het Nederlands team en stopte in 1969, op de dag dat Neerlands Hoop voor het eerst goed genoeg was om een schouwburg te vullen. Freek de Jonge denkt dat die topsportmentaliteit aan de basis van hun succes heeft gestaan. ‘Dat had ik op mezelf niet gekund, omdat ik er niet mee was grootgebracht. Vader was super verlegen, buitengewoon intelligent, maar niet ambitieus genoeg. Moeder was dat wel, maar dat was vooral de ambitie van de gegoede burgerij, die ze op mijn vader projecteerde. Bram heeft me geleerd dat je het zelf moet doen als je iets wilt bereiken.’

Daarin, in de zin van de ontwikkeling van het eigen talent, was er dus sprake van wakker kussen. ‘Je kunt latent iets in je hebben, maar daarin nooit aangeraakt worden. Dat is een belangrijk aspect in het leven, waarin ons onderwijs ook te kort schiet. Je moet kinderen al op jonge leeftijd bewust maken van wat er in ze zit.’

De samenwerking in Neerlands Hoop was een perfecte versterking van verschillende talenten. Daarin moet ook de rol van Just Enschedé als hun langjarige manager niet vergeten worden. Hij was het cement van Neerlands Hoop. ‘Bram leerde me groot te zijn en Just hield ons tweeën klein.’

Bram Vermeulen was naar de Universiteit van Amsterdam gekomen om psychologie te studeren. In een boek dat in 1981 over Neerlands Hoop verscheen halen studiegenoten en andere betrokkenen herinneringen op aan Bram en Freek. De eerste stond te boek als een populair en onvermoeibaar type. De tweede was op een dwangmatige manier bezig om op te vallen. Volgens Willem Diep­raam, de latere fotograaf van onder meer Vrij Nederland, lag hun overeenkomst in een liefdevolle en evenwichtige opvoeding. Over Freek: ‘Hij was een heel aardige calvinist die aan de andere kant steeds maar bezig was zichzelf en dat calvinistische te overwinnen.’

Zelf karakteriseert Freek de Jonge zijn Amsterdamse tijd vóór de samenwerking met Bram Vermeulen als ‘labbekakken op z’n Zaandams’. Van studeren was nooit sprake meer. Het enige dat hem interesseerde, was publiek genereren. Tijdens diners, in het dispuut of op de sociëteit wierp hij zich graag op voor de lullepot, een studentikoze toespraak. ‘Een beetje in de trant van Godfried Bomans.’

In het programmaboekje van Adammania werden de nieuwelingen aangekondigd als ‘een jong en ambitieus cabaret waarvan U de komende jaren veel meer zult horen’. Daarvoor moesten inderdaad een paar jaar verstrijken. Als trio met Johan Gertenbach maakten Bram en Freek geen verpletterende indruk op het lustrumfeest, als duo bleef Neerlands Hoop ook nog ver verwijderd van Carré.

‘Van wat we in dat eerste programma deden, is me verdomd weinig bijgebleven. Er was een nummer waarin we om een ouvreuse vroegen. Er zat ook een soort diashow in als rode draad. Maar ik weet niet eens meer of het succesvol was of gênant. Onze eerste voorstelling buiten Amsterdam was in een restaurant in ’s Graveland. Willem Diepraam ging mee. Toen ze het geld voor de voorstelling aan ons wilden geven zei ik nog laat maar zitten, omdat ik de voorstelling te slecht vond. Daar is Willem toen tussen gesprongen.’

De razendsnelle opkomst van de popmuziek, en het schijnbare gemak waarmee bandjes tot stand kwamen, maakte het bijna vanzelfsprekend om dat pad op te gaan en niet dat van het cabaret. In 1968 hebben Bram en Freek nog eens in een Londense studio in Wardour Street een demo opgenomen met als producer Paul Atkinson, slaggitarist bij The Zombies. Het resultaat, Lieutenant O’Brannan, bleef onopgemerkt en ver verwijderd van de hitparades. ‘Van dat soort dingen hoorde je ook nooit meer iets. Dat verdween gewoon in het niets, heel duister allemaal.’
In de begindagen van Neerlands Hoop bewandelden ze meer zijpaden, luisterend naar namen als De Paradijsvogels, Slight Ache en De Sokophouders. Onder die vlag namen ze ook liedjes op, schreven die voor andere artiesten (Johnny Jordaan!) en werkten ze mee aan radioprogramma’s.
Het was de tijd waarin op televisie de zaterdagavond werd ingeruimd voor grote shows en de humor daarin was geënt op grappige eenakters van Engelse origine. De VARA had een show met Johnny Kraaijkamp en Rijk de Gooyer, voor wie Kees van Kooten teksten schreef. De AVRO beschikte jarenlang over De Mounties, bestaande uit Piet Bambergen en René van Vooren. De NCRV wilde in dat genre Joop Doderer naar voren schuiven. Doderer was een nationale bekendheid geworden als de zwerver Swiebertje, wiens komische lotgevallen een veelbekeken tv-programma opleverden. Maar Joop Doderer wilde vooruit als tv-persoonlijkheid en dat moest dus in zo’n ruim opgezette show gestalte krijgen. Bram en Freek moesten hem van komische teksten voorzien. Freeks vader was als intermediair opgetreden. De vader van Dick van ‘t Sant, regisseur van Swiebertje, behoorde in De Bilt tot de lidmaten van de Hervormde Kerk. Zo kwam na een gesprek tussen hen van het een het ander.

Terwijl ze doorgingen met Neerlands Hoop maakten ze zich met de hulp van Brad Ashton, een Engelse tekstschrijver die zijn handeltje in komische tv-sketches naar Nederland had verplaatst en volgens Freek het type van een sjacheraar, de basistechnieken van het tv-schrijven eigen en verdienden ze voor het eerst serieus geld (700 gulden per uitzending) met grappen maken. ‘Tegelijkertijd was dit ook het schamele bestaan waarvoor mijn vader me had gewaarschuwd.’

Het was ook snel duidelijk dat de verdiensten van korte duur zouden zijn. De ambitie van Doderer om zijn imago van Swiebertje af te schudden, ging mank aan een gebrek aan discipline en de verlokkingen van sterke drank. Na een paar uitzendingen zette de NCRV al een punt achter de reeks. Vanaf 1969 kwam er bovendien regelmaat in hun optredens met wat voluit de Dutch Music & Comedy Show Neerlands Hoop in Bange Dagen heette.
De teleurstelling van Cameretten, het Delftse festival voor studentencabaret, was verwerkt. In november 1968 had Neerlands Hoop een gooi gedaan naar de eerste prijs, als echte topsporters en in de vaste overtuiging te zullen winnen. ‘Dat bracht Bram er in. Alles werd competitie.’ Terwijl Bram en Freek zich al opmaakten om de eerste prijs in ontvangst te nemen, riep juryvoorzitter Wim Ibo Don Quishocking tot winnaar uit. Neerlands Hoop eindigde slechts als vijfde. ‘Een ongelooflijke teleurstelling, niet alleen voor ons. Critici waren het er ook niet mee eens.’

We laveren met onze huurfietsen over het drukke Frederiksplein, waar zich ooit de sociëteit van het studentencorps bevond, steken de Amstel over bij de Sarphatistraat en leggen de fietsen aan de ketting bij Carré. Opvallend verschil met de bezoeken aan de rest van het land: Freek de Jonge kan ongemoeid passeren. De provincie begroet hem als een oude bekende (Hé, Freek!), maar in Amsterdam hoort hij bij het straatbeeld, althans Amsterdam vindt dat hij bij het straatbeeld hoort. De enigen die iets naar hem roepen zijn zwervers of vergelijkbare dropouts, vaak generatiegenoten die in hem misschien wel een zielsverwant herkennen. Hij reageert er ontspannen op. ‘Ik geloof niet dat ik last heb van een dikke nek en het scheelt natuurlijk dat ik nooit het Olé-publiek van André van Duin heb gehad.’
Toen het lied Leven na de dood, halverwege de jaren negentig geschreven bij de muziek van Bob Dylan, de allure van een carnavalskraker kreeg, heeft hij daarmee enige ervaring opgedaan. ‘Maar dat was gelukkig weer even snel voorbij. Ik word alleen nog wel eens benaderd door mensen die iets te vieren hebben. Of ik niet wat kan bedenken voor het huwelijksfeest van hun ouders.’

De enige keren dat we onderweg halt houden, is bij de verschijning van collega-artiesten. ‘Hé Glennie’, roept Freek de Jonge naar de bestuurder van een gewatteerde terreinwagen. Het is Glenn Helder, een vroegere voetbalinternational, met wie het daarna een tijdje niet zo goed ging. Ze kennen elkaar van het rondootje op het veld van Zeeburgia, waaraan Helder incidenteel deelneemt. Fascinerende jongen, zegt Freek.

We houden in de eindeloze gangen, waarin Freek feilloos de weg weet, halt bij een scènefoto van De Perzen, een Grieks drama waarvoor Carré in 1963 wekenlang was uitverkocht. Freek de Jonge reisde er met een schoolbus vanuit Goes voor naar Amsterdam. ‘Prachtig decor, maar het duurde eindeloos lang.’
Het was zijn eerste kennismaking met het Amsterdamse theater aan de Amstel dat voor artiesten zoiets is als De Kuip voor voetballers. Op 11 november 1970 speelden Bram en Freek een speciale voorstelling voor studenten op dit podium. Een try-out van Neerlands Hoop in Panama, hun tweede show. Het was nog geen jaar na hun debuut in Haarlem en nog geen vijf jaar na zijn aankomst in Amsterdam. Het doel dat hij zichzelf had gesteld in zijn introductiepraatje bij dispuut Marnix was gehaald.

Het was de tijd waarin het oproer kraaide. De Provobeweging was opgericht, een bouwvakker overleed bij dagenlange rellen, het huwelijk tussen kroonprinses Beatrix en de Duitser Claus von Amsberg leidde tot ongeregeldheden, John Lennon en Yoko Ono gingen voor het oog van de wereld een week lang naar bed in het Hilton Hotel, het Maagdenhuis werd bezet, matrozen veegden hangende hippies van de Dam.

Er gebeurde overigens nog veel meer gedurende de tweede helft van de jaren zestig, maar dit waren de belangrijkste gebeurtenissen in de stad waar Freek de Jonge zich had gevestigd. Achteraf lijkt het of Neerlands Hoop met zijn ontregelende humor de toon zette in die woelige tijd. Maar Bram noch Freek maakte echt deel uit van de protestbeweging.

In 1966, toen de dood van bouwvakker Jan Weggelaar had geleid tot een belegering van het gebouw van De Telegraaf wegens foutieve berichtgeving, zat Freek de Jonge in het Zeeuwse Kortgene. Het vakantiebaantje in jachthaven Delta Marina had hem die zomer nog één jaar uit Amsterdam gelokt. ‘Zaten we aan de bar rechtse praatjes te houden over de vreselijke dingen die daar gebeurden. Daaraan deed ik net zo hard mee.’

Drie jaar later werd het Maagdenhuis, het bestuurlijk centrum van de Universiteit van Amsterdam, bezet door studenten die inspraak eisten. Over een loopbrug kwamen Bram Vermeulen en Freek de Jonge het gebouw binnen om er een voorstelling te verzorgen. ‘Maar we hebben ons nooit een spreekbuis van die generatie gevoeld.’ Dat kwam doordat Neerlands Hoop was gestoeld op volstrekte onafhankelijkheid. Het was in zichzelf al een verzetsbeweging, die zich keerde tegen de gevestigde orde in het cabaret en de handen vrij wilde houden om links en rechts klappen uit te delen.
Maar het had ook te maken met de competitieve topsportmentaliteit die Bram er in had gebracht. Naarmate de Provobeweging evolueerde in de donzen vredelievendheid van het hippiedom, kwam die mentaliteit haaks te staan op het tijdsgewricht.
‘Ik heb echt nooit het grote verlangen gehad daarbij te willen horen. Die hele Provotijd en al die happenings, ik ben er nooit ingedoken, terwijl het wel in zekere zin mijn wereld was. Als ik nu nog kom in dat Ruigoord (een hippieachtige vrijplaats onder de rook van Amsterdam, red.), ben ik altijd weer blij dat ik die kant niet ben op gegaan.’

Het is een wereld die hij nooit de zijne heeft willen maken. ‘Een heel erg weet-je-wel-gehalte, gelijk hebben, maar het niet hoeven krijgen. Het is heel sympathiek, maar mijn hart ligt er niet bij. Als ik gelijk denk te hebben, wil ik het ook krijgen. Komt vermoedelijk ook door mijn opvoeding dat de romantiek van het hippiedom me nooit heeft kunnen bekoren. En Bram was helemaal een keurige burgersportman. Nee, toen ze met die bloemen begonnen gingen wij hevig afhaken.’

We fietsen met grote snelheid langs café De Pels in de Huidenstraat. Freek de Jonge roept van verre: ‘Als ik er vier keer binnen ben geweest is het veel.’ De Pels behoort tot een klein conglomeraat van bruine kroegen in Amsterdam, waarvan de beginletter een P is. Jarenlang waren dat de cafés waar de culturele elite van Amsterdam zich verzamelde. Maar Neerlands Hoop hield zich ver van drank en later ook van drugs. De sportieve discipline stond daarmee op gespannen voet en voor Freek speelde daarbij nog het drinkgelag bij het corps, waar hij knock-out was gegaan. ‘Na dat delirium was dat exorbitante drinken meteen voorbij. Een paar biertjes of glazen wijn, dan is het voor mij mooi geweest. Nooit whisky, nooit jenever. Ik kan de lucht niet eens verdragen, gelukkig niet zou ik bijna willen zeggen.’

Een week na hun optreden in de Haarlemse schouwburg op 20 juni 1969 werden Bram Vermeulen en Freek de Jonge geïnterviewd in de Volkskrant onder de kop: ‘We weten dat we goed zijn’. Het is een vraaggesprek dat de eerstvolgende jaren de standaard zal worden. Neerlands Hoop was overtuigd van eigen kwaliteiten en het tekortschieten van de anderen. Het cabaret van toen was in hun ogen een regelrechte ramp, om door je stoel te zakken van ellende. De citaten lezen als een beginselverklaring van de Engelse punkband Sex Pistols: Never mind the bollocks, here is Dutch Hope. De gevestigde orde is waardeloos, het establishment moet gemeden worden als de pest.

Freek in dat bewuste interview: ‘Het komt aan op ambitie, talent en intelligentie. De meeste zogeheten artiesten komen niet verder omdat ze alleen maar emoties hebben. Na de emotie moet de intelligentie komen, maar die hebben ze niet. De meeste artiesten zijn ontzettend dom. Staan daardoor artistiek gezien stil.’
Collega’s waren concurrenten en die moesten geïntimideerd worden. Cabaret was oorlog. Een paar keer refereert Freek in dat verband aan een belangrijke volleybalwedstrijd die Bram moest spelen in de nationale competitie. Bij de tegenstander maakte een speler, die een tijdlang aan de kant zat met een gebroken vinger, zijn comeback. De tactiek van AMVJ, Brams team, was er dus op gericht de bal tegen die vinger aan te krijgen en het liefst zo hard mogelijk. ‘Hella vond het vreselijk, maar in wezen zat Neerlands Hoop ook zo in elkaar.’
In genoemd interview gaat het ook over de werkverdeling en dat zal een terugkerend thema worden, want de indruk dat Neerlands Hoop vooral het werk zou zijn van Freek de Jonge moet van meet af aan uit de wereld worden geholpen. Interviewer Gerard Pâques neemt het zelfs voor eigen rekening. Bram Vermeulen is meer dan begeleider. De muziek neemt bij Neerlands Hoop een heel andere plaats in dan bij wat op dat moment gangbaar is in de Nederlandse kleinkunst. In het gedenkboek over Neerlands Hoop zegt Just Enschedé dat ze elkaar in die beginfase enorm hebben opgejut, waarbij Bram Vermeulen met zijn tomeloze energie het creatieve proces op gang bracht. Hun samenwerking in die eerste jaren van succes was als een roes, waarin Just Enschedé als goede vriend van beiden het bindend element was.

Freek: ‘Het goede van Bram was hoe hij in het leven stond, niet provinciaals zal ik maar zeggen, terwijl ik in hart en nieren een provinciaal ben. Die houding van Bram heeft Neerlands Hoop in het begin heel erg bepaald. Hij heeft een grote bijdrage geleverd aan de dynamiek. De overgangen, de montagetechniek in onze voorstellingen, dat was uniek in die tijd.’

Inhoudelijk was er aanvankelijk ook een bijna natuurlijke werkverdeling. Samen bespraken ze de grote lijnen, Bram stortte zich op de vorm, Freek zette zich aan de conferences en liedteksten, die Bram dan weer op muziek zette. ‘Bram was altijd bereid te werken. Had ik een tekst van een liedje klaar, dan kwam hij binnen een paar uur met de melodie. Maar onze samenwerking was wel heel erg afgepast en afgemeten. Veel werd door Bram opgezet, maar als het acht uur was, dan bepaalde ik de sfeer van de avond.’
Dat ging goed tot aan Neerlands Hoop Express, waarin het duo een band werd en de gesproken tekst zijn prominente plek kwijt raakte.

‘Neerlands Hoop Express was een compromis. Bram had zijn bandje, maar ik was natuurlijk niet de gedroomde leadzanger. Mensen vonden het geweldig, ik vond dat niet. Ik was mijn entourage kwijt en moest vreselijk knokken in een pak dat nergens op sloeg. Verhouding en werkverdeling werden daardoor uit het lood geslagen.’

Bram wilde graag meer op de voorgrond. ‘Ik vond dat niks en kon er ook niks mee. Dat was pijnlijk.’ Daarin ligt vermoedelijk de kern van hun scheiding na tien jaar. Wat aanvankelijk zo’n wonderbaarlijke symbiose leek van twee gelijkgestemde zielen, was in feite het werk van twee autonome krachten die elkaar versterkten. Neerlands Hoop was de creatieve explosie van twee op elkaar botsende karakters.
Het succes bond ze langer dan goed voor ze was. Of, zoals Freek de Jonge zelf nu zegt: ‘We waren twee pubers.’ Een gesprek over wat hen nu eigenlijk bond, is nooit gevoerd. Was het duo wel een duo? ‘Eigenlijk waren we niet eerlijk tegen elkaar. Twee onvolwassen mannen. Jongensromantiek.’
Er kwam nooit verdieping van de relatie. Op tournee konden geen persoonlijke dingen aan de orde worden gesteld. Bravoure bepaalde de toon. Toen Neerlands Hoop een succes werd, ging Bram Vermeulen oogsten, zoals Freek dat uitdrukt. Na afloop van hun voorstellingen was het tijd voor Wein, Weib und Gesang. ‘Wonderlijk eigenlijk. Hij had bij mij de discipline erin gebracht, maar zelf ging hij helemaal los. Nee, dat gedoe met meisjes trok mij niet aan, maar je zit er wel midden in. Dan kom je in een loyaliteitsconflict. Titia, zijn vriendin en later zijn vrouw, was daarvan niet gediend natuurlijk. Wat doe ik dan? Moet ik zwijgen, terwijl Bram zelf altijd zo goed wist hoe het zat en van harte bereid was om dat anderen zeer omstandig uit te leggen?’

Dat ging ook zo door in de interviews, tot groeiende ergernis van Freek. Wat in 1969 was begonnen als een provocatie werd een running gag. ‘De toon was gezet en iedere interviewer wilde het weer horen. We kraakten maar door en dat begon me tegen te staan. Steeds maar dat riedeltje, steeds maar die attitude. Daar had ik over moeten praten met hem. Hoe gaan we dat voortaan doen? Maar in plaats daarvan dacht ik alleen maar: Laat Bram het nog maar één keer uitleggen, ik kijk wel uit het raam. Net als in een huwelijk eigenlijk.’
Wat in 1973 dus in scheiding had moeten eindigen met Plankenkoorts, hun beste programma volgens Freek, sudderde nog zeven jaar door. Even vonden ze elkaar weer, ook in creatief opzicht, in het verzet tegen deelname van het Nederlands elftal aan het WK in Argentinië van 1978. Maar de door hen geschreven musical Een kannibaal als jij en ik werd financieel een ramp, zodat ze gedwongen werden hun daaropvolgende programma Interieur uit te melken, met alle gevolgen van dien. Tot overmaat van ramp was Just Enschedé gestopt als manager en was er dus ook geen derde meer die hen bond.

Zo belandden ze in de zomer van 1979 in Londen in een poging Neerlands Hoop om te zetten in Dutch Hope als onderdeel van het Royal Court Festival. Twee verslaggevers van muziekkrant Oor reisden in september naar Engeland voor twee aparte interviews. Fotograaf Anton Corbijn bracht Neerlands Hoop samen in metrostation Holland Park.
Het artikel werd geplaatst onder de kop ‘Hoopvol’ en in de inleiding is sprake van een evenwichtig samenspel dat de vrucht is van tien jaar hard werken. Bram is in zijn kant van het verhaal het meest uitgesproken over hun samenwerking en zijn rol daarin. Hij is de spelverdeler die de spits in stelling brengt. Bram verzorgt de omlijsting waarbinnen Freek zijn teksten het best tot uitdrukking kan brengen. Bram Vermeulen heeft nog geen idee wat komen gaat. Freek de Jonge is in zijn interview veel algemener en bespiegelender. Hij spreekt nauwelijks over wat Neerlands Hoop is en waar het naartoe zou moeten gaan.

De eindeloze weergaven van hun gesprekken verschijnen in de editie van 19 september 1979. Op 11 september, de datum die in de volgende eeuw zo’n dramatische klank kreeg, is de bom gebarsten. Op een terras aan het Waterlooplein vertelt Freek erover. ‘Vlak daarvoor had zich iets afgespeeld wat voor mij de druppel was. Bram zei iets over mijn privésituatie. We kregen ruzie en raakten bijna van de weg af, ergens bij Hillegom. Daarmee kwam ik ‘s avonds bij Hella aan en we hebben er lang over gesproken. De volgende dag ben ik naar Bram toegegaan en heb gezegd: We stoppen er mee. Nou ja, ik stopte er mee. Zoals Hella toen zei: “Je kunt met jou heel ver gaan, maar dan is het ook echt klaar”.’

Voor Bram was het een klap die lang heeft nagedreund. ‘Het was voor iemand met zijn mentaliteit ook onverdraaglijk dat ik daarna gewoon ben doorgegaan, en redelijk succesvol bovendien.’ Bram Vermeulen moest enige tijd zoeken voordat hij zichzelf terug vond in de vertolking van zelfgeschreven liedjes van melancholieke aard. Hij oogstte er vooral succes mee in België. ‘Wereldberoemd in België, dat moet ook tamelijk onverdraaglijk zijn geweest.’
Was zijn aanhoudende succes en groeiende status een persoonlijke genoegdoening? ‘Nee, maar ik heb er ook geen spijt van. Het was klaar. Ik heb me vanuit Neerlands Hoop ontwikkeld tot wie ik nu ben. Bram heeft nog een paar erg mooie liedjes kunnen maken. Had hij nooit gedaan als we niet uit elkaar waren gegaan.’
‘In Amsterdam ben ik altijd de provinciaal gebleven, maar er was geen weg terug’

Vlak voor de dood van Bram Vermeulen in 2004 in Italië bezocht Freek de Jonge nog een voorstelling van hem in het Amsterdamse De la Mar Theater. Shireen Strooker, zijn weduwe, vertelde dat Bram inmiddels in het reine was gekomen met de beëindigde samenwerking. Het overlijden van zijn vroegere teamgenoot viel voor Freek de Jonge samen met zijn toneelmarathon De Vergrijzing. In een van de delen had hij samen met Bram Vermeulen willen teruggrijpen naar het oude werk. In plaats daarvan maakte hij met andere muzikanten een hommage daaraan.
Op de avond van Brams overlijden, 4 september 2004, stond hij voor het begin van een eerdere aflevering stil bij zijn dood in mooie en welgekozen woorden. Toch is Freek daarover ontevreden. ‘Ik had die avond gewoon alles opzij moeten zetten en zeggen: Vanavond ga ik over Bram vertellen. Maar dan kom je in zo’n kramp van the show must go on. Stom is dat.’
We fietsen naar de Kerkstraat en de Den Texstraat, de twee laatste haltes tijdens zijn verblijf in Amsterdam. Freek heeft er in totaal negen jaar gewoond. ‘Hier heeft het hele tafereel zich ontplooid. Vooral in de periode van 1967 tot en met 1969 ben ik geworden wie ik nu ben. Ik ben de stad daarvoor dankbaar, de stad en de periode waarin zich dat afspeelde. Van die periode heb ik eigenlijk te weinig meegekregen. Daar had ik meer in moeten zitten. Maar dat zijn de keuzes die je maakt. Het is ook de redding van mijn carrière geweest. Al die verhalen over de bohémiens in de kunst zijn mooi om te lezen, maar ze moeten niet over jou gaan. Het is ook zelfbescherming.’
We leveren de fietsen in bij hotel De l’Europe en wandelen over de Bloemgracht naar het Leidseplein. Samen met Hella bezoekt Freek later die avond een balletvoorstelling in het kader van het Holland Festival. Hij speelt met de gedachte ook een bijdrage aan het theaterfestival te leveren. Dat deed hij eerder al, maar anders dan vroeger voelt het nu als een politiek-culturele keuze.

‘Wat ooit begon als Hitweek is nu de linkse kerk geworden. Het idee dat je lage en hoge cultuur kunt samenbrengen is verdacht geworden, laat staan dat je het volk zou kunnen verheffen. De woede tegen de elite, het anti-intellectualisme, kan ik alleen maar beantwoorden met intellectualisme en elitarisme. Ik besef dat het geen antwoord is, het is onmacht waaraan ik me schuldig maak. Ik ben even in de positie geweest dat ik er voor iedereen was, dat ik wekenlang in Carré stond voor een zeer uiteenlopend publiek. Dat was in het begin van de jaren negentig. Dat momentum is verdwenen. Als je me naar een teleurstelling vraagt, dan is het dat, het onvermogen om de massa aan te spreken. Ik was er dichtbij en nu ben ik er mijlenver vandaan.’

[Tekst: Bart Jungmann]