1991 – Neerlands Bloed

Categorie:

Op woensdag 15 mei 1991 gaat Freek de Jonge zijn te verschijnen roman Neerlands Bloed in zijn geheel voorlezen. Daarvoor heeft hij de kleine zaal van het Amsterdamse Concertgebouw afgehuurd. Hij rekent erop dat er van zijn tweehonderdduizend fans zo’n vierhonderd zullen zijn die het er voor over hebben 175 gulden te betalen om, weliswaar met lunch en diner, vanaf tien uur ’s morgens ruim twaalf uur achtereen naar hem te komen luisteren. Met vierhonderd keer dat entreebedrag haalt hij dan zo’n zeventigduizend gulden op voor de Nijmeegse Blindenbibliotheek Le Sage ten Broek. De keuze voor dit goede doel komt voort uit het feit dat zijn eigen moeder inmiddels slechtziend is en daarmee voor haar leesplezier afhankelijk is geworden van de gesproken-boekuitgaven van deze organisatie.
Vierhonderd betalende bezoekers is dus waarop hij hoopt, maar er komen er maar… twintig. Reden om met hen en nog zo’n dertig genodigden, onder wie de leiding van de blindenbibliotheek en journalisten, te verhuizen naar een kleinere ruimte. Le Sage ten Broek zal hij, zo belooft hij, in elk geval ook de geluidsopname van deze dag schenken.

September 1990 vertrekt Freek de Jonge naar Noord-Amerika om daar te gaan optreden. Maar na twee weken wordt hij ziek. Begin oktober ondergaat hij in Toronto een buikoperatie en kort daarna keert hij terug naar Nederland. Daar schrijft hij, in de laatste vijf weken van het jaar, de eerste versie van de roman Neerlands Bloed. Het idee ervoor ontstaat als Hella en hij in januari 1989 Indonesië en Japan bezoeken. Ze zijn in ­Hiroshima op de dag dat Hirohito, de keizer van Japan, begraven wordt. Hirohito is het symbool van de Japanse wreedheden in Nederlands-Indië en dus ook van betekenis voor Nederland: land van onderdrukten en onderdrukkers.

Neerlands Bloed gaat over het volwassen worden van de Zeeuwse jongen Wouter Pieterse. Het boek begint en eindigt in Japan. Als Wouter twintig jaar oud is, demonstreert hij daar op de dag van de begrafenis van keizer Hirohito. Met de daad lost hij een belofte in die hij tien jaar eerder heeft gedaan aan het sterfbed van zijn buurman: dokter Havelaar. Wouter is de zoon van een leraar Nederlands op het Christelijk Lyceum Goes. Buurjongen Max is de zoon van deze dokter Havelaar; de moeder van Max is op Java vermoord door rebellen. Max is een veelbelovende voetballer, een van de redenen waarom Wouter hem bewondert. Pas in Hiroshima realiseert Wouter zich dat zijn leven tot dan toe in het teken heeft gestaan van heldenverering en dat hij zich nu pas bevrijd voelt.
Wouter kijkt niet alleen op tegen zijn buurjongen, ook spiegelt hij zich graag aan Kees de jongen. Hij is, net als de hoofdpersoon in het boek van Theo Thijssen, een puber met een rijke fantasie. Hij kijkt met afstand naar de grotemensenwereld en stort zich er niet hardhandig in, zoals Max, maar laat zich er stukje bij beetje in opnemen. Niet alleen de verwijzing naar Theo Thijssen, maar ook de keuze van de auteur voor namen als Wouter Pieterse en Max Havelaar heeft natuurlijk betekenis, zoals ook het feit dat het motto van de dichter Gerrit Achterberg is rechtstreeks verwijst naar de literatuurgeschiedenis. Zo doet de wijze waarop de vader van Wouter om het leven komt, denken aan een dodelijk ongeluk waarbij Achterberg betrokken was. Vader Pieterse werkte overigens aan een dissertatie over Achterberg, maar dan blijkt dat die jarenlange vermeend noeste arbeid slechts twee velletjes met notities heeft opgeleverd. Op zijn dood is de slechte relatie met zijn leerlingen in het algemeen en met Max in het bijzonder van invloed. Pieterse kan geen orde houden, terwijl Max steeds onhandelbaarder is geworden nadat hij zijn been heeft gebroken tijdens een voetbalwedstrijd.
Het eerste en het zevende hoofdstuk – Hiroshima en Kyoto – spelen zich af in Japan. Het tweede en zesde hoofdstuk gaan over Max en zijn vader. Het derde en vijfde over Wouter en zijn ouders. Binnen deze symmetrische structuur vormt het vierde hoofdstuk dus het midden. Het heet Neerlands Bloed en is het hart van het boek. Dat hoofdstuk gaat over een Nederlandse man in een Jappenkamp. Hij heeft de mogelijkheid te ontsnappen, maar hij doet het niet. Met die keuze redt hij uiteindelijk de levens van zijn medegevangenen.
Freek de Jonge, in een interview in HP/De Tijd (17 mei 1991): ‘Ware vrijheid bestaat alleen in je hoofd. (…) Ware vrijheid is: geen keuzes hoeven maken, de gelukzaligheid van ademhalen. Voor de gewone sterveling is dat niet te doen, voor mystici wel. Zo’n staat van opperste vrijheid heb ik niet bereikt. Daar ben ik ook niet op uit. Ik ben nog sterk bezig mijn ego gestalte te geven en daar is niets op tegen, lijkt me. Dat is wat ik in dit leven moet doen.’
Net als in zijn theatervoorstellingen staat in dit boek de vrijheid van denken centraal. Mensen offeren zich op voor hun idealen en gaan dood. Anderen vluchten in fantasie, worden gek en hebben ook grote kans het met de eigen of andermans dood te moeten bekopen. Door zich de vragen te stellen of de mens vrij is of geketend en of in het leven alles is voorbeschikt of door toeval wordt bepaald, lukt het Wouter in elk geval de vrijheid te vinden om met zichzelf in het reine te komen.

‘En, weet je al wie ik ben?’
‘Wouter en Kees natuurlijk’, antwoordt ze lachend.
Ik laat de tijd de ruimte en vraag, maar nu niet langer om te weten wie ik ben: ‘Wie ben jij?’

 

COULISSEN

‘Voor het duurbetaalde toegangsbewijs werden ook lunch en diner geserveerd. De meeste luisteraars vonden de hoofdstukken spannend en humoristisch genoeg om niet te gaan knikkebollen. Er werd zelfs gelachen alsof het een gewone voorstelling van Freek de Jonge was.
Bovendien was het voor die twintig fans een uitstekende gelegenheid om hun held eens in een wat intiemere sfeer te ontmoeten. Tijdens de pauzes verdween hij niet in zijn kleedkamer, maar begeleidde hij de groep zelfs naar de lunchruimte, waar desgewenst iedereen bij hem kon aanschuiven.’
(Xandra van Gelder en Arno Haijtema in de Volkskrant, 16 mei 1991)
‘Van de showbusiness heeft Freek de Jonge – na enige eerdere aankondigingen – voorlopig afscheid genomen. Zeer tot ongenoegen van iemand als Jacques Klöters, zelf cabaretier, die vorig jaar in Vrij Nederland schreef: “Altijd zal Freek terugkeren naar het theater, omdat hij daar briljant is en ergens anders verdienstelijk. (…) Als komiek had Freek weinig concurrentie. Als serieus denker wel.”
“Ik ben geen geboren schrijver, ik ben een geboren performer”, geeft De Jonge toe. “Maar het nadeel van het theater is dat niets vast ligt, dat alles wat je doet aan verandering onderhevig is. Ik improviseerde altijd veel. (…) Dat hou je niet altijd vol. Er komt een moment dat je meer wilt vastleggen. Dat heeft iets met angst te maken, het gevoel het je niet te kunnen permitteren met iets slechts te komen. Naarmate je meer gearriveerd raakt, wordt die angst groter. Bij mijn laatste show, De Volgende, heb ik voor het eerst getracht teksten uit mijn hoofd te leren en die een paar maanden lang ongewijzigd te laten. Een soort lafheid eigenlijk. Maar het is meer dan dat. De behoefte werd steeds groter iets te maken wat in één keer staat, dat onveranderlijk is. Dan is de overgang naar de literatuur een logische stap. Je verliest een hoop spontaniteit en leukigheid en je wint – hopelijk – aan zeggingskracht”.’
‘Wat het theater betreft: daar was de fut een beetje uit. Nog steeds. “Ik reed laatst langs de Amstel op het moment dat Carré leegstroomde: mensen die naar Les Misérables waren geweest. Dan krijg ik niet onmiddellijk de behoefte zelf weer in Carré te gaan staan. Wim Sonneveld had een legendarische hekel aan zijn publiek – zo wil ik niet worden. Ik wil geen hekel krijgen aan die mensen. Maar als ik kijk wat er de laatste tijd wordt geboren aan cabaret, dan krijg ik daar een vreselijke weerzin tegen – zo flauw en kinderachtig allemaal. Dat geldt ook voor mijn eigen shows. Als ik ze terugzie, vind ik ze vaak nog wel goed, maar niet zo goed als ik ook heb gedacht dat ze waren. Met Neerlands Hoop heb ik dat nog sterker. Als ik die programma’s weer zie, denk ik: mijn god, wat een overschatting.’
“Ik weet niet of ik weer terugkeer op toneel. En als ik terugkeer, wil ik de grappen ondergeschikter gaan maken aan het geheel. Ik wil niet meer onder die druk staan van het publiek te behagen. Dat is het prettige van een roman: je bent niet gebonden aan humor, hoewel ik het niet kon laten er iets van slapstick in te verwerken. Maar je bent niet gebonden aan een bepaalde lach-frequentie. Lachen is een overgewaardeerde emotie, vooral in een zaak. De mensen grijpen alles aan om in lachen te kunnen uitbarsten.”
‘Binnenkort verschijnen de eerste recensies van Neerlands Bloed. Maakt de schrijver zich zorgen? “Nee, daar ben ik heel open en nuchter in, al ben ik natuurlijk benieuwd wat men ervan vindt. Ach, je bent altijd boos over een slechte recensie, omdat je vindt dat het niet goed begrepen is of verkeerd uitgelegd. Maar een goede kritiek leg ik eerder terzijde dan een slechte, daar denk ik minder lang over na. (…) Mijn probleem is dat ik debuteer met een achtergrond. Iedereen heeft al een mening of een verwachting. Aan de andere kant is het ook een voordeel. Ik hoef geen aantrekkelijke jonge vrouw te zijn om op te vallen met mijn eerste roman.”’ (Bovenstaande citaten komen uit een interview met Bert Bukman voor HP/De Tijd, 17 mei 1991)

KRITIEK

‘De angst moet er bij Freek de Jonge flink ingezeten hebben om als romanschrijver niet voor vol te worden aangezien. In het laatste hoofdstuk van zijn eerste roman neemt hij alvast stelling tegen de kritiek die vast en zeker gaat verminken en verhaspelen wat zo zorgvuldig is “gekoesterd, verbeterd, aangedikt en afgezwakt”. “Niet serieus genomen te worden, dat was toch het allerhoogste wat men in die kringen kon bereiken”, zo klinkt het wat bitter. Deze angst voor onbegrip en laatdunkende reacties is wel begrijpelijk. De ondertoon van Neerlands Bloed is hier en daar onmiskenbaar cabaretesk, zoals ook de titel verwijst naar De Jonge’s cabareteske verleden met Neerlands Hoop. (…) Ook in zijn taalgebruik is veel podium terug te vinden. Zijn formuleringen zijn eerder puntig dan mooi en lijken meer afgestemd op een luisteraar dan op een lezer: veel korte zinnen, afgebeten dialoogjes, veel vraag- en uitroeptekens en van tijd tot tijd een schuine opmerking.
De stijl is mij te kortademig en te springerig, maar de strakke compositie van de roman vergoedt veel. Daaruit blijkt dat De Jonge in staat is tot het spannen van een ruime en aantrekkelijke literaire boog. Neerlands Bloed is bijna volmaakt symmetrisch. Het eerste hoofdstuk correspondeert met het zevende, het tweede met het zesde, het derde met het vijfde. Het vierde, het titelhoofdstuk, vormt het middelpunt van de roman en valt ook goed apart te lezen. Een mooi en ingetogen verhaal is het, dat zich afspeelt in een interneringskamp nabij Bandung, enkele maanden voor de bevrijding. Het gaat hier niet om individuele lotgevallen, maar om een zaak van algemeen belang. De Jonge maakt namelijk aannemelijk dat het een mens niet is gegeven om te weten wat vrijheid is. Toch doen bijna al zijn figuren verwoede, maar vergeefse pogingen te ontsnappen. Een steeds terugkerend beeld is het gat: een steeds net te krappe opening (een wc-raampje, een gat in de schutting) waarin de vluchters blijven steken, met spartelende armen en benen. Soms breekt iemand daarbij doormidden. De enkeling die er wel in slaagt om zich door zo’n gat te wurmen, heeft aan zijn aldus verworven vrijheid niet veel, want hij is dan meteen ten dode opgeschreven. Vrijheid, verdraagt zich niet met het leven – dat is wat deze martelaar aan de achterblijvers duidelijk maakt.
Het is niet te gewaagd om in dit gat bovendien in Freudiaanse zin een vagina te herkennen: een even lokkende als angstwekkende vagina, die de mens ertoe probeert te verleiden voorgoed terug te keren naar de moederschoot. De mens is in deze roman dan ook van het mannelijk geslacht. Vooral is hij een jongen, een Nederlandse jongen, hevig tobbend met zijn seksuele driften. (…)
Neerlands Bloed is een zeer existentiële roman. Gelukkig is hij niet alleen zwaarwichtig, maar ook nogal geestig. Je zou eruit kunnen leren hoe je moet leven, maar misschien nog beter hoe je niet moet leven. Op het eerste gezicht gaapt er een kloof tussen het minieme jongensleven van Wouter of Kees en de grote boze wereld van interneringskampen en Hiroshima. Ongeveer het verschil tussen een bloedneus en een geweldig bloedbad.’ (Janet Luis in NRC/Handelsblad, 24 mei 1991)

 

PUBLICATIES

Freek de Jonge: Neerlands Bloed.
Eerste druk (gebonden) (1991)
Tweede druk (paperback) (1992)
Derde druk (paperback) (1993)
Heruitgave (1994)
Nieuwe heruitgave (1998)

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

Foto's