2004 – De Vergrijzing

Categorie: ,

Op 30 augustus 2004 wordt Freek de Jonge zestig jaar. Een dag later start hij met het meest ambitieuze theaterproject uit zijn carrière: De Vergrijzing. Vijftien producties in vijftien weken: een heuse speelfilm als slotaflevering en daarvóór veertien zeer uiteenlopende theaterprogramma’s – van cabaret tot concert tot toneel, van grap tot anekdote tot verhaal, van amuseren tot bekritiseren tot beschouwen, van improviseren tot declameren tot visualiseren, van meestal in zijn eentje tot één keer met een tegenspeler en tot vaker met een band. Vijf dagen per week spelen in een vast theater: het Amsterdamse Compagnietheater. Op dinsdag voorlezen en improviseren. Op woensdag en donderdag er spelend vorm aan proberen te geven. Op vrijdag een ‘definitieve’ vorm kiezen met het oog op de televisieopname van zaterdag. Op zondag overdag de opname monteren tot de uitzending van ’s avonds, want de VPRO-televisie zendt de hele serie vijftien weken achtereen op zondagavond uit. Dan op maandag concentreren op de voorstelling van dinsdag et cetera!

De Vergrijzing staat voor het ijkpunt van zestig jaar oud worden. Daarnaast leeft de ambitie om De Grens, uit 1999, te overtreffen. Dat project bestond uit tien shows in twaalf maanden. Freek de Jonge speelt zelfs nog even met het plan om de lat nóg hoger te leggen: een aaneengesloten periode elke avond iets anders spelen. Het wordt uiteindelijk één programma per week, ook al omdat hij beseft dat het leveren van een grootse artistieke prestatie moet prevaleren boven de recordambitie van de hoogspringer die nóg hoger wil reiken.
Na De Vergrijzing is er ook even niet meer de behoefte records te vestigen. Het is genoeg zo, al denkt hij daar een half jaar later al weer anders over als de VPRO-televisie hem tien weken achtereen een klein half uur zendtijd aanbiedt en hij Freek Kortgehouden kan maken.
Spijt heeft hij niet van deze uitputtingsslag. Hij is het dan ook niet eens met het verwijt dat hij beter meer tijd in minder had kunnen steken, waardoor hij meer uit zijn materiaal had kunnen halen. Door op deze manier te werken en steeds andere invalshoeken te kiezen, kan hij ‘ijken’, kan hij laten zien wat hij in huis heeft. En op de vraag waarom hij zo veel wil doen, is het antwoord simpel: voor sommigen is een mensenleven een lange zit, maar hij vindt het heel erg kort. Als je de energie hebt om hard te werken, moet je het doen.
Hierbij moet zeker worden opgemerkt dat hij ook het geluk heeft met Hella de Jonge te kunnen werken, die voor de hele serie de organisatie, productie en vormgeving op zich neemt.

Aanvankelijk heeft Freek de Jonge het plan op maandagochtend de krant open te slaan en daar onderwerpen uit te selecteren. Op dinsdagavond, met publiek erbij, begin je daarmee dan op nul en uiteindelijk kom je, op zaterdag, tot een resultaat dat je opneemt, monteert en op zondag uitzendt. Maar al snel wordt hem duidelijk dat hij zich dan te veel laat leiden door wat maximaal haalbaar is met de beschikbare onderwerpen. Daarom kiest hij als voorbereiding vijftien thema’s die hij steeds anders wil benaderen. Die keuze zal hij tijdens de speelperiode overigens sterk laten beïnvloeden door enkele gebeurtenissen met veel impact, zoals de plotselinge dood van Bram Vermeulen op zaterdag 4 september 2004, nota bene op de ochtend van de televisie-opname van de eerste aflevering. En twee maanden later, op dinsdag 2 november, de moord op Theo van Gogh. Dat gebeurt op de ochtend van de eerste uitvoering van het tiende programma.

Deze marathon sterkt zijn keuze geen grote shows meer te maken, al kiest hij in 2011 toch weer anders. Hij ervaart elke week dat de dinsdagavonden het mooist zijn. Dan komt het beste door wat hij wil overbrengen. Door de reactie van het publiek verandert de voorstelling in de speeldagen daarna te veel in de richting waarvoor hij juist niet wil kiezen. Freek de Jonge: ‘Een kunstenaar in de klassieke betekenis van het woord neemt de uiterste consequentie van zijn ambitie. Ik ga zover als het publiek met me mee kan en wil. Het is de paradox van de uiterste artistieke prestatie leveren versus het publiek willen behagen. Ik zit er tussenin.’
Bij het terugzien van oudere soloprogramma’s valt hem opnieuw op dat die in een te laat stadium zijn geregistreerd. Freek de Jonge: ‘Het leven is eruit als je iets vaak speelt. De ontwikkeling is veel interessanter dan het eindresultaat, zowel voor mezelf als voor het publiek.’ Het nadeel van elk programma maar zo kort spelen, is dat het gaarkoken plaats maakt voor de snelkookpan. Daardoor heeft hij vaak het onbehaaglijke gevoel dat er meer in zit, maar dat hem de tijd ontbreekt dat een paar voorstellingen te laten stabiliseren. Freek de Jonge: ‘Nu zat ik soms op vrijdag aan de top, maar was het op zaterdag, tijdens de opname, toch dertig procent minder. Nou ja, dat is dan een pijnlijk gevolg van de opzet.’

Al tijdens de persconferentie, op 13 mei, stelt hij dat hij met deze serie meer theater en minder cabaret wil maken. In zijn ogen heeft het Nederlandse cabaret zich ontwikkeld tot een gemakkelijk soort amusement, waarbij de artiest beantwoordt aan het verwachtingspatroon van zijn lachgrage publiek. Zo schrijft hij in het persbericht dat hij walgt van de heersende ‘leukheidscultus’ in Nederland en dat hij weg wil bij ‘dat vreselijke cabaret met die domme lach’. ‘Dit land,’ zo stelt hij, ‘is het meest bevreesd voor diepgang, daarom leg ik de lat bewust hoog.’
Ook de televisie heeft zich ontwikkeld naar de massa toe. Zelfs de publieke omroep hangt erg tegen de commercie aan. Door niet te kiezen voor de lach richt Freek de Jonge zich elke zondagavond tot zo’n vijfhonderdduizend mensen die, net als hij, geen behoefte hebben aan dat gemakkelijke succes van de zaptelevisie.
In een interview met Merijn Henfling, voor Het Parool op 31 december 2004, zegt hij: ‘Het programma stond haaks op de ontwikkelingen in televisieland, waar uitzendingen onbenullig moeten zijn en nooit langer dan drie minuten de aandacht hoeven te trekken. We hebben veel reacties gekregen van mensen die blij waren dat zoiets op televisie nog bestond. Er is een beperkte groep die nog bereid is zich een uur lang te concentreren. Als ik naar de kijkcijfers kijk, zijn er daar in Nederland ongeveer vier- tot vijfhonderdduizend van. De wereld zou er mooier uitzien als die alleen uit deze mensen zou bestaan.’
Door zijn toeschouwers en de televisiekijkers geen hapklare brokken aan te bieden, heeft hij een deel van hen van zich vervreemd. Zijn publiek is dus kleiner geworden, maar ook beter. Hij betreurt de ontwikkeling dat mensen geen inspanning meer willen leveren, want als ze dat wel zouden doen, vonden ze een veel grotere voldoening dan wanneer ze zich op hun wenken laten bedienen. Zijn instelling is dat iets wat net even te moeilijk is, leuker is om te veroveren dan iets wat je even in je achterzak steekt. Freek de Jonge, in datzelfde interview: ‘Die instelling verwacht ik ook van andere mensen. Dat is een evolutionaire gedachte: zo zijn wij mensen met hersenen geworden. Als we met zijn allen snel naar een betere wereld willen, moeten we met heel veel mensen heel goed nadenken. De ontwikkeling is echter dat er steeds minder mensen steeds beter gaan nadenken, waardoor de massa nog meer afhaakt. Ik begrijp het wel: mensen werken hard en we leven in een samenleving die heel veel van je vraagt. Als je dan ’s avonds thuis bent, wil je niet nog een keer moeten nadenken, maar alles lekker voorgekauwd doorslikken. Dat is een decadente ontwikkeling die niet bijdraagt aan de evolutie. De evolutie vraagt om wakkere survivers die de hele tijd bezig zijn zichzelf te verbeteren en te zoeken naar een uitweg…’
De titel De Vergrijzing slaat dan ook niet alleen op zijn vergrijzende leeftijd en op het kleurloze Nederlandse cabaret, maar ook op de maatschappelijke ontwikkelingen, waar men de nuance meer en meer verliest, waar individuele krachten het afleggen tegen de middelmatigheid van de massa.

Tot de betere kijkers die fan zijn gebleven, behoort ook een select groepje toeschouwers dat speciaal elke dinsdag naar het Compagnietheater komt om die eerste stappen bij te wonen. Die mensen zien vervolgens op zondag op televisie wat het uiteindelijke resultaat is en op de dinsdag daarop delen ze na afloop graag met de cabaretier wat ze ervan vonden. Die liefhebbers maken dus ook de zo bijzondere aflevering mee die start op de avond van de moord op Theo van Gogh. Die begint door die tragische gebeurtenis precies zoals Freek de Jonge aanvankelijk voor de hele serie voor ogen stond: naar aanleiding van wat er gebeurt, schrijf je teksten en begin je te spelen.
Bij aanvang laat hij die avond weten dat hij hun alleen zijn betrokkenheid bij zo’n gebeurtenis kan bieden. Hij leest voor wat hem overdag is ingevallen en hij discussieert daarna met de aanwezigen. Het geld van hun toegangskaartje mogen ze die avond houden.

COULISSEN

‘Ik ben tot vijftien dingen gekomen, die ik in mijn hoofd verder heb uitgewerkt. Zie het als een simultaanschaker: je hebt vijftien partijen in je hoofd en doet met grote regelmaat een zet. Er komen monologen, waarvoor ik veel heb uitgeschreven. Maar ik ga bijvoorbeeld ook een masterclass doen met amateurtoneelspelers uit Amsterdam (…) en een musicalachtig geheel maken met Daniël Lohues en Cok van Vuuren.’ (NCRV-gids, 4 september 2004)

Sommige van die plannen worden niet gerealiseerd, veelal omdat ze moeten wijken voor andere goede ideeën. Ook enkele running gags houden het niet de hele serie vol. De grappigste is ongetwijfeld die van de verteller die zijn erecties bijhoudt in een schriftje. Dat doet hij als puber (aflevering 2), maar ook nog als student (aflevering 3). En zelfs als dementerende man (aflevering 6) verwijst hij er opnieuw naar.

‘Hoe zag uw schema er de afgelopen maanden uit?
“Ik werkte zeven dagen per week vijftien tot zestien uur per dag. Aanvankelijk probeerde ik alle tekst uit mijn hoofd te leren, maar daar ben ik na drie weken mee opgehouden. Ik kon gelukkig af en toe terugvallen op de autocue. Soms kon ik ’s nachts helemaal niet slapen, omdat ik zo hyper was of omdat ik piekerde over hoe het verder moest.
Na de montage op zondag was het tijd voor de volgende show die op dinsdag begon. Van maandag tot dinsdagavond zat ik dingen bij te schrijven. Meestal had ik de helft al op papier staan en moest ik nog zo’n twintig pagina’s bijschrijven.”
Kan het nog gekker?
“Misschien moeten we gewoon een keer vier weken elke dag een andere show doen.”
Hella (vanuit de woonkamer): “In je eentje, hè”.’
(Interview met Merijn Henfling in Het Parool, 31 december 2004)

‘Bent u tevreden met het eindresultaat?
“Als ik het vergelijk met vijftien partijen blind simultaandammen, heb ik er tien gewonnen, vier remise gespeeld en één verloren. De aflevering over de happy few in het Gooi had beter gekund. De oudejaarsconference – het kan omdat ik die verkeerde garnaal had gegeten – vond ik uiteindelijk mislukt. De eerste twee shows had ik graag aan het eind nog een keer overgedaan, maar ja: je moet ook een keer beginnen.
In die eerste weken ging Bram dood, moesten we hem begraven. Er zijn allerlei redenen aan te voeren waarom het anders is gegaan. In alle bescheidenheid zeg ik ook over mezelf dat het tamelijk briljant was”.’ (Interview met Merijn Henfling in Het Parool, 31 december 2004)

Ziet u zichzelf nog als cabaretier?
“Je zou van de hele serie kunnen zeggen dat die kunst is. Er zaten cabaret-elementen in, maar ook toneel en beeldende kunst. Hella en ik hebben geprobeerd totaaltheater te maken. Op het moment dat je zoiets als cabaretier onderneemt, wordt het net iets minder serieus genomen. Ik heb wel de indruk dat ik met deze vijftien shows tot in het detail genuanceerd heb gebracht waar ik voor sta. Dat is het hele spectrum van platte humor tot bittere ernst, met daar tussenin alles. Ik denk dat ik mijn punt gezet heb”.’ (Interview met Merijn Henfling in Het Parool, 31 december 2004)

In 2004 wordt Freek de Jonge dus zestig jaar, maar dat jaar is er nóg een jubileum te vieren: Hella werkt vanaf Freeks breuk met Bram Vermeulen, in 1979, mee aan alle programma’s. Al 25 jaar dus. Vanaf De Komiek is zij verantwoordelijk voor de kostuums en het decor en sinds 1986 ook voor het licht. De betekenis van haar werk blijkt overtuigend in alle afleveringen van De Vergrijzing. Patrick van den Hanenberg is in de Volkskrant (van 23 december 2004) zeer kritisch over haar mans wisselvallige prestaties in deze serie, maar over haar schrijft hij: ‘De enige die de hele serie hoog niveau heeft bereikt, is Hella de Jonge. Elke aflevering heeft zij wonderschoon, kunstzinnig en stemmingsvol aangekleed.’
Haar grote aandeel in de theatershows van Freek de Jonge komt niet alleen tot uiting in de vormgeving van alle afleveringen van De Vergrijzing, maar ook in een speciale tentoonstelling rond hun gezamenlijke theaterwerk, getiteld Hella (25 jaar) voor Freek. En op de 3dvd-box De Vergrijzing staat een aantal extra items, waaronder ook een interview met Hella de Jonge, in maart 2005 afgenomen door Matthijs van Nieuwkerk.
In dat interview gaat ze onder meer in op hun samenwerking voor dit project. Ze vertelt dat ze hem voor gek verklaarde toen hij met het plan voor De Vergrijzing kwam. Maar omdat er in hun samenwerking, zowel privé als artistiek, sprake is van symbiose, probeert ze hem er niet voor te behoeden. Wel stelt ze zichzelf de vraag of zij eraan wil meewerken, ongeacht wat haar besluit voor zijn keuze betekent. De Grens is al heftig geweest en nu stapt hij in iets nog groters. Toch zegt ze ja.
In maart, dus een half jaar voor de eerste aflevering, zijn ze eraan begonnen. Hella is degene die vanaf het eerste moment de productie op zich neemt, zodat hij aan zijn materiaal kan werken. Als de een 24 uur per dag geconcentreerd, verlicht is, zo zegt ze, moet de ander de voeten op de grond houden. Zij bekommert zich om afspraken met de speelplek, met mensen die gevraagd worden mee te werken et cetera.
Als teksten klaar zijn, leest hij ze voor. Zij luistert en laat ze bezinken. Hella de Jonge, in dat interview met Matthijs van Nieuwkerk: ‘Ik doe mijn ogen dicht en dan komt er iets binnen. Dat klinkt magisch en ongrijpbaar. ik zie die beelden. Dat is een wonderlijke gave waarvoor ik mijn moeder dankbaar ben. Mijn oom Gerard Croiset was een beroemd paragnost. (…) Ook ik kan intunen op wat ik wil zien. Als ik tekst krijg en het idee hoor, ga ik intunen en het komt binnen. Geen eindeloos tekenen aan de tekentafel. Veel gemakkelijker. Ben ook technisch: heb beelden gemaakt en keramiek. Maar dan moet je het dus nog kunnen uitleggen en de juiste mensen hebben om het uit te voeren. Wij hebben Peter de Bruin. Hij is medeverantwoordelijk voor de uitvoering van het werk en voelt wat ik wil.’
Ook staat ze in het interview stil bij het belang van de vormgeving. Zo stelt ze dat zijn teksten zonder decor te dwingend overkomen. Als het publiek het idee krijgt dat hij zijn materiaal door hun strot duwt, wordt de voorstelling onverteerbaar. Bij Neerlands Hoop had Bram honderd procent de functie daarvoor te waken. Freek onderschatte dat dat essentieel was. Alléén is het niet leuk, dat redt hij niet. De functie van Bram was dat Freek zich honderd procent aan de tekst kon wijden.
Dus toen Freek in 1979 solo ging, wist Hella dat dat alleen zou kunnen als er iets in de plaats van Bram zou komen. Een visuele situatie die rust biedt. Zij beschouwt het als haar taak de schoonheid en rust te brengen die hem in staat stellen zijn woorden in zijn lijf te stoppen en aan zijn publiek te geven. Als het te manifest, te dwingend, te driftig wordt, raken de kijker en de luisteraar onnodig vermoeid. Hella de Jonge: ‘Ik hou veel van hem, ik gun hem niet…. Hij heeft mooie dingen gemaakt. Ik ken alles “kaal”, maar ik zie ook wat mensen aankunnen. Ik doe het licht, zit in de zaal, ik let op, maar ik heb alle voelsprieten uit. Ik observeer, ik let op reacties… Ik vertel hem ook wel wat er gebeurt in de zaal en wat mijn bijdrage zou kunnen zijn. Ik geef zijn materiaal plek, zodat plaats, tijd, handeling bij elkaar komen.’
Tenslotte betrekt ze daar zijn grenzeloze ambitie bij. Ze vertelt dat hij op zijn 58ste voor het eerst op de fiets de Alpe d’Huez beklimt. Meteen daarna stelt hij zich ten doel het weer te doen om zijn eindtijd te verbeteren. Nog fanatieker trainen. Zij wil dingen verfraaien, hij tijden. Zij denkt wel eens: dat altijd harder en harder… Neem die Alpe d’Huez. Misschien zoekt hij wel het gevaar op er vanaf te sodemieteren. Die drift, die ambitie, bepaalt, naast zijn talent en discipline, een groot deel van zijn succes.

De expositie Hella (25 jaar) voor Freek. Tentoonstelling over het theaterwerk van Freek en Hella de Jonge is van 25 augustus 2004 tot 9 januari 2005 te zien in het Theatermuseum van Theaterinstituut Nederland te Amsterdam. Uit het persbericht:
De kostuum-, decor- en lichtontwerpen van Hella zorgen al 25 jaar dat de programma’s van Freek nog meer betekenis en lading krijgen. In deze tentoonstelling wordt de bijzondere samenwerking tussen beiden inzichtelijk gemaakt. Het verhaal wordt verteld aan de hand van unieke materialen, zoals kostuums, rekwisieten, foto’s, tekeningen, affiches en beeld- en geluidsfragmenten. (…)
De wijze van samenwerking, de wederzijdse beïnvloeding en de ontwikkeling van beide kunstenaars vormen de basis voor de tentoonstelling. (…) De vormgeving is in handen van Hella de Jonge en Peter de Bruin, al vele jaren als vormgever en stagemanager werkzaam voor Freek en Hella.
Nadat Freek haar had gevraagd de aankleding voor zijn eerste soloshow (De Komiek, 1980) te verzorgen, groeide de bemoeienis van Hella al snel. Naast het ontwerpen en maken van kostuums ging ze ook (…) het toneelbeeld van de verschillende producties (…) bepalen. In 1983 trad ze voor het eerst wat meer op de voorgrond door de cabaretier in het slotnummer van De Mythe op viool te begeleiden. En vanaf ‘Het Damestasje’ (1986) verzorgde Hella tevens het lichtplan en bediende ze het licht tijdens de voorstellingen. De vrouw die al muze, klankbord, organisator, violist, kostuum- en decorontwerper was, werd door Freek vanaf dit moment ook liefkozend ‘mijn licht’ genoemd.
(Tentoonstellingstekst, augustus 2004)

‘Freek wilde graag dat ik hem bij iedere voorstelling zou vergezellen, maar ik had geen zin om avond aan avond werkloos toe te zitten kijken, dus ik verzon een taak. Ik maakte me de lichttechniek eigen en vanaf dat moment was ik ook actief als belichter.’ (Interview Hilde Scholten met Hella de Jonge voor TIN-magazine, augustus 2004)
Freek en Hella de Jonge beschouwden hun samenwerking van meet af aan als een organisch proces waarin de wederzijdse beïnvloeding centraal stond. De ene keer leidde inhoud tot vorm en de andere keer bepaalde vorm de inhoud. (…) Het gewone bijzonder maken (…) werd een belangrijk kenmerk in het toneelbeeld van Hella de Jonge. Zoals een verhaal bij Freek net een andere wending neemt, zo geeft Hella ook graag een twist aan de dingen. Een poezenmand is bij haar nooit zomaar een poezenmand, een gieter wordt sterk vergroot en een sjoelbak is zo gemanipuleerd dat de stenen niet glijden, maar gelanceerd worden.
(Tentoonstellingstekst, augustus 2004)

‘De hele avond alleen maar naar die malle man kijken had je als publiek niet gered. (…) Ik ben ervan uitgegaan dat je blij bent als je af en toe ook naar iets moois kunt kijken.’ (Hella de Jonge, geïnterviewd door Henk van Gelder voor NRC-Handelsblad, 19 augustus 2004)

Hoe groot het effect van het toneelbeeld ook is, in de voorstellingen van Freek de Jonge krijgt het visuele aspect nooit het alleenrecht. Hoofdzaak is niet dat decors en rekwisieten een mooi plaatje opleveren, maar dat ze functioneel zijn en de inhoud ondersteunen. Daarbij lijkt het een sport om decorstukken, rekwisieten en kostuums in eenzelfde programma te hergebruiken en ze daardoor een andere betekenis mee te geven. Door het intensieve gebruik van de Chinese kast in ‘De Tol’ werd bijvoorbeeld eerst een orgel gesuggereerd, was het een fractie later een dankbaar attribuut voor de goochelende Freek, vormden de losse delen samen vervolgens een aantal trappen en school er uiteindelijk een drum in.
(Tentoonstellingstekst, augustus 2004)

‘Tien jaar geleden zei u in een interview dat u het een bekroning zou vinden om met uw werk in het museum te staan.
“Ja, ik bedoelde een expositie van mijn beelden in bijvoorbeeld het Stedelijk Museum. (…) Uiteindelijk sta ik nu in het Thea­termuseum met mijn kostuums. Ook prima. (…) Ik ben heel blij met die beelden. Freek vraagt me wel eens wat er zonder hem van mij geworden was. Ik denk dat ik het wel gered had. Misschien was ik dan wel een grotere beeldhouwer geworden. Toch kan ik me niets beters voorstellen dan dit. Het klinkt misschien tuttig, maar ik ben echt heel gelukkig dat het zo is gelopen. Tien jaar geleden wilde ik per se met mijn beelden in een museum. Nu denk ik: kom ik er niet, ook prima. Het Thea­termuseum is prachtig”.’ (Interview Merijn Henfling met Hella de Jonge voor Het Parool, 14 augustus 2004)

Zowel Freek als Hella de Jonge werken het liefst op de vloer zelf. (…) Hella is zo visueel ingesteld dat ze, zonder eerst uitgebreid te schetsen, in haar atelier maakt wat ze in haar hoofd heeft. In de loop der jaren is Hella op het toneel de kunst van het weglaten steeds meer gaan toepassen en kreeg Freek de behoefte zich wat bescheidener en strakker te kleden. Daarmee verviel de noodzaak dat Hella alle kostuums zelf maakt. Toch drukt ze ook op de gekochte maatpakken altijd een eigen accent door er versieringen op aan te brengen. Freek blijft immers haar ‘levende object’.
(Tentoonstellingstekst, augustus 2004)

‘Intussen hebben ook andere theatermakers haar voor hun vormgeving gevraagd, maar dat is tot dusver niet gelukt. “Het tempo van Freek ligt zo hoog dat ik daar geen tijd voor zou hebben. (…) Bij ieder ander zou je mijn taak misschien als regisseur omschrijven”.’ (Hella de Jonge, geïnterviewd door Henk van Gelder voor NRC-Handelsblad, 19 augustus 2004)

Freek de Jonge stelde ooit dat vanaf het moment dat zijn vrouw hem in het theater bijstaat, hij is opgehouden met optreden. Door Hella aan zijn zijde ervaart Freek zijn shows niet langer als werk, maar als iets huiselijks, waardoor het publiek als het ware op bezoek komt. (Tentoonstellingstekst, augustus 2004)
‘De titel van de tentoonstelling – Hella voor Freek – kan op meerdere manieren worden uitgelegd: Hella die nu eens vóór Freek in de belangstelling staat, maar ook: Hella heeft het allemaal voor Freek gemaakt. De bonte kleuren springen direct in het oog. De prachtigste stoffen buitelen over elkaar heen. Van dichterbij bekeken, blijken de kostuums getooid met bijzondere en vaak ingenieuze details. Zelf wijt ze het aan haar achtergrond als edelsmid; die zijn immers gewend te werken op de vierkante millimeter. Voor het theater, met veel grotere afstanden, is dat misschien niet noodzakelijk, maar het tekent haar werk: oog voor detail. (…)
Nu de nadruk ligt op het werk dat Hella de Jonge heeft gemaakt voor haar man Freek, zie je eens te meer hoe belangrijk de vormgeving is en altijd is geweest in zijn voorstellingen. Hella de Jonge zou weleens de eerste geweest kunnen zijn die van een cabaretvoorstelling theater wist te maken door zoveel nadruk te leggen op de vorm. Een nadruk die heel goed aansluit bij de onnavolgbare vorm waarin Freek de Jonge zijn verhaal vertelt.’ (Rinske Wels in Trouw, 26 augustus 2004)

‘Mede door haar kostuums en toneelbeelden werd De Jonge verreweg de visueelste artiest in het cabaretgenre, dat doorgaans weinig visueels te bieden heeft. Hij draagt fantasievolle kostuums (…) en werkt vaak met spectaculaire effecten. Al in De Komiek kwamen er honderden pingpongballetjes uit de nok naar beneden. Grote vormgevers uit de theatergeschiedenis stonden haar niet voor ogen, zegt ze. “Nee, het komt echt uit mezelf. Wat me altijd wel heel erg heeft geïnteresseerd, waren clowns. Fellini-achtige effecten. Ik denk vanuit de clown en Freek is voor mij de clown”.’ (Hella de Jonge, geïnterviewd door Henk van Gelder voor NRC-Handelsblad, 19 augustus 2004)

‘Hella de Jonge is volgens Hans Croiset een gezegend mens. “Welke vrouw kan haar echtgenoot als paspop gebruiken en in tientallen uitdrukkingen het land in sturen?”, sprak de acteur bij de opening van Hella voor Freek. (…) “Welke vrouw kan van haar man honderd verschillende mannen maken? Geen wonder dat ze het zo lang met hem uithoudt”.’ (Merlijn Henfling in Het Parool, 25 augustus 2004)

Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag verschijnen in 2004 en 2005 het 4cd-luisterboek Ik ben niet helemaal goed, gek eigenlijk (waarop de 2cd’s Zelfmoord voor de radio, uit 1991, en Draagmoeders, uit1992, zijn samengebracht) en het 2cd-luisterboek Als je me nu nog niet kent, door samenstelster Hilde Scholten omschreven als ‘het beste uit twintig jaar theatershows’. Daarop staat, naast oud materiaal, Liefdesliedje, geschreven ter gelegenheid van Hella’s vijftigste verjaardag (1999) en niet eerder uitgebracht.
Eveneens ter gelegenheid van Freeks zestigste verjaardag volgde Coen Verbraak hem achtenhalf jaar. Verbraaks documentaire Freek, op de hielen gezeten zendt de RVU-televisie uit op De Jonge’s verjaardag: 30 augustus 2004.
‘Die laat zien hoe De Jonge zich de laatste anderhalf jaar van podium naar podium spoedde. Alsof hij, inderdaad, op de hielen werd gezeten. Van een optreden op de jubileumviering van de Leeuwarder Courant en de verkiezingsconference van vorig jaar tot en met een spraakmakend praatje op de laatste nieuwjaarsreceptie van Ajax en de nog veel spraakmakender tournee langs de Nederlandse soldaten in Irak. Met camera en geluid liep programmamaker Coen Verbraak vaak in het voetspoor mee, zodat we van al die uiteenlopende activiteiten heel wat te zien krijgen. (…) Ook werd de tv-ploeg toegelaten tot huize De Jonge, waar Hella en Freek hun zaken als een familiebedrijfje blijken te runnen. (…) De vraaggesprekken die het ooggetuigenverslag larderen, zet hij goeddeels naar zijn hand. Als het gesprek over enkele paradoxale wendingen in zijn carrière gaat, relativeert hij ook volmondig alles wat hij eerder tegen Verbraak heeft gezegd: “Ik ben altijd in staat om mezelf te verklaren.” Zo is het portret vooral een zelfportret geworden. Behalve een bezoek aan het kerkje van zijn vader en diens begraafplaats, is deze documentaire geen reguliere biografie. Fragmenten van vroeger komen er nauwelijks in voor. Maar fragmenten van nu des te meer.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 30 augustus 2004)

‘”Ik wilde graag dichtbij komen. Je ziet Freek natuurlijk vaak op televisie, dat is waar. Maar echt zijn leven in kaart brengen, de veelzijdigheid van de man en hoe hij omgaat met roem, met succes, met z’n gezin en met z’n kinderen, dat is toch iets heel anders. Dat is nog niet eerder gedaan.” Geen sinecure, want Freek liet zich niet zomaar veroveren. “Nadat ik hem had benaderd, gingen er zeker een paar maanden overheen voordat hij reageerde. Pas na veel over en weer mailen, stemde hij toe.” Stukje bij beetje moest er terrein worden gewonnen, vaak letterlijk: van het werkhuisje in de tuin van De Jonge ging het naar binnen, in de keuken aan de koffie, maar zonder camera. Pas veel later kon er tijdens het ontbijt worden gefilmd. (…) “Het was een sympathiek soort landjepik. We hebben onze vrijheid echt moeten bevechten. Met een camera in iemands huiskamer komen, is ook wel een ander verhaal dan iemand een interview afnemen. Dat voelt opdringerig. Uiteindelijk is het gelukt. En als ze eenmaal overstag zijn, dan zijn ze ook niet kinderachtig. Al bleef het moeilijk om Freek te betrappen, want hij is ongelooflijk camerabewust”.’ (Ilse van der Velden interviewt Coen Verbraak voor de VPRO Gids, augustus 2004)

In het interview met Matthijs van Nieuwkerk (op de dvd van De Vergrijzing) zegt Freek de Jonge nog eens expliciet dat de hele serie De Vergrijzing vooral mogelijk is gemaakt door Hella, die de organisatie, productie, vormgeving, maar ook de volledige planning op zich nam tot en met de zondagse montage. Alleen daardoor konden zij ook zonder regisseur werken; alleen daardoor kon de serie worden zoals hij zich had voorgesteld.

 

KRITIEKEN

‘Stel, Freek de Jonge werkt aan een nieuwe voorstelling: De Vergrijzing. Het deel na de pauze staat al helemaal vast. In dat stuk, De Sterfscène, zien we een acteur aan het einde van zijn loopbaan in grimmig, maar toch liefdevol gesprek met zijn zoon. Theo Maassen speelt de zoon. Hij is zowel ernstig als geestig en een van de weinige cabaretiers voor wie De Jonge waardering kan opbrengen. Dat tweede uur van De Vergrijzing zit dus gebeiteld.
Het deel vóór de pauze ziet er nog wat chaotisch uit. De cabaretier heeft meer dan tien uur semi-autobiografisch materiaal bij elkaar geschreven en zijn hoofd borrelt nog over. Over zijn jeugd in Zaandam, over de tijd dat hij als bleu provinciaaltje aan zijn studentenleven in Amsterdam begon, over zijn Neerlands Hoop-succes met Bram Vermeulen, over de Nederblues, zijn excursie naar de War Zone in Irak. En natuurlijk de extra minuten voor reacties op de actualiteit, zoals de dood van een aansprekend figuur.
Eerst wat try-outs, lekker veel schrappen, de scherpzinnigste wijsheden en pittigste grappen bewaren.
Stel dat het zo gegaan was – dan was De Vergrijzing een van de mooiste, misschien wel de allermooiste voorstelling van de grootste cabaretier aller tijden geworden. Maar De Jonge is een sportman die records wil breken. Eén record stond sinds 1999 op zijn eigen naam, toen hij de tiendelige serie De Grens in één jaar speelde. Dus bedacht de zestigjarige De Jonge een indrukwekkend cadeautje voor zijn fans en vooral voor zichzelf. Als aftrap de novelle Door de knieën. Vervolgens dertien shows van een uur, een muziekprogramma en een speelfilm en dit alles zowel in het theater als op de televisie, binnen een tijdsbestek van vier maanden.’ (Patrick van den Hanenberg in de Volkskrant, 23 december 2004)

SPEELDATA

Van 12 t/m 28 augustus probeert hij materiaal uit met vier keer twee voorstellingen in kleine theaters in Arnhem, Den Bosch, Den Hoorn en Nieuw- en Sint Joosland.
Aflevering 1 t/m 13 speelt hij van 31 augustus t/m 27 november 2004 in het Compagnietheater in Amsterdam.
Aflevering 14 speelt eenmalig: op 14 december 2004 in Paradiso te Amsterdam.
Aflevering 15 – de speelfilm De Kerst van een clown – neemt hij op in acht draaidagen: op 27 oktober, 30 november, 1 t/m 3 december en 6 t/m 8 december 2004.

SPEL

Freek de Jonge en (in aflevering 11) Theo Maassen. Met gastbijdragen van Robert Jan Stips (9, 10, 12 en 14) , Cok van Vuuren (9, 12 en 14), Jan de Hont (12 en 14), Rob Kloet (12 en 14) en Daniël Lohues (9 en 14). Andere muzikanten werken eenmalig mee: Gert-Jan Blom (12), Henk Hofstede (14), Bart de Ruiter (12) en Rob Wijtman (12). Een aantal zangers werkt mee aan het eerbetoon aan Bram Vermeulen (aflevering 12): Jenny Arean, Frank Boeijen, Stef Bos, Boudewijn de Groot, Thé Lau, Huub van der Lubbe en Bart Peeters.

MUZIEK

Robert Jan Stips, tenzij anders vermeld.

DECORBOUW

Peter de Bruin, Tom Telman, Jos den Brok, Karel van Egten en (in 1) Koos Leeuwenburgh.

PUBLICATIES

Tekst

Freek de Jonge’s televisiemarathon DE VERGRIJZING
Boekuitgave in beperkte oplage t.g.v. de afsluiting van De Vergrijzing in het Ketelhuis in Amsterdam op 23 december 2004 (2004).
De teksten van de nieuwe liedjes uit deze serie zijn opgenomen in Leven na de dood (2004), uitgezonderd Op zoek naar mijn gevoel (4) en Jonas (5). Het betreft: De beer is los (9), De ganse schepping (= Er zal nooit iets veranderen) (1), Pak ze aan die provincialen (3), Quarantaine (10), Vadermoord (= Papapa) (2) en Vergeet mij niet (10).
In Wees niet bang staan De ganse schepping (= Er zal nooit iets veranderen), Quarantaine, Vadermoord (= Papapa) en Vergeet mij niet. En ook Srebrenica (14), een nieuwe tekst op Bob Dylans North Country Girl. Het krijgt daar abusievelijk als bronvermelding de Nederlandse Veteranendag (29 juni 2005).
In Leven na de dood (en alle andere liedjes) ontbreken het laatste couplet en refrein van Vergeet mij niet. In Wees niet bang (mijn 101 mooiste liedjes) staat wel de volledige tekst van het lied.
Het kernverhaal van de vierde aflevering is als Ik drijf af opgenomen in De Toeschouwer (2006). Die bundel bevat ook De loods. Hierin komen de andere twee verhalen van deze aflevering terug: over Neerlands Hoop in Zeeland en over het loodsen van het schip.
Het voorstellingsverhaal van aflevering 5 is, onder de titel Jonas, opgenomen in De Toeschouwer (2007), zij het zonder de vermelding dat deze serie de bron is.
De tekst van aflevering 6 staat, als Monoloog van de dementerende man, afgedrukt in De Toeschouwer (2006). In de voorstelling declameert hij zijn liedtekst Eeuwige jeugd, eerder gezongen in Parlando.
De (in aflevering 10) in passages voorgelezen tekst over de moord op Theo van Gogh staat, onder de titel Theo van Gogh is dood, integraal afgedrukt in De Toeschouwer (2006). Dat geldt ook voor de volledige tekst van aflevering 11: De Sterfscène.

Geluid

Eén lied is niet van Freek de Jonge. Stan Meyers Blues, gezongen in aflevering 9, is een lied van Daniël Lohues. Het is verschenen als bonustrack op zowel de cd-single Daor Knap Ie Nie Van Op (2003) van Lohues & The Louisiana Blues Club als de cd-single Grachten Van Amsterdam (2004) van Skik. Opmerkelijk feit: het is niet met de Louisiana Blues Club opgenomen en ook niet met Skik, maar in een studiosetting met vooral veel Lohues. Het nummer is geïnspireerd op de film Van God Los (2003).
De nieuwe liederen Quarantaine en Srebrenica verschijnen in 2007 op de 2cd De toehoorder.
Op De toehoorder staat ook Wees niet bang op de nieuwe melodie van Robert Jan Stips. Helaas meldt de cd zelf dat het hier de oorspronkelijke melodie van Henk Hofstede betreft.
De ganse schepping (Er zal nooit iets veranderen) staat ook op de studio-cd Van A naar Z, die in 2010 verschijnt. Dan met weer een nieuwe titel: Reikhalzend verlangen.
Dat was de werktitel van de roman Zaansch Veem (1987).
Ook Op zoek naar mijn gevoel staat op Van A naar Z, hier onder de titel Kraak me.

Beeld

3DVD-box De Vergrijzing. Augustus t/m december 2004. Deel 1 t/m 15 (2005).
Met naast de 15 afleveringen drie ‘toegiften’: afzonderlijke interviews van Matthijs van Nieuwkerk met Hella de Jonge (vijftig-minutengesprek, maart 2005) en Freek de Jonge (zeventig-minutengesprek, januari 2005) en (acht) ‘Extra liedjes’:
Na afloop van elke voorstelling zongen Freek en Robert Jan meestal nog een aantal liedjes, waaronder altijd een dat speciaal voor de desbetreffende afleveringen geschreven werd. Als toegift bij deze dvd-box een aantal van deze liedjes.
Dat zijn: De ganse schepping (= Er zal nooit iets veranderen), Vadermoord (= Papapa), Op zoek naar mijn gevoel, Gods lied, Jonas, Wees niet bang (op een nieuwe melodie van Robert Jan Stips), Vergeet mij niet en Waarom (= Doodgewoon).

 

Foto's