1993 – Koning Lear

Categorie:

Als de Vlaamse acteur en regisseur Frans Marijnen in de jaren tachtig werkzaam is bij onder meer het Rotterdamse RO Theater en het Groningste NNT (Noord-Nederlands Toneel), volgt hij met grote interesse de solocarrière van Freek de Jonge. Want, zo zegt hij (op 12 december 1992) tegen de Volkskrant: ‘Er zijn weinig artiesten van die allure.’ In 1983 spreken ze al eens met elkaar over de mogelijkheid een grote toneelrol aan de cabaretier toe te kennen. Pas tien jaar later komt het ervan.
In september 1992 wordt Marijnen de nieuwe artistiek en zakelijk leider van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. Als startpunt initieert hij een eigentijdse productie van Shakespeare’s King Lear, in de vertaling van Hugo Claus en met nauwelijks ingrepen in de tekst. Dit in tegenstelling tot veel andere Lears; deze duurt dan ook vier uur. Deze versie van het koningsdrama had hij – kaler, soberder – zes jaar eerder, in 1987, ook al geregisseerd bij het NTG (Nederlands Toneel Gent). En nog veel eerder, In 1979, had Marijnen Koning Lear al bij het RO Theater laten opvoeren. Met Johnny Kraaijkamp senior in de titelrol. Marijnen (in NRC-Handelsblad op 1 september 1993): ‘Ik zoek altijd de beste acteurs voor de mooiste rollen. (…) Ik denk niet in vakjes. Freek de Jonge een cabaretier? Johnny Kraaijkamp een komiek? Mogelijk. Voor mij telt alleen de kwaliteit van de spelers.’
De voorstelling die op 1 oktober 1993 in première gaat, regisseert Marijnen in een co-productie van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg met Het Nationale Toneel uit Den Haag. André van den Heuvel speelt de titelrol, Freek de Jonge is de nar.

Koning Lear is een stuk over macht, over trouw en bedrog en over loutering. Geheel naar Freek de Jonge’s thematiek staat de nar voor de onschuld. Hij heeft niets en hij hoeft dus ook niet te kiezen. Hij blijft toegewijd aan de koning en aan Cordelia, Lears lievelingsdochter, ook al heeft hij haar verstoten. De nar is opgewekt, ondanks alles. Hij is wijs, om alles. Hij houdt een spiegel voor aan het publiek, want Koning Lear blijft hoogst actueel voor wie de wereldpolitiek volgt. En natuurlijk geeft hij het inzicht terug aan de verdwaasde oude koning die hij vergezelt. Maar het is te laat. Cordelia en Lear behoren tot de weinige goeden. Zij betalen een hoge prijs voor hun naïviteit en eerlijkheid als gevolg van de machtswellust van degenen die daar misbruik van maken. Met het sterven van de koning, beroofd van zijn spiegel en zijn oogappel, beleeft het koningsdrama een zeer tragisch slot.
Het idee om de nar te laten spelen door Freek de Jonge is goed ontvangen, ook door de toneelcritici. De invulling van deze rol is lastig. In geen van Shakespeare’s stukken is de nar zo cruciaal als in Koning Lear. Zijn heldere kijk staat de hele voorstelling in contrast met de blindheid (in figuurlijke zin) van Koning Lear en (in letterlijke zin) van de Graaf van Gloucester, om wie de tweede verhaallijn van Koning Lear is opgebouwd. Omdat hedendaags theaterpubliek nauwelijks voeling heeft met de traditionele nar is het een vondst een theaterpersoonlijkheid als Freek de Jonge die rol te geven. De nar staat dicht bij de cabaretier die satirisch commentaar levert op wat er gebeurt. En hij blijft een vreemde tussen al die acteurs. Hij is ook de enige die uit het keurslijf van zijn rol kan stappen, bijvoorbeeld door al voor de dramatische openingsscène van het stuk rond te lopen, een papieren zak op te blazen en die stuk te slaan. Het zou een scène kunnen zijn uit een van zijn solovoorstellingen.
Eén avond is Koning Lear ook een solovoorstelling. Als actrice Marie-Louise Stheins door een auto-ongelukje op weg naar het Chassé Theater in Breda niet kan spelen, gaat de voorstelling die avond niet door. Freek de Jonge stelt voor het publiek dat kaartjes heeft voor de volgende avond niet af te bellen, maar ook de mogelijkheid te geven gewoon naar het theater te komen. Hij zal Koning Lear dan alleen opvoeren. Acteur Herman Frank is bereid als zijn toneelmeester te fungeren. Chassé-directeur Reg ten Zijthoff omarmt het plan en het Bredase publiek beleeft een unieke avond.

COULISSEN

‘”Als ik zeg dat ik die bal in mijn voeten wil hebben en ik krijg hem op kniehoogte – dan kan een ander niet zeggen: goh, wat nam je die bal slecht aan of waarom scoorde je niet.”
Dit is niet Frank Rijkaard over een gemiste kans tegen Engeland, maar Freek de Jonge over zijn aandeel in Koning Lear van Het Nationale Toneel. In zijn Prettig gesprek met Theo van Gogh, afgelopen weekeinde op de Amsterdamse tv-zender AT5, deed De Jonge een paar opmerkelijke uitspraken over het samenspel in deze voorstelling.
Hij was voor die rol gevraagd, had “in alle onschuld ja gezegd”, maar kon nu niet ontkennen dat het hem “zwaar” viel. Twee maanden had hij gerepeteerd, vertelde hij. “Dat vind ik heel veel, maar het zal wel ergens goed voor zijn”, dacht ie, tot “bij de tweede voorstelling blijkt dat het nergens goed voor is – er was alleen maar gerepeteerd voor de première”.
Er worden nog steeds in dezelfde volgorde met dezelfde acteurs dezelfde rollen gespeeld, maar “iedereen gaat zich bepaalde vrijheden veroorloven die het er niet beter op maken”. Hij kan zijn grappen niet meer goed timen – De Jonge kijkt op dat moment gepijnigd naar een grijnzende Van Gogh. Die vraagt schuddebuikend: “Hoe lang moet je nog met ze?” “Vijftig voorstellingen”, kreunt Freek en dan schateren ze het uit.’ (de Volkskrant, 15 oktober 1993)

‘”Ik heb vergeten in mijn contract te laten zetten dat als het me één dag, één tel niet bevalt – dan ben ik weg”, zegt Freek. Dan, diplomatiek: “Maar met de meeste mensen kan ik het fantastisch vinden, hoor.”
Wat vindt André van den Heuvel van Freeks uitspraken:
“Ik ben zeer verbaasd.” Meer zegt hij niet.
Volgens Hans Croiset, artistiek leider van Het Nationale Toneel, is Freek “dolenthousiast” over zijn toneelavontuur. (…) “Hij rukt aan zijn ketens (…) zoals alle grote acteurs doen. En hij is volstrekt loyaal. Freek is de mooiste nar die ik ooit heb gezien. Ik leer nog elke avond van hem.”
Is er na de première iets in de voorstelling veranderd?
“Het is een voorstelling van vier uur. Elke avond probeert iedereen een ander facet van zijn rol uit, het is spelen op topniveau. Elke avond uitverkocht.”
En over Freeks vergelijking met voetbal: “Het is zijn eerste ervaring in een ensemble. Freek moet anderen aanspelen – dat is zijn rol als nar”.’ (de Volkskrant, 15 oktober 1993)

‘Avond na avond moet De Jonge, na het verdwijnen van de nar halverwege het stuk, twee uur wachten om “applaus te halen”. (…) “Als Shakespeare had geweten dat ik de nar speelde, had hij hem tot het einde toe in zijn stuk geschreven”, verzuchtte hij. (…) Zijn bijdrage aan King Lear was hem aanvankelijk tegengevallen: hij had gedacht dat men hem gevraagd had om hem “het middelpunt van de voorstelling te laten zijn”. Heus? Dat men Shakespeare ondergeschikt zou maken aan Freek de Jonge? “Ja. Maar ik vind het nu logisch dat dat niet gebeurd is. Het is een fenomenaal stuk.” Hoewel hij naar eigen zeggen “heel egocentrisch” is en zijn aanvankelijke gedachte dus zelf niet zo vreemd vindt (“Shakespeare was ook niet zo’n sociaal mens”, voert hij ter verdediging aan), is hij er ten slotte achter gekomen “dat er veel voor te zeggen is Shakespeare intact te laten”. (…)
Hij speelt Lears nar morgen voor het laatst. Hij doet het prachtig – los en vrij, slaagt erin zelfs van zijn pet een personage te maken. Toch moet het een opluchting zijn, veronderstel ik, het einde van de tournee, hij heeft zich immers bij gelegenheid al beklaagd over de toneelpraktijk. Gezelschappen zouden voorstellingen uitsluitend ten behoeve van de première maken, daarna doet het er niet veel meer toe hoe ze erbij staan. Dat blijk ik niet goed begrepen te hebben.
“Schmieren kan sowieso niet met dit stuk. Dat straft zichzelf af, de karaktertekening is te exact om er een loopje mee te kunnen nemen. Maar afgezien daarvan valt de acteurs niets te verwijten. Ze werken beestachtig hard, zijn toegewijd en professioneel. We hebben in tweeëneenhalve maand 56 voorstellingen gespeeld en overdag repeteren de anderen al sinds een tijdje weer voor De Kleine Zielen, dat op Tweede Kerstdag in première gaat. Dat tempo brandt mensen op, het gaat ten koste van hun inzet, dat kan niet anders”.’ (Pieter Kottman in NRC-Handelsblad, 10 december 1993)

‘Wat me gestoord heeft, is de praktijk van ensceneren. Dat is natte-vingerwerk. Er wordt zeven weken gerepeteerd, onder leiding van iemand die langzaamaan zijn ideeën doordrukt en dat moet het dan zijn. Maar naar mijn mening begint het op dat moment pas. Veel van het drama is nu weggestopt in plaats van naar boven gehaald. Shakespeare zelf sprokkelde zijn stukken van bestaande verhalen bij elkaar, liet ze eerst spelen en schreef ze dan pas op. Zo is mijn boek De Komiek ook ontstaan. Dat is door 25.000 mensen geredigeerd. Tachtig procent van de impact van toneel blijkt nu eenmaal pas als er publiek bij is. Daar gaat men aan voorbij, de try-outs worden in die zin helemaal niet benut. Veel beter zou zijn als men na twee weken gewoon gaat spelen en de voorstelling onder leiding van het publiek laat groeien. (…)
Ik ben geneigd te reageren op wat er op het moment zelf gebeurt. Ik moet bijvoorbeeld een zak opblazen en laten knallen en kon vanavond de opening niet van elkaar krijgen. Ik heb me echt moeten vermannen, want dat is een aanleiding om af te dwalen. En dat is wat ik beoefen: de kunst van het afdwalen. Ik had tegen het publiek willen zeggen: kom na afloop even naar de overkant, naar het Nieuwe De la Mar Theater, dan laat ik alsnog zien hoe ik van zo’n moment zeker een half uur theater weet te maken. De neiging het hier-en-nu uit te buiten is acteurs vreemd, hun concentratie is totaal anders dan de mijne. Ze letten op elkaar, zijn dienstbaar aan het stuk en aan de regie en negeren onverwachte incidenten van nature.
Zij hebben hun talent nooit mogen ontwikkelen. Want dat heeft iedereen, ten minste volgens mijn definitie. Talent is de rust die je kunt opbrengen in onvoorziene situaties. Weten: er kan nooit iets misgaan. Want juist wat er misgaat is drama en daar komt het publiek voor. Ja, misschien had ik ook de show wel willen stelen. Maar ik ben nu blij dat dat niet gebeurd is. En ik ben blij dat het afgelopen is, want een tuchtiging op zijn tijd is goed, maar er zijn grenzen aan. Ik heb geleerd wat samenwerken op toneel is en hoewel ik het liefst nooit meer onder een regisseur zou willen werken, zou ik nu graag een keer de titelrol spelen in een grote tragedie. Dat zal er wel niet van komen.’(Freek de Jonge in een interview met Pieter Kottman in NRC-Handelsblad, 10 december 1993)

‘De “belangrijkste les” van zijn eerste toneelervaring is dat “met een tekst van een ander ook wat te doen valt”, sterker nog, “Shakespeare is op zichzelf een alibi om het toneel op te stappen.” Dat heeft De Jonge als weldadig ervaren, “het zoeken van een alibi” valt hem met de jaren zwaarder. “De vraag naar mijn motieven stel ik mijzelf steeds indringender en ik vind steeds minder antwoorden. Sta ik op het toneel om de wereld te verbeteren, te amuseren, te kwellen of te kwetsen? Om te exploiteren wat ik zo leuk schijn te doen? Het publiek geeft aan dat het me graag ziet, maar ik vind dat steeds onbevredigender. Cynisme is geen briljante motivatie, maar ik vrees dat dat toch een grote rol speelt. (…) Zo langzamerhand weet ik dat de kracht van wat ik doe ligt in het entertainment – amusement en op zijn best heel erg amusant, maar burgerlijk en gevaarloos. Dat is verslavend en tegelijkertijd ongelooflijk hinderlijk. Ik ben de enige die er beter van word en mijn publiek, om het zo te noemen, wordt op zijn wenken bediend. En dat pulkt toch al de lekkerste dingen uit de samenleving. Die groep kun je niets meer vertellen. Ze kennen alleen maar luxe problemen, ja net als ikzelf. Het is zelfs zover gekomen dat ik de indruk heb dat er geen andere problemen bestaan. Mensen die niet te eten hebben, hebben al die sores van ons althans niet. Die willen alleen maar eten. Dat besef bemoeilijkt mijn stellingname in het theater: waar moet ik het in godsnaam nog over hebben?”.’ (Pieter Kottman in NRC-Handelsblad, 10 december 1993)

KRITIEKEN

‘In de toneelliteratuur bestaat er niets wat vergelijkbaar is met de vriendschap tussen Koning Lear en de Nar. Een koning als Lear zonder Nar is zoals licht zonder schaduw. De Nar toont Lear de waarheid over zichzelf. Hij praat in feestelijke raadselen, buitelende paradoxen; hij jongleert met obsceniteiten, waarheden die onwaarheden worden en omgekeerd. Een sofist en retoricus tegelijkertijd. Hij is als het koor in een Grieks drama, maar dan eindeloos liefdevoller, gevoeliger. Althans, zo speelt Freek de Jonge de Nar. (…)
Freek de Jonge is een solist met een onwaarschijnlijk besef van theatrale middelen. Elk rekwisiet in zijn handen, van prop papier tot pet, wordt van goud. Hoe kan zo’n acteur in een ensemble optreden? Is hij als een tijdbom? Laat hij zich wel regisseren? (…)
Bij toneel is het altijd de vraag: wie regisseert nu wie? En hoe of een voorstelling tot stand komt. Is de regisseur bijvoorbeeld aangever en de acteur slechts invuller? Een repetitie als deze zou ik elke toneelliefhebber willen geven. Want hoezeer Freek de Jonge een plaats heeft in het ensemble, het is nadrukkelijk opvallend dat hij zich bij elke handeling een zaal voorstelt ter grootte van Carré en dat geen enkel van zijn gebaren klein is, terwijl de andere spelers juist vanuit het minimale hun rol opbouwen. De Jonge is cabaretier, kind, clown, komiek, tragicus, vrolijke Frans, duivel en engel in een en dezelfde persoon. Sterker nog: al die personen strijden voortdurend in hem. Dat is de sleutel tot zijn acteren. De Jonge weet dat het geheim van het theater het bereik is, en vooral het onverwachte heeft effect. Zo keek ik ademloos naar de manier waarop hij met jufferachtige nauwgezetheid het tafellaken gladstreek, om vervolgens met een snoekduik over datzelfde strakke kleed naar zijn Koning Lear te schuiven. Hier buit iemand de theatrale mogelijkheden van alles wat hij in zijn omgeving aantreft, van tafelkleed tot mede-acteur, ten volle uit.
De Nar is de mooiste, onheilspellendste en ook de wreedste rol in deze Lear. Zo zag ik dat Josée Ruiter als Goneril op de pet van de Nar ging zitten, waarna Freek de Jonge met begerige ogen om haar heen ging dwalen. Josée Ruiter behield haar superieure kalmte. Pas nadat ze was opgestaan, kon Freek de Jonge zijn narrekap grijpen. Hij rook eraan, sloeg hem vervolgens tegen zijn kruis, keek de niet-bestaande zaal in. Daar zat een handjevol mensen. Het was er stil. Maar dat leek De Jonge niet te deren. Hij zocht naar een mogelijkheid de rol van de Nar in al zijn platvloersheid te typeren en om zijn functie in het stuk te verduidelijken.
Niemand weet nog hoe over een maand deze voorstelling zal zijn. Elke dag wordt er gerepeteerd tot de voorstelling “staat”, van het kleinste detail tot de grote lijn. De koning zal langzaam vervallen tot waanzin, waarbij de Nar hem keer op keer de waarheid voorhoudt: “Ja, als je niet kunt laveren zoals de wind waait, word je gauw verkouden. Hier, neem mijn muts”.’
(Kester Freriks in NRC-Handelsblad, 1 september 1993)

‘…De tweede reden waarom de voorstelling niet geweldig is, ligt in Marijnens acteursregie. Of liever: in de afwezigheid ervan. Spelers lijken aan hun lot overgelaten. De hertog van Gloucester (Hans Croiset) zwalkt hulpeloos door de voorstelling. Zijn mislukte zelfmoordpoging (een van de meest briljante scènes uit de toneelgeschiedenis) verdampt hier als ether op een schaaltje. De alom geroemde ingreep om Freek de Jonge voor de rol van Lears nar te vragen, werkt niet. De Jonge is een Fremdkörper in dit rammelende toneelensemble. In de eerste helft van Koning Lear scharniert de handeling op de pogingen van de nar om de hardhorende vorst via bittere humor tot de orde te roepen. Daarvan blijft in deze voorstelling nauwelijks iets over. Het duo Koning Lear/bitter fool valt uit elkaar ver voordat Shakespeare dat heeft voorgeschreven, vooral door de afwezigheid van effectief samenspel tussen Van den Heuvel en De Jonge. Het Nederlandse toneel wordt vaak verweten zich in cabaret te verliezen. In deze voorstelling wordt helder gedemonstreerd dat er tussen de techniek van cabaret en toneel een diepe kloof van enkele lichtjaren gaapt.’ (Loek Zonneveld in De Groene Amsterdammer, 13 oktober 1993)

‘…Freek de Jonge speelt de nar als een bittere dwaas die de waarheid zegt en in dat opzicht valt deze rol samen met die van de cabaretier. Even dreigt hij aan de haal te gaan met zijn eigen vertaling vol briljante woordspelingen. Maar het evenwicht herstelt zich en de nar wordt met al zijn scherpte onderdeel van het tableau.’ (Marian Buijs in de Volkskrant, 4 oktober 1993)

‘Komrij zou in zijn vertaling Shakespeare willen overtreffen, daarom koos Het Nationale Toneel voor de King Lear-versie van Hugo Claus. Dit oordeel laat ik voor wat het is, maar wat ik me wel afvraag is waarom men de prachtige zinnen van Lears nar in godsnaam heeft laten “vertalen” door vertolker Freek de Jonge. Op zich is het casten van onze nationale nar een keuze van durf en belang. Maar de vrije bewerking die De Jonge van Shakespeare’s verzen mocht leveren, bestaat slechts uit een aantal slappe one-liners die nauwelijks nog wat te maken hebben met de woorden van de grote dichter. Hoe zo tekstgetrouwheid? Hoe zo: niet willen overtreffen? Wat beoogt Het Nationele Toneel? Volle zalen zal men bedoelen: met een naam die daar borg voor zou moeten staan.’ (Ad de Visser in het Brabants Dagblad, 5 oktober 1993)

‘De hoogtepunten van deze lang niet evenwichtige enscenering van een misschien wel te lang stuk (King Lear wordt zelden integraal gespeeld) zijn echter de scènes tussen Lear en zijn nar, gespeeld door Freek de Jonge. Al die jaren one-man-shows doen De Jonge met kop en schouders boven de acteurs van Het Nationale Toneel uitsteken. Het is niet anders. Hij heeft zijn eigen clausen vertaald, lees ik in het programmaboekje; hij maakt ook zijn eigen rol, zie ik op toneel. Hij is geen acteur, hij reproduceert niet, hij is een schepper, hij is een weergaloos acteur. De Jonge is zo los, zo vrij, zo perfect van timing, dat hij als het ware zelfs van zijn pet een personage weet te maken. Zijn duikvlucht op de tafel richting hoofdeinde, waar zijn koning zetelt, is niet alleen een fysieke prestatie, ze getuigt ook van het opperste inzicht in de nervositeit van een profeet, die vanonder zijn zotskap de monumentale gevaren doorziet – maar zijn plaats kent. Het is de grote en niet mis te verstane verdienste van Van den Heuvel dat hij dit superieure spel alle ruimte laat. Zijn latere teloorgang is genuanceerd en geloofwaardig, maar zijn onverstoorbaarheid naast De Jonge maakt dat de koning, ondanks alles, zijn nar evenaart.’ (Pieter Kottman in NRC-Handelsblad, 4 oktober 1993)

SPEELDATA

1 oktober t/m 11 december 1993.

TEKST

William Shakespeare, in een vertaling van Hugo Claus.

SPEL

Het Nationale Toneel. Met een gastrol voor Freek de Jonge (nar) en hoofdrollen van Peter Blok (Gloucesters zoon Edgar), Hans Croiset (Hertog van Gloucester), André van den Heuvel (Koning Lear), Bien de Moor (Lears dochter en oogappel Cordelia), Marie-Louise Stheins (Lears dochter Regan), Josée Ruiter (Lears dochter Goneril) en Peter Tuinman (Gloucesters bastaardzoon Edmund). Bijrollen zijn er voor onder anderen Bart André, Hans Ligtvoet en Hilt de Vos.

REGIE

Frans Marijnen.

VORMGEVING

Santiago del Corral (decor), Andrew A. Gardner (licht), Mechtild Schwienhorst (kostuums).

PUBLICATIES

Programmaboekje Het Nationale Toneel (1993).

Tekstboek: Hugo Claus: Koning Lear (1993).

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

Foto's