1992 – The One (Buitenland)

Categorie:

In februari 1990 heeft Freek de Jonge, in zijn bloemlezing Iets rijmt op niets, gemeld dat hij zich uit de showbusiness terugtrekt. Hij zal alleen de Nederlandse showbusiness bedoelen, want op 12 september 1990 vertrekt hij voor twee maanden naar Noord-Amerika om daar op te treden. Maar… als hij er twee weken is, wordt hij ziek. Begin oktober ondergaat hij in Toronto een operatie aan een abces achter zijn navel. De voorstellingen van The One, zoals hij zijn Engelstalige programma noemt, gaan niet door.

De Volkskrant, 11 oktober 1990: ‘De Jonge wilde weinig ruchtbaarheid geven aan zijn Amerikaanse en Canadese optredens. Hij wilde de mogelijkheden in alle stilte aftasten en voorkomen dat hij bij voorbaat zou worden gestigmatiseerd als weer zo’n Nederlandse komiek die mislukt in de Verenigde Staten. (…) In Washington zou De Jonge zijn opgetreden in het – tamelijk bescheiden – Church Street Theatre. Hij werd aangekondigd als “een Nederlandse bijdrage tot Contemporary Theatre and Performance Art” en “het geweten van de Nederlandse natie”, die “zijn publiek / slachtoffers van het ene uiterste (verwarrende stilte) tot het andere uiterste (hysterische lach) brengt”.’

“Hoewel De Jonge zijn hart stevig links draagt, laat hij niet na de zelfgenoegzaamheid van het moderne radicalisme aan de kaak te stellen. De goedbedoelende sociale werker is net zo goed het slachtoffer van Freek de Jonge’s bijtende humor als de directeur van een wapenfabriek”, aldus het Amerikaanse persbericht.’

The One zal hij alsnog gaan spelen, maar pas anderhalf jaar later en niet in Canada, maar in Zuid-Afrika.
Van half februari tot eind maart 1992 onderbreekt hij zijn programma Losse Nummers. Hij doet dat op uitnodiging van het African National Congres. In The Market Theatre, net buiten het centrum van Johannesburg, heeft half maart Breaking the barriers/Breek af die Mure plaats: een twee weken durend cultureel festival met Nederlandse muziek (zoals Circus Custers), literatuur (onder anderen Bert Schierbeek), Nederlands toneel (De Nieuw Amsterdam) en, in de persoon van Freek de Jonge, cabaret. Het festival is georganiseerd door het Amsterdamse Komitee Zuidelijk Afrika en het Zuid-Afrikaanse Vrye Weekblad. Het is de eerste culturele ontmoeting na de afschaffing van de culturele boycot.

De publieke belangstelling valt tegen, zeker het aantal zwarte bezoekers. Voor zijn eerste twee, bijna geheel Engelstalige voorstellingen verkoopt hij in totaal maar zo’n 150 kaartjes. Freek de Jonge: ‘Natuurlijk hebben wij jullie jarenlang in de steek gelaten. En natuurlijk nemen jullie nu revanche, dat zou ik ook doen.’

Van half september tot half oktober 1992 zal hij opnieuw Zuid-Afrika aandoen. Hij gaat The One dan spelen in Johannesburg, Kaapstad en op de universiteit van Stellenbosch. Dan zoekt hij ook nadrukkelijk het contact met de zwarte bevolking, onder meer door op bezoek te gaan in hun woonwijken en er workshops te geven.

COULISSEN

‘”…Een culturele boycot van Zuid-Afrika is een onverdiende straf voor zwarten en blanken die deugen.” Niet alleen de Zuid-Afrikaanse cabaretier Pieter-Dirk Uys is deze mening toegedaan, maar ook Freek de Jonge heeft de partijlijn verlaten. Vroeger dacht hij dat geen kunstenaar, om wat voor reden dan ook, Zuid-Afrika kon bezoeken; achteraf vindt hij dat niet juist. “Uit culturele banden kan door beide kanten inspiratie worden opgedaan”.’ (de Volkskrant, 2 april 1992)

‘De Jonge vond dat het juiste moment was aangebroken om naar Zuid-Afrika af te reizen. “Al die jaren ben ik op de podia geklommen om stelling te nemen tegen de Apartheid. Nu kreeg ik de gelegenheid om te gaan zien wat daarvan het resultaat is geweest en kon ik ook iets doen. Ik ben teruggekomen met het gevoel dat ik de mensen daar geïnspireerd heb en – wat ook niet onbelangrijk is – dat ik ze heb geamuseerd.” (…)
Freek de Jonge had wel eerder naar Zuid-Afrika willen gaan, ondanks de culturele boycot. “Het is nooit goed om een land cultureel te boycotten.” Zo lang het gaat om het uitdragen van gedachtengoed zonder commerciële oogmerken (…) is er voor De Jonge niets aan de hand. “Wat vooral niet onderschat moet worden is de inspiratie die je die mensen geeft in hun geïsoleerde positie. Daar schuilt niets verkeerds in”.’ (Algemeen Dagblad, 2 april 1992)

‘De Jonge was aanvankelijk onaangenaam verrast door het feit dat zijn voorstellingen vooral blanke toeschouwers trokken, hoewel de tournee door het ANC was georganiseerd. “Jammer, maar ik vind het ook zo paternalistisch te gaan eisen dat zeventig procent van het publiek zwart moet zijn. Die groep heeft op dit moment de cultuur niet om naar het theater te gaan. Natuurlijk zijn de theaters voor hen toegankelijk, maar dat zijn de stranden ook en ook daar zie je geen zwarten. Er is geen theatercultuur bij deze mensen, maar ook hier geldt: dat is ook in Amsterdam zo.”
Ondanks al die mooie verklaringen bleef De Jonge momenten hebben van grote twijfel. “Sta je na de voorstelling te praten met Nederlanders die vijftien jaar geleden de Apartheid zijn gaan opzoeken. Toen dacht ik wel: voor wie sta ik hier eigenlijk te spelen?” De Jonge heeft het wel geprobeerd, maar de zwarte bevolking zelf opzoeken is ook moeilijk. “Naast mijn optredens in Kaapstad en Johannesburg ben ik naar Soweto gegaan, maar men kent de gang naar het theater niet”.’ (Trouw, 2 april 1992)

Off stage geeft Freek de Jonge ruiterlijk toe dat zijn rondrit door Soweto een griezelige ervaring was. “Het is absurd. Soweto is bijna pittoresk, charmant, maar je voelt de dreiging. Logisch, van een hond die je veertig jaar vals hebt gemaakt, moet je niet verwachten dat hij ineens vriendelijk wordt. De zwarten hebben nooit een ander middel gehad om zich te uiten dan door geweld. Daarom zijn we nu hier, om andere uitingsvormen weer op te starten”.’ (HP/De Tijd, 20 maart 1992)

De grimmige sfeer, maar dan juist veroorzaakt door blanken, valt anderen harder:
‘De multiculturele theatergroep De Nieuw Amsterdam (…) zal niet terugkeren. De vernederingen die zwarte spelers als Gerda Havertong moesten ondergaan, hebben daarvoor te diepe wonden geslagen. De Jonge wil aan de slag. “Er is daar iets aan de hand. Er is angst en onzekerheid en daar kun je lekker in poeren. Ik kan daar nog even aan de slag, want ze kunnen RTL 4 niet ontvangen”.’ (de Volkskrant, 2 april 1992)

‘I’m very privileged to be here and I hope the referendum will soon make an end to all white man’s privileges, is de eerste zin van de show.’
Het publiek aarzelt nog even, maar na de tweede – die refereert aan het recente bezoek van Paul Simon: My name is Art Garfunkel – geeft het grootste deel zich gewonnen. Ik speel in het Engels, omdat Nederlands net zo moeilijk te volgen is voor de toeschouwers als Afrikaans voor mij. In een gesprek is het geen probleem, dat kun je onderbreken om onbegrepen woorden te verifiëren, maar in een conference gaat het te snel. Ik maak wat opmerkingen over het verschil in taal.
Jullie zeggen Treurnicht, wij zouden zeggen: optimist. En je moet wel een optimist zijn als je nog steeds in blanke superioriteit gelooft!
Ik ben op het affiche aangekondigd als gaskunstenaar en dat levert ook een paar bittere grappen op.
De opmerking die er het meest inhakt, betreft mijn veronderstelling dat abortus al lang geleden gelegaliseerd moet zijn in Zuid-Afrika, omdat ze er niet op een dood kind kijken. Als er wat gezucht en gesteund wordt, nuanceer ik mijn gedachte: dode zwarte kinderen, bedoel ik.
Ik heb de show niet aangepast, maar wat opvalt is hoe de toehoorders de verhalen en grappen naar de actuele situatie toetrekken. Met grote gretigheid wordt gelachen om alles wat ook maar even te maken heeft met de kramp waarin ze jaren geleefd hebben. Ik voel nu aan den lijve wat een dissidente collega doormaakt die zijn kritiek op het regime in een metafoor verpakt heeft, ongrijpbaar voor de censor, maar het publiek heeft aan een half woord genoeg.
Anderzijds voel ik hoe groot de hunkering is naar cultuur van buitenaf. De mensen hebben droog gestaan, behalve soapopera’s, popmuziek en de grote Amerikaanse films zijn ze verstoken geweest van de ontwikkelingen in het theater en de ontmoetingen met allerhande kunstenaars. Ik geloof dan ook stellig dat een culturele boycot eerder in het voordeel dan in het nadeel van de onderdrukkers speelt.’
(Freek de Jonge in het dagboek dat hij bijhield voor Vrij Nederland, 18 april 1992)

KRITIEKEN

‘Zijn Zuid-Afrikaanse programma is samengesteld uit oud en nieuw materiaal. Het begin van de show is een improvisatie op de actualiteit. Gestoken in een knalgeel satijnen clownspak met zwarte sterren verhaalt hij van zijn rondrit door Soweto, dat hij als een soort Disneyland had ervaren. “Toeristen als we zijn, hebben we het advies van onze gids maar opgevolgd. Hij zei dat je met die zwarten alles kon doen, dus zijn we even uitgestapt om bij een paar zwarten op hun rug te gaan zitten om paardje te rijden. Schoppen en spugen, daar kunnen ze ook best tegen.”
De Nederlanders in het publiek herkennen de hand van de meester – schokkend en zonder blad voor de mond – maar voor de (vijf) zwarten in de zaal is het even wennen, ook al zullen ze wellicht begrijpen dat De Jonge’s engagement uitdrukkelijk hun geldt. Voor de voorstelling had hij zijn opstelling tegenover de pers als volgt onder woorden gebracht: “Ik voel me totaal niet betrokken bij de blanken in Zuid-Afrika. Ik begrijp hun angsten, problemen en schuldgevoelens, maar ik voel me alleen verbonden met de zwarten. Het vervelende is alleen dat die geen boodschap aan mij hebben, omdat ik blank ben.”
Het verhaal van de vaderspin, die lang geleden in de stofzuiger is beland en daar de filosofie ontwikkelt dat zijn kinderen maar beter ook in de stofzuiger kunnen blijven (hier zijn we veilig), symboliseert wat Freek noemt “de Voortrekkersdroom” van de conservatieve blanke Zuid-Afrikaner. Zijn kindertjes proberen de stofzuiger uit te komen om te zien wat er buiten gebeurt, maar helaas, vader spin hakt ze vakkundig de pootjes af om te voorkomen dat ze proberen hun horizon te verruimen. Hij heeft het verhaal ook verteld tijdens zijn bezoek aan Soweto. Over de reacties die dat opriep – een uitgesproken merkwaardige, zeer bebrilde blanke buitenlander die met een parabel over spinnen komt aanzetten – zegt hij niet ontevreden te zijn: “Het duurde even voordat het aansloeg, maar ik geloof toch dat ze het wel leuk vonden”.’ (Rien Jans in HP/De Tijd, 20 maart 1992)

‘Vooral Freek de Jonge, die vrijwel zijn hele programma in het Engels deed, kreeg daverend applaus en juichend gelach van zijn gehoor, dat in het begin wel wat achterdochtig was. “Maar we moeten dit soort rommel wel sponsoren”, meende een dame achter mij in de rij. Haar accent kwam uit Den Haag of Wassenaar.
De zaal van het Markt-theater in Johannesburg was voor een kwart gevuld voor de eerste voorstelling van De Jonge. Veel advertenties waren er niet gezet. Er zaten vooral blanken en een handjevol zwarten op de stoelen. (…)
Af en toe schemerde in de shows van Freek de Jonge in Johannesburg en Kaapstad door dat het buitenland zich nog niet helemaal bewust is van de enorme veranderingen in Zuid-Afrika. In het Markt-theater in Johannesburg en het Dock Road-theater in Kaapstad kreeg zijn commentaar dat men in Zuid-Afrika tevredener was over de dood van zwarte baby’s dan blanke baby’s een voelbaar kille ontvangst.
Jenny Dowthwaite, critica van de Sunday Star, noemde het ironisch dat de komst van buitenlandse artiesten, die zij als een beetje stijf, maar technisch beter dan Zuid-Afrikaanse kunstenaars kwalificeerde, er juist aanleiding voor was dat rassenbewustzijn terugkwam op de planken. Ze schreef dat de Nederlandse artiesten “van ons verwachten dat we kleur-bewust zijn, maar Zuid-Afrikaanse artiesten zijn waarschijnlijk het meest rassenblind van iedereen, al meer dan tien jaar lang”.
Tijdens een show van De Jonge, schreef ze, kwam een groep kinderen wat laat binnen. “Hij zag onmiddellijk dat het kleurling-kinderen waren en maakte daar opmerkingen over tegen de blanken in het gehoor. De meesten hadden waarschijnlijk gezien dat het kinderen waren, maar waren zich niet zo bewust van hun huidskleur.”
Toch was de show van Freek de Jonge volgens de critici “het beste cabaret dat je dit jaar in Johannesburg te zien krijgt”. In Kaapstad zaten er Afrikaners voor de derde keer in vier dagen onder het publiek. En ze bleven lachen.’ (Erik van Ees in het Algemeen Dagblad, 21 maart 1992)

SPEELDATA

Half februari tot eind maart en half september tot half oktober 1992.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

Foto's