1993 – Opa’s Wijsvinger

Categorie:

In de zomer van 1993 speelt Freek de Jonge op zomertheaterfestival De Parade. Hij is de grote publiekstrekker. Vier keer per avond vertelt hij in een propvol tentje in een half uur tijd de parabel Opa’s Wijsvinger. Opa is predikant. Die verliest bij het plaatsen van een mollenklem zijn wijsvinger. Hij ziet het als wraak van God op de dienaar die onvoldoende op Hem vertrouwt en zich dus groter waant dan God. Hoogmoed komt voor de val. Vanaf dat moment kan hij alleen nog maar met gebalde vuist naar de hemel wijzen. De drie vingerkootjes bewaart opa in een Hofnar-sigarenkistje. Na zijn dood moeten ze met zijn lichaam ter aarde worden besteld. Ze gaan over van opa op vader en van vader op zoon. De laatste is de verteller van het verhaal, dat ook nog een moraal heeft: ‘Wat is een komiek? Een dominee zonder wijsvinger!’
Ook in de roman staan hoogmoed en de val centraal. Opa’s Wijsvinger beschrijft de opkomst en ondergang van een satirisch goochelduo. Dat duo heet Opa’s Wijsvinger. Het brengt anarchistisch goochelwerk, maatschappij-kritische liederen en conferences. Het bestaat uit pianist-componist Johannes Huls en komiek-illusionist-schrijver-conferencier Arthur Roest. De eerste is de begeleider; de tweede is de man om wie alles draait: een arrogante betweter. Het duo heeft groot succes. Maar ook zij denken groter dan God te zijn. En dus komt de val en ze gaan uit elkaar. Als het verhaal begint, is het vijftien jaar later.
Eerst is er nog een proloog, die op zichzelf staat, maar alle motieven bevat die de roman verder uitwerkt. Die proloog handelt over de val (soms zelfs letterlijk), over wat je toevalt door het toeval, over wat je lot is. In de Tweede Wereldoorlog komt de ene man onbedoeld terecht op het onderduikadres van de andere man. Hij krijgt ook diens naam en dat leidt er uiteindelijk toe dat hij wordt opgepakt en in het concentratiekamp terechtkomt. De speling van het lot. ‘Waarom hebben ze, zoals bij mij, dan je naam niet veranderd?’, vraagt de gelukkige als ze elkaar, toevallig dus, in een overvolle trein ontmoeten. De ander antwoordt: ‘Mijn vader, die dominee was, zei altijd: “Als Kaïn Abel geheten zou hebben, dan zou Abel Kaïn hebben vermoord”.’ Ook in die trein wisselen ze van plaats. Als de trein plotseling moet remmen, krijgt de ongelukkige een zware koffer op zich en breekt zijn nek. En er gebeurt nog meer toevalligs rond het gegeven wat het betekent als de een de plaats van de ander inneemt. ‘De woorden “toeval” en “lot” en clichés als “voor hetzelfde geld” en “zo is het leven” klonken boven alles uit.’
Die proloog vormt dus de inleiding op een roman rond de pijnlijke herinneringen aan dat komische duo: twee mannen met een gecompliceerde band, maar wel tot elkaar veroordeeld. Johannes Huls is na het uiteenvallen van het duo afgezakt tot barpianist. Soms wordt hij nog herkend, maar dan toch vooral als de muzikale begeleider van de superieure Roest.
Ongeïnspireerd slijt Huls zijn riedeltjes in een verlopen restaurant. Hij woont bij een hospita, maar heeft last van haar verslaafde zoon. Daarom vlucht hij elke ochtend naar het buurtcafé, waar tweederangs kunstenaars elkaar ontmoeten. En op zijn kamer zit hij tussen opgestapelde oude kranten. Kranten vol nieuws over de maatschappelijke thema’s waarover zij zich op het podium zo hebben opgewonden uit idealisme, terwijl de generatie van nu maar één probleem heeft: luxe. Nog twee verklaringen voor de boektitel Opa’s Wijsvinger: ook Huls is zo’n man die vindt dat het in zijn tijd beter was en de schrijver zelf is oud en wijs geworden. Opa vertelt en wijst met zijn vinger – nou ja, gebalde vuist.
Huls verneemt dat Roest is opgenomen in een psychiatrische inrichting waar het stikt van de verknipte wereldverbeteraars. Hij begint aan het beschrijven van hun gezamenlijke carrière. Als hij het eerste deel af heeft, gaat hij naar de inrichting en hoopt dat Roest die memoires wil ruilen tegen de drie vingerkootjes van de opa van Huls. Het verhaal van die grootvader met die mollenklem was de succesconference van het duo. Er kwam wrevel, want het stond Huls niet aan dat Roest deed of het zijn eigen opa was om wie het verhaal draait. Roest heeft die kootjes van Huls te leen gekregen, omdat hij er iets mee wilde doen in een goocheltruc. En Huls kreeg ze niet terug.
Uiteindelijk zullen ze elkaar niet ontmoeten, ook al komt het heel dichtbij. Huls zakt nog verder af, gaat zwerven en amputeert uiteindelijk zelfs zijn eigen wijsvinger en brengt de kootjes ervan naar zijn grootvaders graf. Zodoende lost hij alsnog de wens van zijn grootvader in.
In de proloog ging het over de grote gevolgen die het kan hebben als de een de plaats inneemt van de ander. In werkelijkheid werd het probleem van Neerlands Hoop dat Bram Vermeulen tornde aan zijn rol van begeleider, niet alleen door zijn ambitie om behalve de muziek ook teksten te gaan schrijven, maar zeker ook door zich in het openbaar conferences van Freek de Jonge toe te eigenen. Hoogmoed die leidde tot de val.
Opa’s Wijsvinger is zeker een sleutelroman te noemen en in Huls herkennen we Bram Vermeulen en in Roest Freek de Jonge. Maar voor een literaire roman is dat niet voldoende. Daarom versleutelt Freek de Jonge de sleutelroman en laat Huls ook model staan voor zichzelf en beide personages vallen uiteindelijk zelfs samen. Met als een van de kernzinnen: ‘Er is maar weinig voor nodig om een ander te zijn, maar of je zo je lot kunt ontlopen, valt te betwijfelen.’

COULISSEN

Opa’s Wijsvinger draagt hij op aan Toon Hermans, die hij zijn Godfather noemt.

‘Vooraan in Opa’s Wijsvinger staat een citaat van Alan Bloom: “Uiteindelijk begint het erop te lijken dat volledige vrijheid alleen mogelijk is zonder kennis van goed en kwaad”.
“Ik heb het vaak over onschuld en het verliezen ervan. En ik denk dat de onschuldige mens niet op de hoogte is van goed en kwaad. Of hij denkt op een naïeve manier over moraliteit, in de zin van: te langen leste zal het goede wel overwinnen. In die zin is alleen de onschuldige vrij. Wie die onschuld is kwijtgeraakt, voelt een sterk heimwee naar die vroegere vrijheid. Maar hij kan ze niet meer bereiken, want het conflict tussen goed en kwaad – de moraliteit – ligt in de weg. Meestal wordt het zaakje opgelost door het goede opzij te zetten en het kwaad te laten triomferen. Zo bewerkstelligt de drang naar vrijheid eigenlijk het tegenovergestelde van waar hij op uit is. De heer, de meester, de baas, de hoofdredacteur, kan dan wel vrij zijn, maar dan zullen zijn ondergeschikten daarvoor moeten boeten. En omgekeerd: zijn de onderdanen vrij, dan is het de heer die boet.”
Het ligt in de genen van de mens dat hij zijn vrijheid, zijn geluk altijd moet veroveren ten koste van anderen. Je pakt wat je krijgen kunt.
“Het ligt in de genen, ja. Maar het ligt ook in het beperkte denkvermogen van de mens. In het Taoïsme speelt vrijheid nauwelijks een rol. Daar streeft men naar gelijkmoedigheid: je hoeft helemaal niks na te streven, geen vrijheid, geen geluk, geen rijkdom. Dat zijn allemaal termen die door iemand aan een schrijftafel bedacht zijn. Het zijn intellectuele termen, die wij mateloos overschatten. Ik bedoel: we zijn een bepaalde weg ingeslagen, maar we hadden duizend andere wegen kunnen inslaan. Maar eenmaal voor één weg gekozen, is er geen weg terug”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

Opa’s Wijsvinger’ kun je lezen als een versluierde biografie van je dagen bij Neerlands Hoop. Je schrijft: “Nog nooit heeft hij met iemand over de jaren van het duo kunnen spreken uit angst dat hij rancuneus zou klinken in de oren van wie hem verkeerd wilden verstaan. Hij had die periode toegedekt in de hoop dat de herinneringen zouden verstikken.” Maar die herinneringen zijn niet verstikt, anders zou je er niet over schrijven.
“Dat lijkt mij een goedkope psychologische interpretatie. Ik loop niet gebukt onder die periode, er zit niets onverwerkts achter. Het is absoluut voorbij. Ik loop niet de hele tijd gekweld rond, zo van: ik moet dit van mij af schrijven. Ik heb nooit vanuit rancune of bitsheid gewerkt, ook niet op het toneel. ’t Is een pure manifestatie van wat ik uit het leven oppik. (…)”
En toch: Opa’s Wijsvinger is één lange ontmaskering.
“Noem het: zelfrelativering. Ik leg mezelf niet op de pijnbank. Ik bedoel: de mensen hebben al die tijd een idee rondom mij opgebouwd en ik laat gewoon zien dat die idee aan alle kanten twijfelachtig is. Het leeft allemaal in het hoofd van de anderen, niet in het mijne”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

‘In je boek heb je het over: je steunt een project voor een schooltje in Ecuador, en als je ter plekke gaat kijken, blijkt met het geld een arena voor stierenvechten te zijn gebouwd.
(…) “Het is ons idee over goedheid en het is hun idee over goed besteed geld. In onze Bloed aan de Paal-tijd zetten wij hier in Nederland en België heel hoog in, maar onze Argentijnse medestrijders bekeken dat zaakje veel opportunistischer. Dat heeft mij toen ongelooflijk teleurgesteld.”
(Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

Freek de Jonge: ‘Zo langzamerhand weet ik dat de kracht van wat ik doe, ligt in het entertainment – amusant en op zijn best heel erg amusant, maar burgerlijk en gevaarloos. Dat is verslavend en tegelijkertijd ongelooflijk hinderlijk. Ik ben de enige die er beter van word en mijn publiek, om het maar zo te noemen, wordt op zijn wenken bediend. En dat pulkt toch al de lekkerste dingen uit de samenleving. Die groep kun je niets meer vertellen. Ze kennen alleen maar luxeproblemen, ja, net als ikzelf. Het is zelfs zover gekomen dat ik de indruk heb dat er geen andere problemen bestaan. Mensen die niet te eten hebben, hebben al die sores van ons althans niet. Die willen alleen maar eten. Dat besef bemoeilijkt mijn stellingname in het theater: waar moet ik het in godsnaam nog over hebben? (…)
Neerlands Hoop was een religie, we hadden een grote, meeslepende invloed op massa’s mensen. Die culmineerde in de Argentinië-actie – dat er geen voetbal gespeeld moest worden in een land dat zijn eigen burgers om zeep helpt, was bovendien van zichzelf al vanzelfsprekend. We hadden dus gelijk. Maar we kregen het niet. Dat is een keerpunt voor me geweest. We bereikten de toppen van ons succes toen ik zesentwintig was. Dat is een schrikbarende ervaring, carrière-technisch heb je geen enkel perspectief meer: wat moet je verder nog? Welnu, na die actie heb ik een antwoord opgedrongen gekregen. Ik was er rijp voor me bij de Baader-Meinhofgroep aan te melden. Ja, zonder meer. Geweld zag ik nog als enige oplossing, maar omdat ik – waarom weet ik niet – aan die conclusie geen consequenties heb verbonden, heb ik impliciet gekozen voor het cynisme. En voor gezeur. Vaststellen dat het oude Cuba niks was, maar dat het nieuwe Cuba ook niks is. Alles dus op zijn beloop laten, met behoud van gewetensnood. Niemand schiet daar wat mee op.’ (Interview met Pieter Kottmann voor NRC-Handelsblad, 10 december 1993)

In een interview voor het AVRO-programma Opium staat Freek de Jonge op 15 oktober 1993 uitvoerig stil bij het schrijfproces. Hij vertelt dat het onderwerp van de roman Opa’s Wijsvinger al lang op zijn weg lag. Maar hij heeft erover gezwegen ‘totdat Bram eindelijk zijn mond hield’. En hij heeft het verhaal lang bij zich gehouden om er met de goede afstand naar te kunnen kijken. Als hij er dan aan gaat werken en de band tussen Bram en hem ontleedt, blijft er van die band niet veel over, zo vertelt hij. Hij heeft dan al besloten het boek vanuit Bram te beschrijven en niet vanuit zichzelf. Want anders zouden nieuwe beschuldigingen van ijdelheid voor het oprapen liggen. En hij is zich er bij het schrijven steeds van bewust dat het vooral cabaretpubliek zal zijn dat zijn boek koopt. Hij tempert daarmee zijn eigen verwachtingen. Met zijn boek Neerlands Bloed heeft hij de literatuur immers niet aan zich weten te binden. Dat vindt hij jammer, zo zegt hij, want tegen romanciers kijkt hij op. Dit omdat zij, in tegenstelling tot theatermakers, geen concessies aan behaagzucht doen. Nou ja, de goede, oprechte schrijvers dan. Die stellen zich niet aan. Zo zitten ze niet in talkshows, want ze weten dat hun persoon niets toevoegt aan wat ze geschreven hebben. Voor hem ligt dat anders: hij zal altijd de cabaretier zijn, of hij nou in het theater staat of een boek schrijft of presenteert.

Van de andere kant, zo vertelt hij in datzelfde radio-interview, voelt hij zich wel de schrijver onder de cabaretiers. Wel wat anders dan Kees van Kooten en Youp van ’t Hek. Hij wil zich met zijn boeken afzetten tegen die twee ‘verstrooiers’ met hun ‘geschenkenreeks’-bundeltjes. Als er van zijn boeken zoveel verkocht zouden worden als van hen, zou hij zenuwachtig worden en denken dat hij niet diep genoeg gegaan is. Hij wil alleen maar op zoek zijn naar goede verstaanders. Zoals Neerlands Hoop dat ook was: dat je met elkaar de illusie had dat je samenzweerde tegen die verschrikkelijke maatschappij. Het gaat dus om de elite en niet om de massa, want die zal je verpletteren en vernietigen.

Freek de Jonge: ‘Ik vind wat daar aan proza uitkomt schandalig voor de pretenties die ze hebben. Met zijn leven en zijn maatschappijkritiek toont Youp veel pretenties. Dat geldt ook voor Kees. Youp heeft een programma gemaakt dat Alles of Nooit heette. En dan brengt hij dit soort boekjes op de markt? Dat is Niets en Nimmer. Als je de mensen aanvalt op hun plooirokken en hun ruiten broeken en je gooit alleen maar plooibroeken en ruiten rokken in de winkel, heb je geen recht van spreken meer. Ik wil hoger reiken.
Kijk, mijn publiek bestaat uit zo’n honderdvijftigduizend mensen. Van Neerlands Bloed zijn achtentwintigduizend exemplaren verkocht. Een groot deel van mijn publiek vindt het dus te zware kost. Daar moet ik blij om zijn. Die boekjes van Kees en Youp zitten in de geschenkenreeks. Het zijn cadeautjes. Zoals je iemand een asbak of een bloemetje geeft, geef je een boekje van Youp. Het wordt ook helemaal niet gelezen. Volgens mij wordt het niet eens uitgepakt; het circuleert in die kringen.’ (Interview in het radioprogramma Opium, 15 oktober 1993)

‘Ik citeer even uit Opa’s Wijsvinger: “We doken direct na de voorstelling, als gebruikelijk in die tijd, met een aantrekkelijke jongedame de stad in.” Er gebeurde blijkbaar wat in die Neerlands Hoop-dagen. Iets wat later heeft bijgedragen tot de breuk met Bram. Ik vermoed dat jij ’m wel eens de les spelde over zijn amoureuze escapades. (…) Je stond daar hypocriet met het vingertje omhoog.
“Absoluut. En dan rest tenslotte niets anders dan: weggaan. (…) Zolang ik net zo wellustig ben als jij of hypocriet of wat dan ook, kunnen we prima met elkaar opschieten. Zodra dat evenwicht verstoord is, klapt de boel in mekaar. Je kunt dat moralistisch noemen, maar het is gewoon een kwestie van: ’t is niet meer te delen”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

‘Je schrijft: “Opa’s Wijsvinger, dat was toch alleen maar Roest.” Vrij vertaald: Neerlands Hoop, dat was toch alleen maar Freek. En zo wás het ook. Maar ’t klinkt wel hard.
“’t Was inderdaad zo. Dat is weer die wreedheid die in het boek z’n hoogtepunt bereikt als de man in de spots zijn begeleider totaal op zijn plaats zet. In werkelijkheid is zoiets nooit met Neerlands Hoop gebeurd, maar ’t was wel latent aanwezig, die behoefte”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

KRITIEKEN

‘De proloog maakt al duidelijk dat De Jonge niet zomaar een autobiografisch verhaal heeft willen vertellen, maar langs de weg van de roman iets ongedefinieerds, iets ingewikkelds heeft beoogd. Wat dat is, is ter interpretatie aan de lezer. Laat ik voorop stellen dat De Jonge voldoende verbale kwaliteiten heeft om zo’n verhaal niet saai te maken. Bovendien heeft hij van Opa’s Wijsvinger (…) op onnavolgbare wijze een reeks schakels gemaakt die ten slotte ook een soort “ontknoping” mogelijk maakt. Ingewikkeld genoeg dus en ook wel inventief.’
(Willem Kuipers in de Volkskrant, 19 november 1993)

‘Het is alsof de auteur een literaire verdwijntruc heeft willen uitvoeren. Alsof hij de autobiografische kern van de roman – de geschiedenis van het legendarische Neerlands Hoop – heeft willen laten verdwijnen in een moeras van bijverhaaltjes.
Dat heeft de roman geen goed gedaan. Te veel ruimte wordt nu in beslag genomen door de omzwervingen van Huls en diens pogingen om het verleden en de confrontatie met Roest uit de weg te gaan. (…) Pas naarmate de confrontatie dichterbij komt en Huls’ herinneringen aan “die periode” dwingender worden, ontstaat er iets van een lading. Dan krijg je een intrigerend beeld van de (psychologische) geschiedenis van de ondergang van Huls en Roest, Bram en Freek. In het gepaste bredere kader. Uiteindelijk kan de lezer De Jonge, een van die twee ontgoochelde goochelaars, dus in de ogen kijken.’ (Gertjan van Schoonhoven in NRC-Handelsblad, 19 november 1993)

PUBLICATIES

Opa’s Wijsvinger (1993).

Heruitgave (1995 en 1998).

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

Foto's