2011 – Freek en Hella

‘We zijn aan elkaar gewaagd, maar niet met elkaar in competitie’

‘Jij, dat ben ik in wezen, maar een heel andere ik, edelmoedig en groot, een geniale ik.’
(Marianne von Werefkin over Alexej von Jawlensky)

Van Muiderberg tot voorbij Bazel hangt op deze dinsdag in januari een mistbank. Ruim negen uur lang varieert de buitentemperatuur volgens de boordcomputer tussen een halve en anderhalve graad. Vlak voor Bern, aan het eind van zo’n eindeloze tunnel op de E25, blijkt het laaghangende wolkendek opeens opengescheurd. De sneeuw ligt te blaken onder fel zonlicht. Het is ruim vijf graden boven nul geworden.

Na aankomst in Frankrijk gauw doorrijden naar wat Hella en Freek de Jonge hun mooiste plek noemen. Het is een uitkijkpunt bovenop een bergkammetje achter het Meer van Genève, een paar kilometer verwijderd van hun tweede huis. De zon staat op het punt onder te gaan, het meer gaat al schuil onder een dik dekbed.

Zestig kilometer verderop rijst de Mont Blanc, nog in het volle zonlicht, uit boven het andere gebergte. We worden er even stil van. Verderop een kapel die herinnert aan Amerikaanse soldaten die hier een noodlanding maakten tijdens de Tweede Wereldoorlog, net aan de verkeerde kant van de grens.

Het tweede huis van Hella en Freek staat in een plaatsje zo klein dat het de Franse wegenatlas van Michelin niet heeft gehaald. Het is een samenscholing van huizen langs een doorgaande weg in het departement van de Haut-Savoie. Hoe ze hier terechtkwamen? Hella: ‘Charlie Chaplin had een huis aan het Meer van Genève.’ Freek: ‘En Graham Greene.’ Hella: ‘En Roger Moore.’ Freek: ‘Een paar van onze helden.’

Eerst bezaten ze een chalet in Zwitserland als buitenlands toevluchtsoord, een kraaiennest op 1550 meter hoogte of zoiets. Voor Hella was het in elk geval te hoog, ze werd er ziek van.

Voor hen is Frankrijk een adempauze, waar Freek zich in een supermarkt ongestoord en onbespied kan bewegen. Als hij in Muiderberg zijn hoofd buiten de deur steekt, voelt hij zich publiek bezit. ‘Je bent steeds op je hoede. Het is een tweede natuur, al heb ik er volgens mij wel een bepaalde vorm voor gevonden. Zonder meteen de populaire jongen uit te hangen probeer ik zo open mogelijk te zijn, nog altijd een provinciaal die in conflict komt met de stadse mentaliteit.’ Maar Frankrijk is ook een werkplaats, want werken houdt nooit op. Freek: ‘Rust ken ik niet.’ Het leven is voor hem een aanhoudende uitdaging van de goden. ‘Dat fascineert mij ook aan topsporters, dat je voorbij de menselijke rede gaat.’

Het is ook een soort nieuwsgierigheid naar waar die werkdrift hem leidt. ‘Het komt weliswaar uit mijn brein, maar ik ben vaak net zo verrast door wat eruit komt.’ En als het er eenmaal is, wil hij weer verder. ‘Wat zit er nog meer in dat brein? Dat proces kan in Frankrijk niet zomaar stilvallen.’

Het huis is hun domein, dat van de kinderen en van de kleinkinderen. In de achtertuin, die reikt tot gindse bomenrij, staan wat speeltoestellen en drie witte kunstkoeien, erfenis van een Friese kunstmanifestatie. Freek had daaraan zijn medewerking verleend en toen de organisatie vroeg wat hij daarvoor wilde hebben, wees hij naar de koeien. Nu staan ze in hun naakte witheid in winterwonderland.

We komen te spreken over een tweede huis en of je daarbij in dit tijdsgewricht nog ideologische kanttekeningen moet plaatsen. Freek had er ’s morgens nog over nagedacht, het gespreksonderwerp liet zich kennelijk raden. ‘Het is niet iets waarop je recht hebt. Je schaart je bij de bevoorrechte mensen. Wat zou er gebeuren als iedereen een tweede huis heeft?’

In het theater heeft hij wel eens gezegd dat het lot hun een tweede huis heeft toebedeeld en dat je met het lot niet in discussie moet gaan. Zo is het ook, naar zijn idee. ‘Het hoort bij de absurditeit van het bestaan. Het alternatief is dat je jezelf wegcijfert en in een plaggenhut gaat wonen. Maar ik heb wel een plek nodig om weg te kunnen uit Nederland. Het alternatief daarvoor is veel reizen. Dan is dit beter voor het milieu.’ Hij grijnst.

Omdat ze allebei groot zijn geworden in een tijd van verantwoording afleggen, keert het onderwerp later nog een keer terug. Freek: ‘Die tijd is misschien voorbij, maar de behoefte blijft. Letterlijk heb je het misschien verdiend, figuurlijk nooit. Zoals mijn vader in Groningen twee keer op de fiets stapte om zich te verantwoorden, zo ben ik nu bij wijze van spreken bereid om naar Nederland te fietsen en uit te leggen hoe het zit. Maar de eerste mensen die je het misgunnen, zijn ook de eersten die het zelf willen hebben. Je komt natuurlijk vaak genoeg met actievoerders in aanraking die de volledige consequentie hebben getrokken. Maar dan kom je uiteindelijk uit bij Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuyn. Ik weet niet of de wereld daarmee zo blij moet zijn.’ Komt nog bij dat ze samen van ver zijn gekomen. Freek: ‘Toen we begonnen, veertig jaar geleden, hadden we nul min nul.’ Op zoek naar hun eerste huis hadden Hella en Freek zich ingeschreven bij een bureau dat zichzelf pontificaal Flatservice BV had genoemd. Het eerste aanbod was een bouwval aan de Amsterdamse Herengracht, waarna ze woedend verhaal gingen halen. Wat was dat voor een service? De moeder van de eigenaar had ze bestraffend toegesproken. Ze dienden wel te beseffen dat ze het woord hadden gericht tot de directeur van Flatservice BV. Zo is de directeur van Flatservice BV een gevleugelde uitdrukking geworden binnen de familie De Jonge.
Met de vlucht die de welvaart vanaf de jaren zeventig nam, kwam ook het grote succes van de eerste soloshows. Wekenlang stond Freek in een uitverkocht Carré. Dus het geld stroomde binnen, zeker nadat het contract met de malverserende manager was verbroken.

Maar geld heeft nooit een rol gespeeld bij hoe hij over iets denkt, zegt Freek. ‘Je kunt je een schuldgevoel laten aanpraten, maar wat levert je dat per saldo op? Een rare gefrustreerdheid.’

Hella: ‘En we moeten er ook even bij vertellen dat die geldkwestie min of meer is opgelost met een stichting die we veertien jaar geleden zijn begonnen. Alles wat we buiten het theaterwerk verdienen, Freeks schnabbels maar ook de opbrengst van mijn boeken, gaat rechtstreeks naar een stichting, allemaal keurig geregeld met een bestuur. Het geld wordt besteed aan educatie, voor kinderen die een muziekinstrument kunnen verdienen of voor kinderen die in staat worden gesteld een documentaire te maken.’

Freek: ‘Dat is in deze hele discussie dus de aflaat. Je zit gevangen in een conventie en daaruit zoek je een uitweg.’

Aanvankelijk ging het geld ook naar derdewereldprojecten, maar dat draaide steevast uit op teleurstellingen. Voor twintigduizend euro zou een schoolgebouw in Congo worden neergezet, maar daarvan hebben ze nooit meer iets gehoord. Dat is een goede les geweest. Freek: ‘Je kunt beter werken aan het bewustzijn van mensen dan proberen de armoede te lenigen.’

Hella: ‘Maar ik heb geen seconde het gevoel hier als een rijke madam te zitten, want daar gaat die discussie dus over. Ik heb hier elke dag een geweldig gevoel, het gevoel van paradijs.’

Freek: ‘Het zou ook pas echt een schande zijn als we hier zaten te mopperen.’ Hij grijnst opnieuw.

Er staan sloffen klaar in de hal, ook voor het bezoek. Sloffen zijn ’s winters bittere noodzaak op de ijskoude plavuizen. Freek draagt oranje sloffen, dezelfde die in Muiderberg over de houten vloer schuifelen. Tussen de woonkamer en het zwembad is een serre. Hella en Freek maken daar samen muziek, zij op de viool en hij op de gitaar, elkaar vindend in een blues. Als zij naar bed is, gaat hij gewoontegetrouw nog een paar uur door met werken.

‘Kom eens mee’, zegt Hella aan het begin van de avond. Ze troont het bezoek mee naar het toilet. ‘Je hebt het mooiste van dit huis nog niet gezien.’ De muren zijn van onder tot boven gevuld met mozaïek. Zij begon aan de ene kant, daarna hij aan de andere kant. Later heeft Hella op de tussenliggende muren de verbinding gelegd tussen beide mozaïeken. Dat was nog niet zo gemakkelijk. Haar ervaren hand stak in die tijd af tegen zijn bijdrage, nog expressief in ongeoefendheid.

Hun samenwerking komt al veel beter tot haar recht op de muur van het zwembad, waar ze eendrachtig hebben gewerkt aan het kunstwerk waarin een paradijselijk landschap ten onder gaat als gevolg van nine eleven, de datum waarop de Twin Towers in New York door een aanslag werden verwoest. Hella probeert aan te geven wat haar deel is geweest en welke stukjes het zijne. Freek zegt dat ze dat niet moet doen. Het mozaïek is van hun tweeën. Klaar. Die mozaïeken zijn hun meest intense vorm van samenwerking en komen misschien daardoor ook alleen tot hun recht in het isolement van Frankrijk. In de kelder staan, naast de fietsen, kartonnen dozen met de verschillende steentjes hoog opgestapeld. Meestal reizen ze ook per auto naar de Haute-Savoie, de achterbak vol scherven.

Begin 2009 openden Hella en Freek samen in het Haagse Gemeentemuseum een tentoonstelling over het werk van kunstenaarsechtparen. Onder de titel Liefde! Kunst! Passie! werd gezocht naar de dwarsverbanden tussen samenwerken en samenleven. In de catalogus wordt in het hoofdstuk over Marianne von Werefkin en Alexej von Jawlensky, twee Russische schilders die dertig jaar lang een gecompliceerde relatie hadden op het breukvlak van de negentiende en twintigste eeuw, gesproken van ‘belichaming van één verlangen’. Dat is ook op hen van toepassing, al maken hun verschillende achtergronden en karakters die belichaming niet eenvoudig.

Het is een wankel evenwicht, zegt Freek aan de eet- en werktafel, nadat hij de kip voor het avondeten aan stukken heeft gesneden. Dat komt bijvoorbeeld aan de orde als Hella vertelt van die ene keer dat de Rabobank een aantal van hun mozaïeken aankocht. Bij de overdracht bleek een van de bezoekers Hella niet te kennen. Hij vroeg naar de reden van haar aanwezigheid.

Hella: ‘Dat is dan toch weer pijnlijk. In wezen lag het initiatief voor de mozaïeken immers bij mij en is het uitgegroeid tot iets van ons samen.’

Freek: ‘Maar die opmerking heeft toch veel meer te maken met de treurigheid van zo’n man dan met jouw bijdrage aan het geheel? Als je van die discussie af wil, moet je die gedachte achterwege laten. Dan moet je dus niet zeggen dat jij het initiatief hebt, dan zeg je alleen maar dat we het samen hebben gedaan.’

Hella: ‘Maar jij doet ook te weinig om dat te doorbreken. Je zegt het wel, maar je benadrukt het niet.’

Freek: ‘Het is erg homo om te zeggen dat je vrouw het initiatief heeft gehad. Kijk naar Yoko Ono en John Lennon.’

De tweezijdige verbondenheid, zowel in liefde als in kunst, is een verdomd lastige – zeker in een verbondenheid waarin de passie nog oplaait.

Hella Asser is de dochter van tekstschrijver Eli Asser, wiens naam verbonden is aan cultureel erfgoed dat in de naoorlogse decennia tot stand kwam. Onbekommerd vertier als de series Mimosa (radio), ‘t Schaep met de 5 Pooten en Citroentje met suiker (beide tv) kwam later symbool te staan voor de tijd waarin ze zich afspeelden. Maar thuis was het geen pretje bij de Assers. Geboren in 1949 groeide Hella op in voortdurend schuldbesef, de problematiek van de zogenoemde tweede generatie. Haar moeder en vader wisten zich geen raad met overleven en de kinderen werden daarvan het slachtoffer. Toen ze Freek leerde kennen, verdiende Hella de kost in de revue van Snip & Snap. Onafhankelijk van elkaar zullen ze later zeggen dat haar achtergrond ook een zegen was voor hun huwelijk. Hella was nauwelijks anders gewend dan met bekende Nederlanders om te gaan. Freek: ‘Dus daar hoefde ik niet mee aan te komen bij haar.’

Over haar gemankeerde jeugd en de littekens die daarvan het gevolg waren, schreef Hella de Jonge het boek Los van de wereld, waarvan meer dan 25.000 exemplaren werden verkocht. Ze schreef haar verhaal op in een directe, bijna confronterende stijl, wars van decoratie. De levensgeschiedenis reikt tot aan de ontmoeting met Freek, het verlies van hun zoontje Jork en het wankele evenwicht van hun samenwerking nadat die met Bram Vermeulen was beëindigd.

Al op jonge leeftijd openbaarde zich bij haar een grote kunstzinnigheid die ze paarde aan een dito handvaardigheid in tal van materialen. Op haar zeventiende ging ze naar de Rietveld Academie om te leren edelsmeden. Later, de kinderen waren er al, kwam ze tijdens een pedagogische bijscholingscursus in aanraking met klei. Dat resulteerde in diverse tentoonstellingen met keramische objecten. De ontwikkeling zette zich voort in brons. Die techniek en het contact met de gieters waren haar het liefst, maar dat werd te zwaar. Intussen zorgde Hella voor de kinderen en kleedde ze Freeks soloshows aan; niet alleen de voorstellingen, maar ook de hoofdpersoon.

Hella werd tevens zijn klankbord en die samenwerking werd nog hechter nadat Jelle, de jongste, ook figuurlijk op eigen benen kon staan. Ze reisde mee naar alle voorstellingen en bekwaamde zich in de belichting daarvan. Ook nam ze, nadat vaste regisseur Jop Pannekoek daartoe niet meer in staat was, de tv-registratie op zich.

Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, behartigt ze ook de zakelijke kant van hun samenwerkingsverband De Roje Hel en ziet ze nauwlettend toe op zijn agenda. Niet voor niets is Hella vaak de gebeten hond als er tevergeefs naar Freeks diensten wordt gehengeld.

Nog een greep uit het gesprek aan tafel:

Hella: ‘Ik heb gekozen voor de middenweg, ook om het met jou goed te houden. Als ik voor mijn eigen carriere gekozen had, waren we hoogstwaarschijnlijk niet bij elkaar gebleven. Je kunt het vergelijken met Annie M.G. Schmidt. Die vond het dus wel een belemmering.’

Freek: ‘Maar die twee hadden niks samen. Het grappige is dat wij echt samenwerken. Het is het probleem van onze tijdgeest. Waarom moet het werk dat wij samen hebben gedaan aan een van de twee personen worden opgehangen? Wat wordt het werk daarvan mooier? Het enige dat je ervan kunt zeggen, is dat ik het presenteer.’

Hella: ‘En ik heb geen behoefte gehad om naast Freek in de schijnwerpers te staan, ook al doen we heel veel samen. Er was immers al Bram en Freek geweest, die hadden allebei hun plaats op het podium. Destijds heb ik nooit de behoefte gehad me daar tussen te wringen. Ik had ook geen zin in conflicten daarover. Het is de kortzichtigheid van de mensen om alleen Freek te zien, alsof ze hem willen claimen. Altijd is het Freek, Freek, Freek, ook al doen we het samen.’

In de verhalen van de kunstenaarsechtparen die het Haagse Gemeentemuseum in de catalogus optekende voor de betreffende expositie, zijn het meestal de mannen die de aandacht opeisen, ongeacht de verhoudingen in prestatie en aanzien. In wezen is dat wankele evenwicht dus op al die echtparen van toepassing, ongeacht de tijd of samenleving waarin ze hun werkrelatie hadden.

Het verhaal van Hella de Jonge, die zich ondergewaardeerd weet maar dat niet wil voelen, is dus universeel. Misschien is dat van Freek de Jonge het ook wel. Hij weigert zijn mannelijkheid te verbloemen, zoals John Lennon deed in manvijandige tijden (de kwalificatie ‘homo’ ontleent hij aan het boek Dertien van David Mitchell). Vermoedelijk is Freek ook te veel een sportman om zijn mannelijkheid te kunnen verhullen.

Hella: ‘Je kunt niet ontkennen dat een aantal ontwerpen uit mijn brein is ontsproten en het is pijnlijk als die zonder te vragen gekopieerd worden. Mensen roepen dat ik er trots op moet zijn, maar ik vind het irritant. Ik lijd er niet onder, maar ik heb er wel verdriet van. Alleen, en dat moet boven alles duidelijk zijn, het doet niets af aan onze liefde.’

Freek: ‘We zijn niet één persoonlijkheid, maar we werken wel aan één ding. Ik doe de mannelijke kant van de zaak en dat betekent dat ik er mee naar buiten treedt. Dat is de macho­kant. Waarom zou ik daarover gefrustreerd zijn? Ik vind het heerlijk om uit te leggen hoe het zit.’

Hella (tegen het bezoek): ‘Daarom is het zo leuk dat je hier bent. Dan kun je iets zien van de samenwerking. Hoe dat gaat met een mozaïek, hoe we over elkaar heen hangen bij het plakken.’

Freek: ‘Wat wil je nou beweren als je zegt dat je er niet onder lijdt, maar er wel verdriet van hebt? Wat heeft het voor consequenties als je dat beweert?’

Hella: ‘Ik vergeet altijd mijn naam ergens onder te zetten. Dat was vroeger al zo op de opleiding. Ik vergat het doordat ik zo getraind was mezelf weg te cijferen. Op de mozaïeken staan onze namen ook niet.’

Freek: ‘Ik hoef mijn naam nergens onder te zetten, want ik sta op het toneel.’

Freek: ‘Het geheimzinnige aan zo’n intieme samenwerking is dat je elkaar groter maakt. Je presteert meer dan je alleen zou doen.’

Hij begint over de kunstenaarsechtparen van de expositie in het Gemeentemuseum, hoe in negen van de tien gevallen de vrouw achter de man aanging, daar dan soms overheen ging en de heibel die daarvan het gevolg was.

In een documentaire over Christo en diens vrouw Jeanne-Claude, het echtpaar dat beroemd werd met zijn grootschalige verpakkingen, wordt de heibel volgens hem treffend zichtbaar. Het is het moment waarop hij afhaakt en zij doorzet. Zo gaat het bij hun tweeën ook. Heeft te maken met zijn gebrek aan geduld. ‘Het goddelijke moment wordt meer gewaardeerd dan het ambacht en ik denk dat het allebei even belangrijk is.’

Freek de Jonge definieert talent als het vermogen je ergens op te concentreren, de volharding iets onder de knie te willen krijgen. Hij kan dat slecht, Hella kan dat juist heel goed, zoals Bram Vermeulen dat destijds ook zo goed kon. ‘Zes uur per dag een bal tegen de muur slaan. Dat moet je er voor over hebben om beter te worden als volleyballer.’

Voor zover er sprake is van een taakverdeling tussen hun tweeën, dan ligt die in de werkzaamheden besloten. Eerst was het Bram en Freek, daarna werd het Freek en nu kun je spreken van het product Freek, een gezamenlijk kunstwerk waarvan hij als uitvoerende artiest de blikvanger is. Die taakverdeling heeft dus ook haar publicitaire consequenties. Volgens Freek moet Hella juist blij zijn dat ze zich daaraan kan onttrekken. Hella vraagt waarom.

Freek: ‘Een stap verder in je status en je bent interessant voor RTL Boulevard. Wees blij dat je dat niet bent. En bovendien is het zo dat iedereen, op welk level dan ook, altijd ontevreden is. Geen enkele acteur, beeldhouwer of schilder zal zeggen: Ja, mensen, ik ben helemaal tevreden over de waardering die ik krijg.’

Hella: ‘En jij dan?’

Freek: ‘Ik niet. Ik word ondergewaardeerd in dit land. In dit land zeker. Zijn we nu het Journaal vergeten? Dat is hier verplichte kost, hoor.’

Uiteindelijk tellen ze beiden hun zegeningen.

Hella: ‘Het fijne is dat we alles kunnen maken wat we willen, dat we mensen aan het werk kunnen houden, dat ik de materie heb gevonden om de dingen te maken die ik wilde maken.’

Freek: ‘Als je het hebt over ons geluk, dan is dat het, dat we nooit afhankelijk zijn geweest in de dingen die we wilden maken.’

Hella: ‘Dat vind ik een cadeau. Als je ook ziet hoe we hier bezig zijn met onze mozaïeken, hoe Freek gegrepen is door de materie.’

Freek: ‘Zoals ik Hella heb meegenomen in mijn theaterwerk, zo heeft Hella mij meegenomen naar het mozaïek.’

Hella: ‘Maar ik vind het link hoor, om erover te praten. Voor je het weet, is de magie weg.’

Freek: ‘Dat is het precaire van de zaak, het evenwicht dat wankelt. Als de één gaat opscheppen, arrogant wordt of juist nonchalant, dan stort het in elkaar. Daarom is de verantwoording naar elkaar heel belangrijk, op alle gebieden. Dat houdt dus ook in dat je zoveel mogelijk samen opereert.’

Hella: ‘We zijn dus ook heel voorzichtig met het toelaten van anderen tot dit stukje intimiteit hier. Niet omdat je je ervoor schaamt, maar omdat mensen zo snel iets verkeerd opvatten.’

Freek (vanaf de bank): ‘Het Journaal is begonnen, hoor.’

De volgende dag stuurt hij zijn Mercedes door het omringende landschap, de Franse versie van memory lane. Het is heiig en koud. Zo nu en dan maakt de zon aanstalten om door te breken, maar zij bedenkt zich op het laatste moment. De bomen hebben witte voelsprietjes.

Freek koestert de dorpjes hier. ‘Ik ben een echte liefhebber van Frankrijk.’ Anders dan hun Nederlandse equivalenten hebben ze niets van hun eigenheid verloren. De pleintjes met hun bar-tabac en afgeronde gevels zijn voor hem een voortdurende herinnering aan de oude tv-beelden van de Tour de France. ‘Alsof ze elk moment de hoek om kunnen draaien met al dat getoeter. De Tour hoort zo bij dit land.’

Als de weg omhooggaat, refereert Freek aan zijn eigen prestaties op de racefiets. Hoe een andere fietser hem eens achterop reed en de hand op zijn schouder legde. In onmiskenbaar Nederlands vroeg de man of het nog ging, de meest irrelevante vraag die in volle inspanning gesteld kan worden. Nee, het ging niet, zeker niet nu hij werd ingehaald.

Op uitnodiging van de Rabobank is hij twee keer de Alpe d’Huez omhoog gefietst. Herinneringen komen boven aan de Belg Kevin de Weert, die de nieuwe Eddy Merckx zou worden, en aan Thomas Dekker, die het Nederlandse wielrennen weer allure zou geven. ‘Telkens schudde ik mijn hoofd als zoiets gezegd werd. Die jongens zijn kapotgemaakt door het verwachtingspatroon.’

Is er een verband is tussen de nieuwe lichting cabaretiers en wielrenners? Volgens Freek is er sprake van een lichting die niet volwassen wil worden. ‘Ze nemen niet de verantwoordelijkheid voor hun talent. Het is misschien een hoop gemoraliseer van mijn kant, maar de enige consequentie die je uit dat talent kunt trekken, is de toewijding die Bram aan de dag heeft gelegd.’

Hoe dat komt? Een combinatie van dingen, denkt hij. Vermoedelijk speelt het ontbreken van een kader in de opvoeding daarbij een belangrijke rol. Het ontbreken ook van de motivatie om de armoede buiten de deur te houden. ‘Wij hadden dat kader nog wel, maar het is lastig om zoiets aan de orde te stellen, omdat het de dingen zijn waarover je eigenlijk niet praat.’

We rijden naar een klein wintersportoord dichtbij. Het zijn overzichtelijke hellingen voor beginnende skiërs, gevorderden kunnen hun hart ophalen met aansluitende liften die naar Zwitserland voeren.

Skiën was een verdeeld genoegen in huize De Jonge. Van Jelle herinnert vader zich vooral het koukleumen, nog voor het skiën begonnen was. Voor Hella was de aardigheid eraf na een stevige valpartij die haar nek blijvend beschadigde. Nu bindt Freek alleen met dochter Roos de ski’s nog af en toe onder.

We slingeren naar beneden, in de richting van de golfbaan. De auto wordt gevuld met het volle geluid van een cd van Freek. Het zijn intieme liedjes, ontleend aan de blues en de country, met bijpassende teksten over schuld, spijt en verlangen. Zing mee uit alle macht. Idealisten, sluit de rangen. De ganse schepping wacht met reikhalzend verlangen.

Het laatste liedje heeft hij die dinsdagavond nog met Hella gerepeteerd, zij op viool en hij op gitaar.

Muziek wordt steeds belangrijker, zegt hij, en dan vooral de theoretische kant ervan. Met deze liedjes maakte hij in de lente van 2010 een korte tournee door België, gelardeerd met een enkele conference. Dat laatste, zijn handelsmerk, zal waarschijnlijk voor altijd aan hem kleven.

‘Neerlands Hoop begon in wezen met liedjes, maar dat werd steeds meer de conference. Publiek wil van mij grappen horen. Komt ook doordat wij in Nederland die chansoncultuur niet hebben.’ Zelf rekent hij Parlando, zijn uitstapje naar het Metropole Orkest, tot zijn beste werk.

Ook de ontvangst van de journalistieke trektocht door zijn eigen jeugd, eind 2009 uitgezonden, stemt hem tevreden. De zoektocht kreeg vorm in vier tv-programma’s, waarin het plaatselijke theater de uitvalsbasis werd voor kleine documentaires. Soms was het echt, soms fabuleerde hij de werkelijkheid, net zoals hij deed in Zaansch Veem. ‘Het is ook een beetje als Zelig, de film van Woody Allen. Kijken wat er gebeurt als je jezelf tot hoofdpersoon van de geschiedenis maakt.’

Vooral de vraaggesprekken met het publiek in de zaal, op zoek naar gezamenlijke herinneringen, sloegen aan. ‘Toen ik Zomergasten deed, werd er gezegd dat ik niet nieuwsgierig was. In deze shows zie je dat dat gelul is. Mijn probleem is dat ik een fase oversla in mijn vraagstelling. Meestal heb ik het antwoord al doorgrond en dan wil ik alweer verder. Dat irriteert de mensen, die denken: Laat hem toch uitpraten. Als mensen hun mening gaan geven, zit ik er inderdaad bovenop. Dit was pure nieuwsgierigheid.’

Hella had de lastige taak om theater en reportage in elkaar te laten vloeien. Bij de montage bleek volgens Freek weer eens de functionaliteit van hun samenwerking. Waar hij in zijn ongeduld iets te snel en te veel als bekend veronderstelde, gaf haar stem de doorslag om het nog één keer uit te leggen.

Hella en Freek zijn zo op elkaar ingespeeld dat ze de mogelijkheid van een grap tegelijkertijd herkennen. Bij een gezamenlijk bezoek aan een vestiging van Ikea zagen ze een grote bak met theedoeken staan. Een paar weken later lagen die theedoeken op de stoelen van het theater in Volendam voor hun nieuwjaarsshow in 2010. Met een paar handgrepen brachten die doeken de lokale klederdracht in verband met de angst voor islamisering.

Meer dan andere kleinkunstenaars heeft Freek de Jonge de vernieuwing gezocht in de vorm. Als je het hem vraagt, volgt de inhoud de vorm en niet andersom. ‘De inhoud is in wezen een constante. Pisuisse en Louis Davids zongen al over de ellende in de wereld. Als je dat als eerste doet, is de vorm niet belangrijk. Dat kan staande bij de piano. Maar daarna gaat de vorm wel een rol spelen. Wat je doet, is protest tegen de vorm van dat moment, zo was Neerlands Hoop in het begin avant-garde. Maar alle avant-garde wordt op den duur weer establishment. Ik ben er altijd in geslaagd te breken met de vorm van dat moment en dus ook met mijn eigen vorm.’

We arriveren bij de golfbaan van Evian die per hole naar beneden duikt. Golf is, naast wielrennen en voetbal, zijn grootste passie op sportgebied, een passie die hij deelt met Hella. Kan Freek in die twee andere sporten zijn wilskracht kwijt, golf is een leerschool in beheersing. ‘De wilskracht moet gericht zijn op concentratie.’
Voor iemand met zijn karakter is golf de moeilijkst denkbare sport. In voetbal heeft hij zijn beperkingen leren kennen, maar als onnozele amateur vermoedt Freek na een paar gelukte slagen Tiger Woods in zich. ‘Terwijl het verschil met de echte top zo verschrikkelijk groot is. Die leraren van ons zijn niet eens goed genoeg voor de derde divisie in Europa, laat staan voor de top in Amerika. Wat de twintig grote jongens in Amerika presteren, dat is zo ongelooflijk.’

Op de terugweg spreekt Freek, en niet voor de eerste keer, zijn bewondering uit voor Hella. ‘Ze kan gewoon gaan zitten en dan komt er iets uit haar handen, dat ambachtelijke en die vasthoudendheid maken haar voor mij zo bijzonder.’ Hij vraagt het bezoek wat het verschil is tussen een pitbull en een joodse moeder. Het antwoord volgt in dezelfde ademstoot: Een pitbull wil nog wel eens loslaten.

Hella speelt tegenover de buitenwereld de rol van de bitch, maar dat is minder eenduidig dan de buitenwereld wellicht vermoedt. ‘Daarbij komt het eeuwig joodse probleem om de hoek kijken. Daar zijn wij, de wereld, allang overheen gestapt. Maar dat is bij Hella de oerangst van afgewezen te worden, een diepgewortelde angst voor het moment dat iemand tegen haar zegt: Jij mag hier niet zijn.’

Ook daarin is hun evenwicht dus delicaat: Hella heeft de verplichting op zich genomen Freeks leven te arrangeren, opdat hij de ruimte heeft voor de dingen die er voor hem werkelijk toe doen. Anderzijds is er de zorg om haar kwetsbaarheid die onder al dat geregel schuilgaat.

Na de overhandiging van de VSCD Oeuvre­prijs aan Freek de Jonge in 2008 sprak zijn echtgenote juryvoorzitter Joost Nuissl aan op het juryrapport. Hella zei dat ze één belangrijke kwalificatie had gemist. Dat was Freeks genialiteit. Nuissl reageerde enigszins verbouwereerd. Genialiteit, ging dat niet een beetje te ver? Maar dat gaat het volgens Hella helemaal niet.

Ze is er rotsvast van overtuigd, gestoeld op een aantal ervaringen waarvan die in 2002 het sterkste staaltje was. Ze zouden die avond naar Almelo gaan voor een try-out van het programma Losse Nummers. Daaraan voorafgaand bezochten ze eerst de receptie van Matthijs van Nieuwkerk, die afscheid nam als hoofdredacteur van Het Parool. Van Nieuwkerk had Freek binnengehaald als columnist van de Amsterdamse krant, vandaar.

Tijdens die receptie werd een ruit van hun auto ingeslagen en tot de buit behoorde de computer waarin Losse Nummers was opgeslagen. Hella zei tegen Freek: Dat gaat dus niet door. Maar Freek antwoordde dat het dus wel doorging. Met de taxi reisden ze naar Muiderberg om haar auto op te pikken en onderweg naar Almelo schreef Hella in steekwoorden op wat Freek zich herinnerde van het programma in opbouw.

‘Het was de derde keer dat hij het deed, de vorige twee keer had hij alles van de computer voorgelezen en nu ging alles uit zijn hoofd. Helemaal uit zijn hoofd! Ik zou niet weten wie hem dat kan nadoen. Daar is dus zolang over nagedacht dat het al helemaal in zijn hoofd zit, dus ook in de juiste volgorde. Daar moet een computer in zitten, in dat hoofd.’ Het is de touch of genius, zegt ze, die Rembrandt onderscheidt van andere schilders en Freek van andere theatermakers.

Terwijl nauwelijks waarneembare sneeuw langzaam maar zeker verandert in een wit gordijn, kauwt Hella op het woord autistisch dat ze eerder die middag ter sprake heeft gebracht. We wandelen in een straal van een paar kilometer rond het huis.

Een lelijk en onaangenaam woord is het, autistisch. Ze heeft spijt dat ze het heeft gebruikt, ook omdat het slechts ten dele duidelijk maakt wat ze bedoelt. Wat Hella wil zeggen, is dit: Het brein van Freek zit zo vol van wat hij wil zeggen en maken, dat er geen ruimte is voor alledaags gebruik. Als hij, zoals hier in Frankrijk, boodschappen gaat doen, belt hij vaak vanuit de supermarkt op om te horen waaruit die boodschappen ook alweer moesten bestaan.

Als ze in het theater zit, achter de knoppen van de belichting, kan Hella genieten van die geconcentreerde genialiteit. ‘Dan zit René, die het geluid doet, naast me en dan stoten we elkaar aan. Kijk wat-ie nou weer doet. En dan zit ik te glimmen, dat is mijn Freek en die kan dat allemaal.’ Tegelijkertijd ervaart ze het als een verantwoordelijkheid. Haar Freek moet overdag door de beslommeringen heen worden geholpen. ‘Hij kan gedijen omdat ik het zie en hem de ruimte geef.’

Het veronderstelt een zekere dienstbaarheid, maar ook dat woord neemt Hella niet graag in de mond. ‘Zo heb ik mezelf nooit gezien, maar ik had wel door dat het niet goed zou gaan als Freek in zijn solowerk helemaal op zichzelf aangewezen was. Hij had een partner nodig. Bij Neerlands Hoop stond die partner naast hem op het podium. Wij waren die partners in het dagelijkse leven en zo heeft zich dat verder ontwikkeld. Eerst door er veel over te praten met zijn tweeën en daarna werd het alleen maar intensiever. Hij komt met een idee, daarmee ga ik naar het atelier en dan kan ik al iets klaar hebben waarvan hij het bestaan nog niet eens vermoedt.’

Een mooi voorbeeld vindt Hella de leeuw die ze maakte voor het programma De Bedevaart. Freek had haar het verhaal verteld van de leeuwentemmer, op basis waarvan ze aan de slag ging. Met het resultaat daarvan, die leeuw dus, kon hij weer verder stoeien. ‘Zo organisch gaat dat bij ons.’

Als Freek daarin het genie is, dan heeft zij de gave de genialiteit zichtbaar te maken. ‘Ik heb doorzichten in beelden, ik kan ze uitvoeren.’ De indruk dat haar ambachtelijke vaardigheden slechts uitvoeren wat hij in zijn hoofd heeft, moet duidelijk weersproken worden. ‘Dat zou betekenen dat Freek de grote kunstenaar is en ik niet. Dat gevecht ga ik niet aan. Maar ik kan wel iets tot stand brengen. Als Freek aan een nieuwe show begint, praten we daarover. Ik ga slapen, ik word wakker en dan is het er.’

Haar vriendinnen beweren weleens dat ze stom is zichzelf zo weg te cijferen, maar ook dat zal ze weerspreken. ‘Het is ook de uiting van liefde voor elkaar. Ik vind het fijn om zo samen te kunnen zijn. Omgekeerd had het niet gekund. Als we hadden gekozen voor beeldhouwen, was hij afgehaakt. Als we allebei aan het toneel waren gebleven, zou onze liefde een verloren zaak zijn geweest.’

Alleen de verschijning van haar autobiografie heeft Hella er door moeten drukken. ‘Dat boek was een heikel punt. Freek en de kinderen waren bang dat ik me er kwetsbaar mee maakte. Ik heb het doorgezet en het heeft me geen slecht gedaan, maar het kostte wel veel moeite en dat was niet plezierig.’

Het is een wankel evenwicht. Ze zegt het hem na en vertelt van de echtparen wier werk in het Haagse Gemeentemuseum tentoon was gesteld. Al die stellen gingen bijna of helemaal kapot aan jaloezie. ‘Dat is ons niet gebeurd. We zijn aan elkaar gewaagd, maar niet met elkaar in competitie. Ik ben net zo solo als hij solo is, maar ik vind het wel leuk om Freek mooier te maken.’

Of ze hem ook in bescherming neemt? ‘Dat is alleen maar handigheid van Freek. Het is een slimme jongen, maar als je dat door hebt, is het niet erg. Vroeger vond ik dat niet leuk, nu wel. Zijn hulpeloosheid ontroert me. Geen enkele behoefte om daarover ruzie te maken. We hebben met z’n tweeën een bepaald punt bereikt, een punt waarop we hebben besloten samen oud te worden en voor elkaar te zorgen. Niet op een betuttelende manier, maar in de liefde voor elkaar en in de wetenschap wat ieders zwakke kant is.’

De begeerte waarmee hun relatie eind jaren zestig begon, is nooit gedoofd. ‘En dat is zo uniek. Ik heb Freek altijd aantrekkelijk gevonden, een combinatie van alles waar ik blij van word, een unieke combinatie.’