1978-heden Muiderberg

‘Terugkeer naar de provincie en Amsterdam binnen handbereik.
Muiderberg is the best of both worlds’

Mijn beste vrienden waakten over mij
Ik had geen tijd, was aan ambitie zoveel kwijt
Er was een gemeenschappelijk gevoel
hoewel meer een doel daarheen
zonder de vraag waarom juist daar
en dikwijls zonder haar
Wie anders dan mezelf kan ik kwalijk nemen
dat ik mooie jaren heb verspild
maar zo zinloos als zelfverwijt
is het betreuren van voorbije tijd
Leef en altijd weer opnieuw

(Liber amicorum voor Hella de Jonge, 1999)

Muiderberg is het best bewaarde geheim van Nederland, een dorp dat je heel goed het middelpunt van Nederland kunt noemen. Veilig opgeborgen in een kom van water en groen is Muiderberg tegelijkertijd een spinnetje in een web van snelwegen. De A1 voert zijn bewoners in een ommezwaai naar het oosten, zuiden of westen van Nederland. Moeten ze naar het noorden van het land, dan ligt de A6 richting Almere binnen handbereik. In een kwartier kunnen Muiderbergers, als de rest van het verkeer meewerkt, in het centrum van Amsterdam staan. Plaatsen als Goes, Zaandam, Workum of Westernieland zijn met hetzelfde voorbehoud binnen twee uur bereikbaar.

Op een woensdagmiddag in juli zegt Freek de Jonge dat hij vroeger ‘zo’n pedante jongen’ was. Dat wil zeggen: hij was er ook zo eentje die het niet nodig vond een auto te besturen. Hoorde bij zijn generatie. Rijbewijzen waren slecht voor het milieu. Een nobel standpunt natuurlijk, maar in de organisatie van een multimediaal leven vooral onpraktisch. Als je zelf niet reed, dan moesten er anderen beschikbaar zijn die dat voor jou deden. In het geval van Neerlands Hoop was dat Just Enschedé, de manager. We spreken over het begin van de jaren zeventig, de linkse kerk was op haar drukkendst. Alles moest kunnen, maar wel binnen de grenzen van wat progressief werd geacht. De gepreekte tolerantie was voor een belangrijk deel schijn, de sociale controle groot.

Bram Vermeulen was de eerste van Neerlands Hoop die een auto nam. Het werd een Renault 4. Ook niet goed voor het milieu, maar het zag er wel zo uit. Omdat Hella wel een rijbewijs had, namen zij en Freek in 1974 ook een Renault 4. 1974 was tevens het jaar dat Jork, hun eerste zoon, overleed. Dat gebeurde op Texel. Openbaar vervoer en persoonlijk leed bleken elkaar slecht te verdragen.

Een paar jaar later haalde Freek de Jonge ook zijn rijbewijs. Hij wilde Hella niet langer opzadelen met al die uren achter het stuur wanneer ze op vakantie gingen naar Frankrijk. In negen lessen was hij geslaagd. ‘Ik zei tegen die man van de rijschool: Ik wil voor de vakantie kunnen rijden. Gaan we voor zorgen, had hij geantwoord. Dat zijn de voordelen van het Bekende Nederlanderschap.’

Nu rijdt hij veel en graag, en veilig en comfortabel in hun donkerblauwe stationwagen van het merk Mercedes. ‘Ik ben echt een liefhebber. Het heerlijkst is ’s nachts terugrijden na een voorstelling met het gevoel dat het goed is gegaan, over een lege snelweg naar huis.’ Hella zit dan naast hem en samen nemen ze de voorstelling door.

Ze zijn in 1978 naar Muiderberg verhuisd. Jelle, hun jongste zoon, was vaak ziek en de problemen met zijn luchtwegen hielden misschien wel verband met de vervuilde stad. Bovendien was Jork nog maar vier jaar dood en zijn onopgehelderde dood spookte zijn ouders nog door het hoofd.

Het was voor Freek een terugkeer naar de provincie, naar het Nederland dat hem het liefst is. Amsterdam, het Nederland dat hem arbeidstechnisch het best bedient, ligt binnen handbereik. Zo bezien is Muiderberg the best of both worlds.

Na de oorlog had het dorp vierhonderd inwoners, en zoveel zijn er daarna niet bij gekomen. Eerst werd een wijkje voor middenklassers gebouwd. Later kreeg je Buitendijke, een wijk met gemengde woningbouw. Hier en daar werden rotte kiezen vervangen door glimmende kronen. Dat is het wel zo’n beetje.

Muiderberg een kakdorp? ‘Je zou Richard en mij onder de kakkers kunnen scharen, maar dan heb je het wel gehad.’ Richard Krajicek en Freek de Jonge wonen beiden op de Brink, een groot stuk groen omringd door een tiental huizen. In het midden staat een muziektent. De Brink is een beschermd dorpsgezicht.

De twee mannen kennen elkaar uit de tijd dat Krajicek nog samen met Paul Dogger de belofte van het Nederlandse tennis vormde. Toen de pastorie vrij kwam, heeft Freek hem getipt. Voor de loop van zijn eigen geschiedenis, die immers grotendeels werd gevormd in pastorieën, had hij er natuurlijk zelf moeten intrekken. Maar de oude boerderij om de hoek voorziet nu al bijna dertig jaar in al hun behoeften. Ze is eeuwen oud en het verhaal wil dat Rembrandt zich er nog eens heeft gelaafd in een opkamer op een tocht vanuit Amsterdam.

De grootsheid van hun huis gaat schuil achter bosschages. De voordeur, die ongevraagd drukwerk weigert, staat al op een kier als er bezoek wordt verwacht. De eerste deur links in de hal leidt naar het atelier van Hella de Jonge. Hier komt haar beeldende kunst tot stand en zet ze de kleren in elkaar, die zo’n belangrijk bestanddeel in het werk van Freek zijn geworden.

De eerste deur rechts blijft dicht en zou ook niet ter sprake zijn gekomen als Hella er niet over was begonnen. Op haar aandringen lieten ze daarin een zwembad aanleggen, vanwege de ruimte bescheiden in omvang en inhoud. Door de kunstmatige stroming kun je je er stationair in voortbewegen. Wanneer ze niet in hun tweede huis in Frankrijk zijn, waar de zwemcapaciteit ruimer bemeten is, trekken ze hier elke dag hun imaginaire baantjes.

Aan het eind van de gang leidt de deur links naar het woongedeelte dat begint met de keuken. Een halve meter lager spreidt de woonkamer zich uit met in het midden een grote tafel die voor alles kan dienen. De laptop is als altijd stand-by.

De muren hangen vol met moderne schilderijen, onder anderen van Reinier de Muijnck, wiens atelier we in Goes bezochten, en Jopie Huisman. Op de vloer liggen planken die afkomstig zijn uit de inboedel van Huisman, die in 2000 overleed.

Freek de Jonge was Jopie Huisman in de jaren zeventig op het spoor gekomen na lezing van een interview in NRC Handelsblad. Hij was gefascineerd door de handelaar in lompen, die in de daaropvolgende jaren furore zou maken als schilder. ‘Ik ben meteen na lezing in mijn auto gesprongen en naar hem toe gegaan.’

Die eerste ontmoeting was weinig minder dan een openbaring, eentje tussen twee zielsverwante autodidacten. In het museum, dat Freek de Jonge na Huismans dood opende, hangt het schilderij van het oranje nachthemd dat hij in een van zijn eerste solovoorstellingen droeg.

‘Ik raakte erg geïnspireerd door Jopie. Dit was een echte vrijbuiter, een man die buiten de maatschappij wilde staan, niet in rebelse zin, maar in existentiële zin.’ Het was pure bewondering en misschien nog wel iets meer dan dat. ‘Jopie was iemand die zo duidelijk een vorm had gevonden voor leven en werk. Dat werkte voor mij magnetisch. Van hem kreeg ik de erkenning die ik zocht, in zekere zin de erkenning ook van een leermeester.’

Later bleek dat buitenstaanderschap samen te hangen met een zeker egocentrisme en misschien was Jopie Huisman ook wel een beetje een profiteur. De verhouding bekoelde naderhand. Hoe dat in zijn werk ging, is min of meer terug te lezen in de roman Door de knieën.

Achter in de tuin staat links een golfkooi, waarin Hella en Freek hun gedeelde passie oefenen. Rechts is het kantoor dat Freek voor zichzelf liet bouwen. Het is een parmantig huisje met een puntdak en ziet eruit als een ideale voedingsbodem voor inspiratie. Op de begane grond van het huisje staat een grote werktafel, een rechte trap naar boven verraadt een slaapplek en een wenteltrap leidt naar de kelder waar beton een veilige opslag van oud materiaal garandeert. Het is er een beetje een chaos, maar dat geldt voor alle ruimten die Freek de Jonge onder zijn beheer heeft. In zijn auto kun je ook pas meerijden als er het een en ander, vaak zijn sportspullen, terzijde is geschoven. Freeks leven lijkt in een permanente noodzaak van opruimen te verkeren.

Vanuit hun woning aan de Brink sla je meteen linksaf het Echobos in – het leven in Muiderberg is een mengeling van Fabeltjeskrant en Monopoly. Ze hebben hier ook een Dorpsstraat. Het is de eerste keer in onze serie ontmoetingen dat de temperatuur onder de 20 graden blijft steken. Er staat een kille wind die regen in ruime porties aanvoert. De paraplu’s zijn paraat als we de Joodse begraafplaats en het terrein van de lokale voetbalclub, waarvan hij een paar jaar lid was, links laten liggen. Voor ons het Echobos, daarachter moet het IJsselmeer liggen.

Ongevraagd begint Freek de Jonge over Bart de Groot, die in de laatste fase van Neerlands Hoop het management had overgenomen van Just Enschedé en dat als vanzelfsprekend voortzette toen Freek de Jonge alleen verder ging. Het faillissement van De Groot was ook bijna zijn ondergang geworden. Bart de Groot had een groot deel van zijn kapitaal in een musical over Louis Davids gestoken en was daarmee flink het schip in gegaan.

Het huis, waarvan hij de voordeur zojuist dichttrok en dat destijds nog in een prille staat van renovatie verkeerde, verscheen op de voorpagina van Het Parool als de zakelijke inzet van hun geschil. Voor de deur zat hun hond. ‘De volgende dag sprak ik op het toneel gekscherend over dat pannenkoekenhuisje, maar echt lollig was het natuurlijk niet.’ De samenwerking met De Groot was op blind vertrouwen gestoeld, zegt hij, net zoals het altijd met vriend Enschedé was geweest. Nu nog spreekt hij de naam van Bart de Groot zo min mogelijk uit. De man die hem op de rand van de afgrond bracht, heet voornamelijk de manager.

‘Alle recettes werden rechtstreeks naar zijn rekening overgemaakt en een zeker percentage was voor de manager. Ik kreeg een maandsalaris overgemaakt en van de rest dacht ik dat het ergens veilig geparkeerd zou staan. Toen de eerste problemen zich aandienden, ging ik naar de bank in Bussum om te informeren hoeveel er eigenlijk op mijn rekening stond. Dat bleek niet meer dan tweeduizend gulden te zijn. Ik vroeg of er nog niet een of andere depositorekening bestond en rekende op een getal van vijf cijfers. Die rekening bestond dus helemaal niet.’ Vermoedelijk tegen alle regels in bekeek de bankemployé daarna de rekening van manager De Groot. ‘Die bleek dus voor drie ton in het krijt te staan, een enorme klap natuurlijk. We hebben meteen een eind aan de samenwerking gemaakt en hem op staande voet ontslagen.’

Een paar dagen later werd de manager failliet verklaard. Samen met de curator stelde De Groot een rapport op, waarin hij op basis van toekomstige recettes één miljoen eiste van Freek de Jonge. In de eerste rechtszaak, een kort geding, werd het beslag op hun huis opgeheven. Daarna volgde een juridische procedure van tien jaar, waarin het geëiste bedrag langzaam maar zeker werd teruggeschroefd. Het eindigde van credit in debet. Freek en ­Hella ontvingen vijfduizend gulden aan gederfde inkomsten.

Het was een leerzame, maar vooral angstwekkende ervaring, waarin spelen gelijkstond aan overleven. Het faillissement was op een donderdag bekendgemaakt en de daaropvolgende maandag zouden de recettes van een week optreden in Carré op de rekening van De Groot worden overgemaakt. ‘We zijn er op het laatste moment in geslaagd dat het bedrag rechtstreeks op mijn rekening zou worden gestort. Ik was die maandag op weg naar de slager toen een raampje van de Rabobank openging. Een van de employés kwam met zijn hoofd te voorschijn en riep: “Er is een mooi bedragje voor u overgemaakt, meneer De Jonge”. Dat was in wezen onze redding.’

Kort daarop diende de commerciële televisie zich in Nederland aan onder de naam van RTL Véronique. Voor een nog veel mooier bedrag kocht de omroep zijn oude shows om de entree op de Nederlandse markt enig cachet te geven. ’Ik ben samen met Viola Holt en ­Catherine Keyl naar Luxemburg gevlogen om de feestelijke opening op te luisteren.’

Meer nog dan nu stond zijn naam in die jaren synoniem met de VPRO. ‘Ik had het ook zeker niet gedaan als die problemen achterwege waren gebleven. Maar die shows waren allang klaar en het was een tijd dat ik een breed publiek bediende. De zalen zaten tot aan De Bedevaart helemaal vol. Stond ik zes weken in een uitverkocht Carré, dat was dus echt wel de breedte.’

Waar we nu lopen, zegt Freek de Jonge als het IJsselmeer in zicht komt, is in die dertig jaar niets veranderd. Misschien is het wel de enige plek in de Randstad die zolang onaangetast is gebleven. Alleen het uitzicht op Almere is veranderd, maar dat heet niet voor niets een groeikern. Ook de toeristische bedrijvigheid op het meer is een andere dan dertig jaar geleden, toen het echtpaar De Jonge zich de eerste beginselen van het plankzeilen eigen maakte. Windsurfen heet nu kitesurfen en het ondiepe water voor de kust van Muiderberg lijkt het toneel van laverende parachutisten.

De Badlaan verbindt Muiderberg met het IJsselmeer. Het is een statige en lommerrijke laan, zoals dit type wegen van land naar water behoren te zijn. Aan de ene kant heb je het kerkhof dat een serieuze kans maakt zijn laatste rustplaats te worden. Aan de andere kant staat de woning waarin ze eerst woonden na hun verhuizing naar Muiderberg.

Ruim dertig jaar gelden was het niet meer dan een terrein waarop de houtjes lagen die de fundering moesten vormen – heien hoeft niet op de zandgronden van Muiderberg. Het is een huis als een vakantiechalet met stoer houtwerk, dat wacht op een nieuwe eigenaar en vermoedelijk al een tijdje, gezien de verwaarloosde leefomgeving.

Freek wijst naar het zolderraam van wat toen zijn werkkamer was. Het bood een fantastisch uitzicht over het IJsselmeer. Daarmee is wat hem betreft de belangrijkste kwaliteit van deze woning ook wel genoemd. Ze hebben er niet zo lang gewoond.

Een man die in provinciaal woongenot gewend was aan de omvang van een pastorie, beoordeelt twee onder één kap als benauwd. Na een paar jaar trokken ze dus een stukje landinwaarts, waar een voormalige boerderij de fantasie prikkelde. Veel meer dan dat deed zij niet. De te koop staande woning, eigendom van een oude boer en zijn geesteszieke dochter, was een bouwval. Bovendien was het een tijd van gierende inflatie en stond de hypotheekrente afschrikwekkend hoog.

Hella was degene die de stap durfde zetten, zoals zij op de beslissende momenten altijd het heft in handen heeft genomen. Zij beheert zijn agenda, maakt in de regel ook de afspraken en zet er, als ze in de buurt is, tijdig een punt achter. Nadat de samenwerking met Bart de Groot was stukgelopen, nam het echtpaar zelf de regie van Freeks kunstzinnige en politiek-maatschappelijke activiteiten op zich onder de firmanaam De Roje Hel. Dat had vermoedelijk niet gekund zonder haar stipte aanpak, die voor buitenstaanders wel eens moeilijk te verteren is. Maar haar echtgenoot vaart er wel bij.

Ze leerden elkaar in 1969 kennen op het verlovingsfeest van Titia Kiewiet de Jonge en Bram Vermeulen in Wassenaar. Hella Asser is de dochter van schrijver Eli Asser, destijds bekend van tv-series als ’t Schaep met de 5 Pooten, waarin het altijd zo’n vrolijke bedoening was.

In haar veelgelezen autobiografie Los van de wereld, die in 2006 verscheen, beschrijft Hella de Jonge de andere kant daarvan, te weten hun gezinsleven. Haar ouders waren getraumatiseerd uit de Tweede Wereldoorlog gekomen. Het ongeluk dat hun joodse familieleden en vrienden tussen 1940 en 1945 was overkomen, drukte in de jaren nadien hevig op het gezinsleven. In haar onzekerheid werd Hella Asser zwaar belast door de onvermogens van haar ouders. Freek de Jonge maakte voor haar alles anders. Uit de autobiografie: ‘Ik heb het geluk gehad dat ik Freek ontmoet heb, dat die mijn hand pakte en me weer leerde huppelen. Door hem leerde ik onderscheiden wat waardevol was en wat waardeloos, waardoor ik geluk ging zien.’

Freek de Jonge had allesbehalve een veelzijdig liefdesleven geleid voordat hij Hella ontmoette. Er was dat meisje in Goes geweest, de dochter van de architect, een moeizame liefde in al haar puberale kenmerken. Daarna duurde het tien jaar voordat hij echt intiem werd met een vrouw. Ze heette Koosje en de kennismaking verliep via Willem Diepraam, de fotograaf met wie hij in zijn studententijd bevriend was. Koosje, zo bleek naderhand, had al een vriend (ook een architect) die voor zijn werk in Amerika zat. Freek mocht de seksuele zaken even waarnemen. ‘Ik denk er niet met veel plezier aan terug. Het was een gestuntel van heb ik jou daar, ergens in een huis in Oud-Zuid. Wel opwindend natuurlijk, maar ik denk vooral terug aan de onbeholpenheid en onwetendheid. Ik was 24 jaar, bepaald geen vlotterik dus. Nooit een charmeur geweest, eigenlijk veel te rechtlijnig voor de liefde. En met mijn uiterlijk maakte ik ook geen verpletterende indruk. Eerder iemand die mensen afschrikt dan ze voor zich inneemt. Kortom, ik kan er eigenlijk niets van. Maar Hella viel authentiek voor mij, wonderlijk.’

Een paar dagen na hun eerste nacht samen stond ze met een koffertje voor zijn deur aan het Minervaplein. Freek had een wc, zij niet. Dat was één goede reden om zo snel mogelijk lief en leed te delen. Tot ongenoegen van de wederzijdse ouders betrokken Hella en Freek later een huisje aan de Lijnbaanstraat. Ze waren ongetrouwd en in de jaren zestig was dat nog een beletsel voor samenwoning. Terwijl Hella met een ontsteking in het ziekenhuis lag, drongen de beide schoonmoeders eendrachtig de benedenverdieping binnen om te scheiden wat nog maar zo kort geleden was samengekomen.

Op onze fietstocht door Amsterdam hebben we even halt gehouden op die plek des onheils. Freek vertelde van het sorteren der onderbroeken en hoe hij er volstrekt machteloos bij had gezeten. Wonderlijk, had hij gezegd, een woord dat hij vaker gebruikt bij ongerijmde herinneringen. ‘Ik zat daar gewoon bij. Ik deed niets en ik zei niets.’

Het is hem wel vaker overkomen, zegt hij, zo willoos vastzitten in een passief lichaam. Zoals Bram Vermeulen hem halverwege de jaren zestig daaruit had bevrijd om samen tot Neerlands Hoop te komen, zo zou Hella de Jonge vanaf 1971 als zijn wettige echtgenote hem behoeden voor de bodemloze put. Bij hun huwelijk kregen ze van Freeks moeder een bijbel als cadeau, Hella’s ouders verblijdden het getrouwde paar met een donzen dekbed. De bruiloft was een ‘merkwaardige vertoning’, schrijft Hella de Jonge in haar boek. ‘Vrienden van Freek vonden mij maar vreemd.’ Als die dag iets positiefs opleverde, was het zijn achternaam die ze met trots de hare maakte. ‘De Jonge, Hollandser kon het niet.’

Dat ze voor elkaar bestemd waren, is wetenschap achteraf. Hella was een kwetsbaar en fragiel meisje van amper twintig jaar, zwaar getekend door haar jeugd. Freek had tot dan toe geleefd in een cocon van veilige onbezonnenheid. Dat bleven lange tijd gescheiden werelden. Als Freek met the boys in the band elders overnachtte vanwege een optreden ver weg van Amsterdam, kreeg hij telefonisch een lading met problemen over zich uitgestort. En dan keerde hij met een groot schuldgevoel terug aan de stamtafel.

‘Nooit eens een telefoongesprek waarmee je leuk terugkwam bij je vrienden of dat je met een van die vrienden eens kon praten over zo’n teleurstelling. Dat iemand gewoon eens tegen je zei: kom op. Nee, ik kan niet zeggen dat ik veel support kreeg in mijn keuze voor Hella, niet van de familie en niet van vrienden. Ik weet nog heel goed dat de vioollerares van Hella tegen me zei: je hebt een fantastische keuze gemaakt. Dat heeft heel veel voor mij betekend, eindelijk eens iemand die zag wat ik ook zag. Anderen vergrootten de twijfels alleen maar. Dat begin is zo ontzettend moeilijk geweest, echt een godswonder dat we het met elkaar hebben gered.’

Bram Vermeulen was misschien wel het meest uitgesproken in zijn afkeuring. Hij had Freek destijds onder zijn hoede genomen, samen met vriendin Titia, en meende daaraan een bepaalde zeggenschap over zijn toekomst te kunnen ontlenen. ‘Hella werd echt gekeurd en dat ging bepaald niet verheven. Wat moest die erbij en wat moest die van mij? Daar heb ik me het meest ongelukkig bij gevoeld.’

In een interview met weekblad De Tijd sprak Bram Vermeulen in 1985 tamelijk openhartig over de onmogelijke driehoeksverhouding die Neerlands Hoop volgens hem was geworden. Aanvankelijk houdt hij zich daarin nog enigszins op de vlakte. ‘Je zou kunnen stellen dat Freek een soort eerste kind is geweest van ­Titia en mij. Hij was bijna dag in, dag uit over de vloer. Toen kreeg Freek zelf een vrouw. Daar kon en kan en wil ik het niet goed mee kunnen vinden. En dat is dan aardig uitgedrukt.’

Hij wordt venijniger als er een vergelijking wordt gemaakt met Yoko Ono, van wie werd beweerd dat ze echtgenoot John Lennon van The Beatles heeft losgeweekt. ‘Hella heeft vanaf het begin tussen mij en Freek gestaan’, zegt hij in dat vraaggesprek. ‘Sterker nog: ze wou me vervangen. En dat lukte haar. Natuurlijk lukte haar dat, want ik ging niet met Freek naar bed. Heel simpel.’

Volgens Freek de Jonge gaat de vergelijking met Yoko Ono volledig mank. Zoals Ono zich bemoeide met het artistieke leven van Lennon, zo heeft zijn vrouw dat ten tijde van Neerlands Hoop nooit gedaan met het zijne. ‘Hella heeft nooit haar plek opgeëist. Daar had ze de power niet voor.’

Het probleem was veeleer dat de nieuwe verhoudingen en mogelijkheden onbesproken bleven. Hella de Jonge had met haar achtergrond de kwaliteiten om zich te bemoeien met de aankleding van de shows, maar dat was altijd het domein van Titia Vermeulen geweest. De vraag of dat zo moest blijven, is nooit in alle openheid ter discussie gesteld, zoals er binnen Neerlands Hoop niets ter discussie stond. ‘Stompzinnig, primair en kinderachtig was het. Voor zover er ruzies waren, klaarden ze niets op. Als er een probleem met Hella was, dan was het dat ik me alles liet aanleunen en het te weinig voor haar opnam.’

Op 22 februari 1972, precies een jaar na hun huwelijksvoltrekking, werd dochter Roos geboren. Drie jaar later volgde Jelle. En dan was er dus nog Jork, tot leven gewekt op Texel en op 27 januari 1974 overleden, op hetzelfde eiland. Dat was bijna drie maanden na zijn geboorte. Het is een onderwerp waarover Freek de Jonge met grote terughoudendheid spreekt. Het is al zo vaak ter sprake gekomen, in interviews, in theater en in boekvorm. ‘En je moet oppassen dat het niet tot je palmares gaat behoren, dat je er prat op gaat.’

Ze waren met trein, boot en bus naar hun bestemming op de Wadden gereisd. Na een uitje op het eiland constateerden ze, teruggekomen bij hun hotel, dat Jork niet meer ademde. Voor hun vertrek naar Texel was hij nog door de huisarts onderzocht vanwege een spontane bloedneus in zijn wieg. ‘De dokter zei: niets aan de hand, ga gerust op vakantie. We waren nog zo jong en nog zo afhankelijk van artsen. Dat zou je nu niet meer gebeuren.’

Als doodsoorzaak namen ze destijds genoegen met het algemene begrip wiegendood. Maar achteraf gezien gaf Jorks kortademigheid genoeg reden om te denken dat er meer aan de hand is geweest. De zwangerschap was, anders dan bij Roos, zwaar en gecompliceerd geweest. De bevalling onderging Hella vrijwel helemaal onder narcose en die moest ten slotte worden opgewekt.

Freek bepaalde op Texel de loop der dingen. Hij nam genoegen met wiegendood als doodsoorzaak, want hij wilde niet dat zijn kind mee terugging naar Amsterdam voor autopsie. Voor de symboliek van het laatste afscheid vond hij het ook beter om Jork ter plekke te begraven, op hetzelfde eiland waar hij verwekt was. Maar de gehaaste afhandeling had ook een onderliggende reden. Freek wilde voorkomen dat hun leven geruïneerd zou worden door wijsheid achteraf, door schuldgevoel over wat ze in Jorks korte leven misschien anders hadden moeten doen. ‘Stel dat we een fout hadden gemaakt, is dat prettig om te weten of juist niet? Ik dacht het laatste. Achteraf een belachelijke redenering natuurlijk, alsof je voor zoiets je kop in het zand kunt steken.’

Freek heeft de gebeurtenis verwerkt in Door de knieën, misschien wel zijn meest persoonlijke roman. Na het overlijden van hun kind roept de hoofdpersoon op een duin tegen zijn echtgenote: je mag dit nooit gebruiken. In Hella’s autobiografie staat dezelfde scène vrijwel exact zo beschreven.

In die tijd, zegt hij, ging Hella nog erg gebukt onder de traumatische gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. ‘Elke spanning in ons gezin werd daaraan gerelateerd. Dat was zo langzamerhand geen manier van leven meer. Er speelde dus zeker een eigen belang mee, maar ik zei het ook vanuit het inzicht dat je je leven er niet door moet laten bederven. Je moet je leven er juist groter en intenser van maken. Het was ook een keuze tegen het slachtofferschap dat ik in onze samenleving als een besmettelijke ziekte ervaar. Zoveel mensen leven vanuit dat verstikkende idee dat ze onrecht is aangedaan, terwijl lijden juist een wezenlijk deel van je leven is.’

Tot dat inzicht zijn ze nu beiden gekomen. Het is ook een vaak terugkerend thema in de gesprekken en geschriften, maar destijds scheidde dat lijden hen juist. Terwijl Hella er zowat in stikte, hervatte Freek een paar dagen na de begrafenis zijn werkzaamheden in wat op dat moment Neerlands Hoop Express heette. ‘Ook daarin bleef ik de held spelen. Dat was dubbel pijnlijk, voor Hella én voor mij. Ik wilde iets te snel geen slachtoffer zijn. Niet voor niets heet Door de knieën zoals het heet.’

Daarin beschrijft hij de gemoedstoestand van de hoofdpersoon als volgt: ‘Ik had mijn ziel aan de duivel verkocht voor de lach. Ik leefde niet meer emotioneel maar analytisch en moest over de meest verschrikkelijke dingen grappen maken. Anderen raken en zelf buiten schot blijven. Ik werd verlamd door haar verdriet. Wat moest ik zeggen? Ik wist niet eens raad met mijn eigen verdriet. Had ik wel verdriet?’

Zonder Hella daarin te kennen, nam hij in het theaterprogramma Losse Nummers een liedje op over de dood van Jork. ‘Voor Hella was dat een enorme dreun, zij zat geheel onvoorbereid in de zaal. Maar goed, het heeft wel weer bijgedragen tot een verdere verwerking. Ik denk ook dat dat de kern is van een huwelijk, dat je altijd bezig bent de restjes op te ruimen van de dingen die zijn blijven liggen.’

In hun verschillende verwerking van het verdriet is ook een parallel te trekken met zijn ouders, die hun tweeling kort na de geboorte ten grave hadden gedragen. Vaders hebben meer tijd nodig om zich aan een kind te hechten dan moeders, die in dat proces een natuurlijke voorsprong hebben. Net als zijn vader vond Freek troost in het bijbelverhaal van Job die door God op de proef wordt gesteld. ‘Want daar gaat het natuurlijk om: hoe stevig sta je in je schoenen.’

De begrafenis van Jork de Jonge werd een intieme bijeenkomst. Hella en Freek durfden hun verdriet nauwelijks met anderen te delen. De beide oma’s en de ene opa werden niet uitgenodigd. Bram en Titia Vermeulen waren er wel bij. Na afloop gingen ze met hun vieren in Broek en Waterland nog wat eten. ‘Wonderlijk om juist die twee uit te nodigen. Natuurlijk heb ik dat gedaan als een uiterste poging om ons allemaal samen te brengen, in het verdriet dat alles zou oplossen. Ik krijg het nog benauwd als ik eraan terugdenk. Het werd een erg pijnlijke bijeenkomst. Ze liepen over Hella heen en ik zat er lamgeslagen bij, weer in die eeuwig gedeelde loyaliteit om iedereen tevreden te stellen. Als ik werkelijk reëel en solidair was geweest, had ik moeten zeggen: dit kan zo niet langer.’

Dat moment kwam pas zes jaar later. Ze waren bezig met Neerlands Hoop een plaat op te nemen. Hella belde op met de mededeling dat hij per se thuis moest komen. Dat deed Freek. ‘Voor Bram was dat de verbreking van de jongensromantiek.’

Daarna zou het nog een jaar duren, tot 11 september 1979, voordat de breuk definitief was. Het was een keuze voor zichzelf, maar ook een keuze voor Hella of eigenlijk voor Hella en hem.

Vanaf dat moment groeiden ze naar elkaar toe, naar de volcontinue verbintenis die ze nu hebben. In 2009 voltooiden ze eendrachtig een groot mozaïek dat in zijn titel Water en Vuur de bereikte symbiose symboliseert, gestut op volharding, liefde en toewijding.

‘De eerste jaren met Hella begreep ik er niets van, van haar onzekerheid en zoektocht naar vertrouwen. Voor mij was dat vertrouwen van huis uit vanzelfsprekend geweest. De schellen vielen van mijn ogen nadat ik Brief aan mijn moeder van Ischa Meijer had gelezen. Toen pas besefte ik wat het allemaal voor haar betekend had. Dat heeft wel vijftien jaar geduurd. Toen pas besefte ik ook dat haar ouders er niet zoveel aan konden doen.’

Het contact met hen is nooit intiem geworden. ‘Voor die twee bleef ik de goj en de domineeszoon, en met dominees hadden ze in de oorlog geen goede ervaringen gehad. Later heb ik met Eli nog wel eens ongemakkelijke gesprekken gehad, waarin hij aanbood voor mij een soort vader te zijn.’

Freek denkt dat de relatie met Hella heeft standgehouden dankzij hun beider doorzettingsvermogen. ‘Doordat Hella en ik bij elkaar bleven, is het steeds beter geworden. Het vermogen om een ander zijn plaats te gunnen in een relatie, dat is heel moeilijk voor stellen. Dat je in de ander een meerdere kunt erkennen. Dat je kunt zeggen: doe jij dat maar, want dat kun jij beter. Daaraan gaat een lange periode van kibbelen vooraf, van stompzinnig terrein afbakenen. Pas als je ouder bent, ga je je afvragen: wat verdedig ik eigenlijk en waarom.’

Om zeven uur staan Hella en Freek de Jonge in de keuken twee verschillende maaltijden te bereiden. Freek trakteert het bezoek en zichzelf op speenvarken, vlees dat in Zaandam en Goes bij speciale gelegenheden werd opgediend. Hella geeft de voorkeur aan een restantje kip. Voor iedereen kan er witlof in de magnetron, de vraag is hoe lang dat moet. Als Stan Laurel en Oliver Hardy verdringen ze elkaar in liefdevolle onhandigheid voor het aanrecht.

We eten aan het tafeltje in de keuken. Het gesprek kaatst als in een flipperkast heen en weer. Dat begint bij de Amerikaanse goeroe Andrew Cohen, bij wie ze in 1998 bij toeval belandden tijdens een bezoek aan Los Angeles. Freek was het snel zat, waarna hij demonstratief samen met Hella de kamer verliet. Voordat ze de deur hadden bereikt, zei Cohen: I knew you’d cause me trouble.

Hella vertelt vervolgens van vrienden die op zoek zijn naar een nieuwe meester en dat Freek zelf ook een tijdje tegen Bhagwan heeft aangeschurkt. Freek tuit zijn lippen om dat aanschurken te relativeren. ‘Als die mensen macht gaan uitoefenen, ben ik weg.’ Hij wil wel even vastgesteld hebben dat ze hem nooit in een oranje jurk hebben gezien.

Dan begint Hella over een gezamenlijke ervaring op de golfbaan in Noordwijk, waar een vrouw zich met soortgelijke bedoelingen opdrong aan Freek. Kennelijk oefenen bekende Nederlanders een behoorlijke aantrekkingskracht uit op de verlichte mens.
Hella: ‘Ze beweerde dat ze Freek mentaal sterker kon maken.’
Freek: ‘Ach welnee, Ze liep alleen maar mee.’
Hella: ‘Je hebt je meteen gedistantieerd, maar het was een levensgevaarlijk mens.’
Freek: ‘Dat viel reuze mee.’
Hella: ‘Ze probeerde jou in haar ban te krijgen.’
Freek: ‘Een kruimeldief, meer niet. Jomanda is tien keer zo heftig.’

Het gesprek eindigt bij de keerzijde van de roem, dat ze je eerst hoog opgooien en daarna keihard laten vallen. Hella noemt als voorbeeld de afscheidsdienst voor Michael Jackson. Ze moest erom huilen. ‘Het ging in al die speeches steeds over het genie van Jackson, terwijl ze die man kapot hebben gemaakt. Dan moet ik huilen om Freek. Al die mooie woorden die straks op zijn begrafenis worden gesproken, terwijl ze nu allemaal rotstukken schrijven.’
Freek: ‘Je hebt de bonus van de roem en de tol van de roem.’
Hella: ‘Freek is de Michael Jackson van het cabaret. Alles wordt tot pulp gemaakt. Zo’n Gordon die destijds naar aanleiding van onze tentoonstelling zei: ik vind hem zo zuur. Dat is dus wat de mensen bij blijft. Al die voorstellingen, al die mooie beelden, die kun je met één zo’n opmerking in de prullenbak gooien.’
Freek: ‘Wat zal ik me druk maken om Gordon? Dat is de competitie tussen een grasspriet en een Alpencol. Ik denk altijd maar: wat je zegt, ben je zelf. Dat is een heel effectieve methode.’
Hella: ‘Het gaat me om de intentie, dat het je zomaar kan overkomen. Ik zit er zelf ook niet mee, maar ik hoor nu al speeches straks van al die hypocrieten.’

Ik vraag Freek wie er op zijn begrafenis mag spreken. Laconiek antwoordt hij: ‘Ik schrijf zelf wel iets.’