|
De Tragiek
Van oktober 1980 tot augustus 1981 speelde Freek de Jonge De Tragiek.
Deze voorstelling kan gezien worden als een vervolg op zijn eerste
solovoorstelling, De Komiek (1980). In het voorwoord van de tekstuitgave
schrijft De Jonge zelf: 'De Tragiek was een door mij impulsief gekozen
titel voor mijn programma, na De Komiek. Toch heeft die naam tijdens
het spelen wel een betekenis gekregen. Neem je De Komiek als een
relatie publiek-artiest, dan kijkt de zaal naar de Komiek en wenst
te lachen. Bij De Tragiek keren we de relatie om en kijkt de artiest
de zaal in en moet wenen.'
In De Tragiek speelt De Jonge in totaal vijf rollen: de Soebat-aanhanger,
de Acteur, Tante Wil, Godot en de Verteller, die de verbindende
schakel tussen de eerste vier vormt. De voorstelling wordt geopend
door de Verteller. Hij begint aan een conference over een dagje
uit met de familie naar een pretpark. Deze conference zit vol met
altijd leuke grappen over verdwenen neefjes, mislukte artiesten
en doodgebloede huwelijken. Wanneer de verteller lekker op dreef
is, onderbreekt hij plotseling zijn verhaal. Hij vertelt het publiek
dat er iets wonderlijks gebeurd is: 'Ik hoef opeens niet meer leuk
te zijn, lollig te wezen, te voldoen aan een merkwaardig soort consumptiedrift
bij een vooruitstrevend publiek. Ik hoef niet meer te scoren bij
de young en beautiful people. Ik hoef niet meer iets of iemand te
zijn, om de doodeenvoudige reden dat ik ben. Ik ben!'
Terwijl de Verteller aan het publiek duidelijk maakt dat diegene
die zijn leven veranderd heeft, vanavond zal komen om ook hun leven
te veranderen, trekt hij een oranje kleed over zijn hoofd. De Verteller
verandert in de Soebat-aanhanger, een soort van Oosterse wijsgeer.
Wat volgt is een geniaal stuk theater, waarin De Jonge van de ene
kant de draak steekt met de Soebat-aanhanger, maar tevens duidelijk
maakt dat zijn publiek bij lange na niet zo vooruitstrevend is als
men graag zou willen zijn. Dat laatste blijkt uit de momenten dat
hij de zaal direct toespreekt. Eerst vraagt de Soebat-aanhanger
om met z'n allen een meditatie te doen. Hier geven maar een paar
mensen gehoor aan. Vervolgens verwijt hij het publiek dat ze zich
wel een stofzuiger laten aansmeren, wanneer men denkt een paar honderd
gulden te kunnen besparen, maar dat wanneer ze voor niets hun eigen
leven kunnen veranderen, ze niet willen meedoen. De Soebat-aanhanger
hekelt de kortzichtigheid van mensen die wel reclame-uitingen als
'Met Hoppe voel ik me meer mens' toestaan, maar tegelijkertijd iemand
die vertelt dat hij vanuit zijn geloof kan leven, een gevaarlijke
zwever vinden.
Wanneer de Soebat-aanhanger zelfmoord heeft gepleegd en aan een
touw achter op het toneel hangt, komt de Acteur op. Deze vertelt
wat losse grappen zonder samenhang en heeft een leuke slapstick-act
met een struisvogel. Bovendien spot hij met de krakers, die volgens
hem het meest conservatieve in de mens nastreven: wonen. Wanneer
de op hem lijkende pop al aan het touw omlaag komt, terwijl hij
nog op het toneel staat, begint hij een conference tegen het idee
dat zelfmoord getuigt van een scherp levensinzicht. Uiteindelijk
besluit hij dat hij geen theater tot in de dood wil maken. Hij gaat
buiten in de bus zitten wachten tot hij naar huis kan.
Dan komt Tante Wil op. Een vrouw van middelbare leeftijd die jaren
geleden haar man heeft verloren. Een van haar vaste opmerkingen
is: 'Ja, ik kan de zaak wel aan de gang krijgen.' En inderdaad,
ze krijgt de zaak ook aan de gang. Op een gegeven moment heeft ze
de hele zaal aan het zingen. Men zingt uit volle borst de tekst,
over Bep en Teun die gaan emigreren, mee, op de melodie van 'Vrolijk
is het zigeunerleven'. Ook aan de gedeelten waar de mannen en vrouwen
apart een gedeelte voor hun rekening nemen, wordt volop meegedaan.
Het is alsof men op een zeer geslaagd familiefeest is.
Zoals alles bij De Jonge is dit op de eerste plaats erg grappig,
maar wie weet dat men eerder een meditatie weigerde, kan zelf wel
de conclusie trekken over de vermeende vooruitstrevendheid van het
publiek. Al zegt deze conclusie misschien wel meer over het talent
van Freek de Jonge dan over de werkelijke aard van zijn publiek,
want hij is per slot van rekening degene die de zaal iedere keer
weer moeiteloos in die positie weet te manoeuvreren waar hij ze
wil hebben.
Tante Wil zingt nog een zeer aangrijpend lied over het feit dat
niemand om haar geeft. Wanneer ze, onder de indruk van de stilte
die in zaal door dit lied is ontstaan, wil afgaan, loopt ze langs
de wieg, die al geruime tijd op het podium stond. Tante Wil wil
het kind in de wieg oppakken, maar merkt dat het dood is. Ze besluit
zich voor een van achter op het toneel naderende vrachtwagen te
gooien.
Na de pauze komt de Verteller terug en zingt een Nederlandse tekst
op Bob Dylans All along the watchtower. Daarna komt het laatste
personage op dat zichzelf als volgt introduceert: 'Er wordt op mijn
gewacht. Mijn naam is Godot.' De verwijzing naar het bekende toneelstuk
En attendent Godot van Samuel Beckett is duidelijk. Godot vertelt
een fascinerend verhaal over de botsende wereldbeelden van een blanke
boer en een bosjesman en de desastreuze invloed die dit op hen beide
en hun nageslacht heeft. Het verhaal eindigt met de vraag: 'Aan
wie moet de kunstenaar zijn kunstje kwijt?'
Daarna pakt Godot zijn broodtrommeltje en eet een broodje, schilt
een appel en spoelt beide weg met koude thee. Ondertussen vertelt
hij zijn eigen verhaal, over de ontwikkeling van zijn carrière
en over zijn zwakzinnig pleegbroertje. Dit leidt ertoe dat nogal
wat eten, in plaats van door zijn keelgat, richting zaal verdwijnt.
Op papier is dit verder niet beschrijven, maar wie het gezien heeft,
weet hoe hilarisch deze scène is.
Ook Godots eigen verhaal eindigt met de vraag: 'Aan wie moet de
kunstenaar zijn kunstje kwijt?' Hier aangekomen lijkt hij de draad
van het eerste verhaal weer op te pakken, maar al snel vervalt hij
in tirade tegen de maatschappij, over het feit dat deze wel toestaat
dat je wilt, maar dat je niet mag zijn. Wie wil, blijft discussiëren
en consumeren en is geen bedreiging voor de werkgelegenheid; wie
is en niet meer hoeft te consumeren, vormt een bedreiging voor de
bestaande orde. Godot roept tegen zijn zwakzinnig broertje dat hij
eraan komt: 'Mijn hele leven heb ik je bij je willen zijn... Gewild!
Nu ben ik zover.'
Godot is hiermee op eenzelfde punt aangekomen als de Soebat-aanhanger
eerder in de voorstelling. 'Ik ben' is een mogelijke vertaling van
Jahweh, oftewel van God. De naam Godot was daar ook al verwijzing
naar. Nu is zowel de Soebat-aanhanger als Godot natuurlijk niet
gelijk aan God te stellen, tenminste niet aan het Godsbeeld dat
de gemiddelde christen erop nahoudt. Wel lijken ze iets over het
leven te willen meedelen. Het publiek (wel of niet gemanipuleerd
door De Jonge) wil daar echter niet aan. Het wil vermaakt worden.
Vandaar ook dat alle personages, nadat ze de zaal in hebben gekeken,
zich van het publiek afwenden, zelfmoord plegen of er vandoor gaan.
Tot slot is het belangrijk om te onthouden dat de conclusie dat
het publiek alleen bereid is om aan iets mee te doen zolang het
veilig is, zeg maar: zolang het eigen wereldbeeld niet in gevaar
komt, wellicht erg zwaar is. Ze is immers vooral door middel van
de lach tot stand gekomen. En zo hoort het ook, althans volgens
Freek de Jonge: 'Een programma zonder lach zou verschrikkelijke
consequenties hebben. Het is allemaal heel mooi als je een filosofische
diepgang wilt bereiken, maar dan zit er tenslotte geen hond meer
in de zaal. (...) Een komiek mag wel iets aangeven, maar mag niet
iets uitdragen.'
(door Pascal Klaassen)
|
|