1996 – Het Luik

Categorie: ,

In een interview in Trouw, gepubliceerd drie dagen voor de rechtstreekse uitzending van Het Luik, vertelt Freek de Jonge opnieuw niet zoveel met politiek te hebben:
‘Dat vind ik ook overbodig. Columnisten vullen hun krantenrubrieken ermee, Van Kooten & De Bie hebben het er wekelijks over, evenals Jack Spijkerman, wat je ook van dat laatste programma mag vinden. Bovendien: politiek is nooit mijn sterkste punt geweest. En als ik, zoals vanavond, zo’n grap maak over dat commissariaat van Bolkestein, pikt niemand dat op. Dat is alweer te lang geleden. Leve de vluchtigheid. Ik kon niet nalaten er even aan toe te voegen: “Geeft niks, dames en heren, u mist niks; de enige die iets mist, ben ik zelf. Bij u!” Trouwens, ik heb nooit gehouden van een cabaretvorm die zulke statements stapelt. Aan veel en goede grappen ontbreekt het nooit bij mij en ook deze keer dus niet. Maar ik houd ervan die in te passen in allerlei verhalen en anekdotes en op die manier verschillende lagen aan te brengen, zoals in een roman.’

De verhaallijn die Het Luik domineert, is die rond de steen des aanstoots. De inloopmuziek is Everybody must get stoned van Bob Dylan. En in de aanvangsscène ontneemt de cabaretier een steen zijn zwaartekracht en stuurt die met zijn hand langzaam de lucht in. Tegen het einde van de voorstelling vertelt hij een parabel.
Nomaden ontdekken bij de monding van drie rivieren een reusachtige steen. Ze besluiten zich te vestigen bij de steen, waarmee hun stenen tijdperk begint. Nu zij niet meer zwerven, krijgen ze te maken met uren waarin niets gebeurt. Die vullen ze met ruziën en roddelen, maar ze voelen toch vooral de ledigheid. En dus zoeken ze houvast bij de steen. Die moet immers ooit uit de lucht zijn komen vallen. De steen is dus het symbool van het machtigste natuurverschijnsel: de zwaartekracht. In de steen, zo geloven ze, huist de ziel van de God van de Zwaartekracht. Om die te dienen, bedenken ze rituelen. Door letterlijk van alles op te werpen eren ze de zwaartekracht, want alles valt. Totdat tijdens een van die rituelen rook ontstaat. En die kringelt juist omhoog. Waar rook is, komt ook vuur, ontdekken ze door kleine stenen tegen elkaar te laten vonken. Het opsnuiven van de rook van gedroogd gras, gaan ze beschouwen als het bedwelmen van kwade geesten. Stoned voelen zij zich licht in het hoofd, maar ook in het lijf, dat lijkt los te komen van de zwaartekracht. Vanaf dat moment noemen ze zich ‘vuursteners’. Dan zien ze iemand die daadwerkelijk geen last heeft van de zwaartekracht, want hij loopt over het water. Die man wil hen verlichten en vertelt dat wie zonder zonden is, de eerste steen mag gooien. De steen die hier ligt, is de eerste steen. En hij? Hij is de zoon van de werper! Zij geloven hem niet en stenigen hem.
Maar al snel komen er anderen, niet met woorden, maar daden. Ze verdrijven de vuursteners en wie het overleeft, wordt verhandeld als slaaf. In de jaren daarop hakken de veroveraars de steen tot gruis, omdat ze geen oog hebben voor de betekenis van de steen, maar voor de edelmetalen, fossiele brandstoffen en andere te exploiteren kostbaarheden. Als van de steen niets meer rest dan stof, vertrekken ze weer. De vuursteners waren verslaafden en kunnen nu weer terugkeren naar hun eigen land, maar… ze kunnen het niet meer vinden, ze zijn hun oriëntatie kwijt…

Ook de mens anno 1996 is zijn oorsprong kwijt. ‘Nederland is één grote Efteling’, stelt Freek de Jonge. Mensen hebben geen rituelen meer. Ze vervelen zich te pletter en weten zich geen raad met hun vrije tijd. Ook hier zijn mensen slaaf geworden van de zinloosheid. Hij demonstreert welke invloed verdovende middelen op hemzelf hebben en refereert aan Amerikaans wetenschappelijk onderzoek naar het gedrag van spinnen. Onder invloed blijft er niets over van hun ingenieuze webben. Dus waar leidt het toe? Verslaafden zeulen met winkelwagentjes en slapen in de kartonnen dozen van de spullen waarmee de welvarenden hun winkelwagentjes vullen. En als je talent hebt, laat je je land in de steek. Wie succes heeft, gaat in België wonen, in Italië voetballen of in Azië werken. De enigen die hier blijven zijn de allochtonen, want die hebben in het buitenland niks meer te zoeken.

Het Luik staat bol van voorbeelden van de ledigheid, van het gebrek aan oriëntatie, van de verslaving die daarmee dreigt, zoals bij plegers van zedenmisdrijven als dan in België, in de buurt van Luik, waar in augustus 1996 Marc Dutroux wordt gearresteerd. Hij blijkt schuldig aan ontvoering, verkrachting en moord op een aantal jonge meisjes. Het Luik staat daarmee niet alleen voor de plaats waar hij dichtbij woont en waar hij zijn slachtoffers ontvoert, maar ook letterlijk voor de scheiding tussen de woonruimte van Dutroux en de kelder waar hij zijn slachtoffers vasthoudt.

Het Luik herbergt een stortvloed aan grappen over opvallende gebeurtenissen uit het nieuws van 1996; belangrijke, zoals bovengenoemde zedenzaak, maar ook veel minder ernstige, zoals rond de van plagiaat beschuldigde psycholoog René Diekstra, het snelle (na enkele maanden) faillissement van de commerciële voetbalzender Sport 7, de uitbraak van de gekkekoeienziekte en de genetische manipulatie van muizen, welk verhaal uitmondt in de conference Bekende Nederlander, die ook deel uitmaakte van de nieuwjaarsconference De Brand.
Naast alle voorbeelden rond de gedesoriënteerde samenleving heeft Freek de Jonge nog een tweede, al net zo sombere verhaallijn gespannen. Daarin maakt hij duidelijk dat de parabel van de steen gezien mag worden als Lang Verhaal. Maar hoe heet de oudejaarsconference? Is zij ook een Lang Verhaal? Of is zij Leuke Anekdote, Flauwe Mop, Modern Sprookje, Scherpe Column, Paarse Troonrede of Oud Liedje? Freek de Jonge’s conclusie: het is het oude liedje. Hiermee stelt hij zijn eigen onmacht centraal. Hij voelt zich een roepende in de woestijn (‘De ene helft regeert in dit land en de andere helft reageert. Maar ageren doet niemand meer’). In zijn slotverhaal, waarin hij zelf wordt gearresteerd omdat ook hij wordt aangezien voor een verslaafde (aan pedofilie), verzucht hij dat het nog altijd beter is onschuldig in een cel te zitten dan schuldig vrij rond te lopen. Niet voor niets bestaat zijn decor uit een grote doos om in te wonen en een luik om uiteindelijk in te verdwijnen. Dan klinken tenslotte nog de laatste strofen uit het lange gedicht Monddood. Met de eerste ervan is hij zijn voorstelling begonnen:

eens nam ik het op voor de vertrapten ook sprong ik voor zwakken in de bres
ik zong van een verloren oorlog en schrik niet ik kreeg succes
toen nam ik het milieu erbij en protesteerde zeer
ik walgde van succes maar verhip ik kreeg nog meer
ik riep het is een schande het publiek gaf mij gelijk
het maakte me monddood zo want het maakte mij zo rijk

nu ben ik monddood mensen monddood ben ik als een slaaf
ja ik ben monddood mensen monddood ingepakt en braaf
ik ben volkomen ongevaarlijk voor een groot publiek
en prima te pruimen als achtergrondmuziek

COULISSEN

Deze keer veel speelbeurten in Vlaanderen, waaronder een week in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg van Brussel.

In Brussel zou hij eigenlijk drie weken spelen en Het Luik zou op 31 december rechtstreeks vanuit de Koninklijke Vlaamse Schouwburg worden uitgezonden door zowel de VPRO als de BRT. Het idee voor deze Vlaamse-Nederlandse samenwerking ontstond toen Freek de Jonge in december 1995 in Brussel optrad met materiaal dat uitmondde in de nieuwjaarsvoorstelling De Brand, van 1 januari 1996.
Het gaat uiteindelijk toch niet door, omdat er binnen de BRT verschuivingen plaatsvinden en andere omroepbonzen liever met de Vlaamse cabaretier Geert Hoste in zee gaan. Er wordt nog voorgesteld Het Luik uit te zenden op de commerciële zender VTM, maar Freek de Jonge trekt het plan terug. De drie weken Brussel worden teruggebracht tot één week, waarna nog een week Schouwburg De Meerse in Hoofddorp volgt en tenslotte een week Theater Bellevue in Amsterdam. Daar houdt hij, op 27 oktober, de allereerste voorleesvoorstelling en daar sluit hij de reeks ook af met de rechtstreekse uitzending voor televisie.

Door het aanvankelijke plan speelt België, dat dat jaar bovendien opvallend in het nieuws was, een grote rol in de voorstelling.

In De Brand stond hij al uitvoerig stil bij het consumptiegedrag van het publiek en de invloed van de televisie. In Het Luik zegt hij letterlijk: ‘De mensen willen alleen nog maar de Efteling.’
Freek de Jonge (in een interview in Trouw, 28 december 1996): ‘Een paar dagen geleden zat er in Alphen aan de Rijn een jongen (…). Die hoorde ik zeggen: “Ik kan mijn poten hier niet eens kwijt.” Op dat moment vloeit werkelijk alle energie uit me weg. Dan denk ik: moet ik me dit na zoveel jaren laten welgevallen? (…) Op zo’n moment voel ik een diepe minachtig voor dat soort publiek. (…)
Je bemerkt elke keer weer verschuivingen in de manier waarop het publiek kijkt. In Vlaanderen ben ik meestal prettig verrast door de wijze waarop de mensen kijken en luisteren. (…) De Vlamingen vormen toch een fijner besnaard publiek. In Nederland is men al te besmet geraakt door de televisie. Mijn generatie zag hoe men het toestel binnendroeg, maar wij hadden gelukkig nog andere, interessantere afleidingen. Deze generatie is opgevoed met de vluchtigheid en oppervlakkigheid van dat medium.
Ook ik ben via de televisie tot hen gekomen en niet via het theater. Dat is een wezenlijk en goed waarneembaar verschil. In Nederland heb ik trouwens toch al het gevoel dat mensen gek tegen me aankijken, of beter gezegd: wéér gek tegen me aankijken. Ik zag vanavond veel jonge mensen. Die komen in twééde instantie naar mij toe.
Ze beginnen bij Youp van ’t Hek en komen dan bij mij. Vroeger was dat andersom. Toen was ik het grote voorbeeld, de maatstaf. Nu krijg je dat ze op een heel andere manier naar mij kijken. Het is gespiegeld aan zoals hij het doet. Dat is toch raar. Ze komen kijken of Freek wel net zo leuk is als Youp. En het valt hen niet eens altijd mee. In elk geval moeten ze hun frequentie daarop afstemmen. Een aantal jaren geleden was ik daar nauwelijks mee bezig; de mensen zaten er en het was goed. Maar plotseling zaten mijn zalen niet meer automatisch vol. Dan merk je dat je een deel van je trouwe publiek bent kwijtgeraakt. Eigen schuld, dikke bult?
Ik deed niet aan een gedegen carrièreplanning, kneep er soms jaren tussenuit en zei zelfs niet meer terug te keren. Ik wil die vrijheid hebben en houden. Maar “ongrijpbaar” maakt ook “onbegrepen”. Mijn fans werden verliefd op andere cabaretiers en vonden dat het tussen ons over en uit was. Af en toe, zoals toen ik in maart in Carré optrad ter gelegenheid van het Boekenbal, komen zij opeens terug en verzuchten dan: ik wist niet dat het nog zo klikte tussen ons. Nou, dat betekent dat we elkaar echt uit het oog verloren waren.’

KRITIEKEN

‘Zijn zesde oudejaarsavondconference was dit en daarmee stevent Freek de Jonge al aardig af op de tien die Wim Kan tussen 1954 en 1982 heeft gemaakt. Maar het effect is totaal anders. Wim Kan was de gemoedelijke oom die het hele volk om zich heen verzamelde en een beetje plagend terugkeek op het oude jaar, in de loop der jaren hoe langer hoe meer leunend op de reputatie die hij had opgebouwd. Freek de Jonge lijkt daarentegen voortdurend met zijn reputatie in gevecht te verkeren; hij speelt (…) in zijn eigen schaduw en hij is naar eigen zeggen “volkomen ongevaarlijk voor een breed publiek” geworden. De ene keer geeft hij die ongevaarlijke lach meer ruimte dan de andere, maar altijd heeft het iets ongemakkelijks: een komiek te zien die zichzelf “monddood” vindt, in de kennelijke veronderstelling dat een komiek eigenlijk gevaarlijk moet zijn en tot taak heeft het volk tot betere gedachten te brengen.
Ook dinsdagavond. In een mooi decor vol verrassingen (want Freek de Jonge is nog steeds de visueelste van alle cabaretiers) zette hij stevig in, en ook daarna bevatte zijn optreden nog heel wat bezienswaardige stroomversnellingen met gehaaide grappen en rake tirades. Maar een echte oudejaarsavondconference, die de losse gebeurtenissen van het afgelopen jaar in één satirisch kader plaatst, wilde het maar niet worden. (…)
De Jonge is steeds bij uitstek de man geweest van de voorstellingen die zichzelf in de staart beten en zodoende een eenheid vormden. Hij is de uitvinder van dat genre – de rode draad – en hij heeft er ook de allermooiste voorbeelden van gegeven. Maar in Het Luik kwam hij niet verder dan het nogal gezochte verhaal over een arrestatie in een Belgisch bos wegens vermeende pedofilie, dat als kop en staart fungeerde. (…)
Het probleem van Freek de Jonge – dat hij zich “ingepakt en braaf” vindt – is alleen zijn probleem. Niemand anders heeft er last van. Ik in elk geval niet; ik laat me graag door hem aan het lachen maken en ik ben ook van harte bereid zijn parabels en cirkelredeneringen te volgen. Meestal loont dat namelijk volop de moeite. Als weinig andere cabaretiers is hij immers in staat symboliek en verbale slapstick te combineren tot iets wat méér te zeggen heeft dan het zegt. Maar nu had ik vaak het gevoel dat hij stond te spelen met een loden last op zijn schouders die hij daar zelf op heeft gedeponeerd.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 2 januari 1997)

‘De conferences van Freek de Jonge zijn altijd hoogzwanger. Als geen ander kan De Jonge verhaallijnen met elkaar verknopen om uiteindelijk toch met een helder slotakkoord te komen. De Jonge is echter De Jonge niet meer; zijn linkse idealen, zijn geloof in een andere, betere samenleving, zijn bedolven onder het puin van de Berlijnse Muur. Freek de Jonge gaat steeds meer lijken op een gedeprimeerde komediant, die er maar niet in slaagt zijn wrok jegens de hedendaagse scoringsdrift en consumptiezucht weg te schminken. (…) De Jonge gelooft niet meer in grote verhalen met grote gedachten. (…) De woordkunstenaar heeft zich namelijk overgegeven. Aan het publiek. Maar de roem die dit offer bracht, maakt hem allesbehalve tevreden. De Jonge is een nihilist geworden. De vraag “hoe kan ik gelukkig worden?” is ingeruild voor “kan ik de werkelijkheid nog van een kleur voorzien?”.’ (Ronald Ockhuysen in de Volkskrant, 2 januari 1997)

SPEELDATA

27 oktober t/m 31 december 1996.
Rechtstreekse uitzending op oudejaarsavond vanuit de grote zaal van Theater Bellevue door de VPRO-televisie.

MUZIEK

Robert Jan Stips.

VIDEOREGIE

Jop Pannekoek.

PUBLICATIES

Tekst

De volledige tekst van de epiloog Monddood, waarvan in de voorstelling alleen de eerste coupletten worden gedeclameerd, staat afgedrukt in Iets rijmt op niets (uitgebreide heruitgave 1997) en in Wees niet bang. Mijn 101 mooiste liedjes (2007).
Volgens de bronvermelding is de tekst ook op muziek gezet en wel door Robert Jan Stips.
Ik moest een koe gaan slachten zong Freek de Jonge in augustus 1996 al in Langzame Liedjes, maar in Iets rijmt op niets (1997) staat als bron deze oudejaarsconference vermeld.

Geluid

2CD met De Brand, de nieuwjaarsconference voor de VPRO-radio van 1 januari 1996.
Het karton om de cd meldt Het Luik en daaronder als (gedrukte) sticker Inclusief bonus-cd ‘De Brand’. Het Luik en De Brand staan elk op een cd (1997).

Beeld

VHS-uitgave Het Luik. Op de voorkant is een sticker geplakt met de tekst Inclusief bonusvideo ‘De Brand’ (1996).
De achterkant van de videodoos meldt bovenaan Een heel jaar in beeld en vervolgens alle gegevens van beide voorstellingen. Beide programma’s staan op dezelfde videoband.

DVD (met De Brand uit 1996) als de derde dvd van zes dvd’s in cassette onder de titel Oudejaarsconferences 1982-2001 (2001).

Foto's