De Mythe

Van maart tot juni 1983 speelde Freek de Jonge zijn vijfde solovoorstelling; De Mythe. In het programmaboekje nam hij het volgende citaat van Bronislaw Malinowski op: 'Een mythe is in zijn bestaande primitieve vorm niet zozeer een verhaal dat wordt verteld maar een werkelijkheid die wordt beleefd.' Tegenwoordig heeft de wetenschap een grote invloed op de wijze waarop de 'Westerse Wereld' de werkelijkheid ziet. Blijkens het volgende citaat is dit een werkelijkheidsbeleving die De Jonge niet erg aanstaat:

Je moet het leven zien
zoals het is
ik bedoel
je leeft tenslotte om de dingen die je niet weet
je leeft niet om wat je weet
om wat je weet zou je gelijk je polsen doorsnijden
of een kogel door je kop jagen
Daarom begrijp ik de wetenschap ook niet
steeds maar nieuwe argumenten aandragen
om het leven nog ondraaglijker te maken

De Jonge heeft het in De Mythe niet alleen op de wetenschap gemunt. Hij prikt ook door andere hedendaagse mythen heen, zoals de hulpverlening, de bewapening, de godsdienst en de mythe rond hemzelf. Hij doet dat in een voorstelling die uit drie delen bestaat. Voor de pauze vertelt hij een absurd verhaal dat de hele tijd wordt onderbroken door terzijdes waarin hij met zijn vrouw en kinderen spreekt. Na de pauze begint hij als clown te vertellen over de situatie thuis (waar zijn vader met zijn accordeon zowel de vingers van zusje, als de scheenbenen van de verteller versplinterde) , waarna hij verandert in een kind dat vertelt hoe hij opa naar een andere wereld heeft geholpen, om tot slot als cowboy te vertellen over avontuur in de hedendaagse hulpverlening. In de epiloog vertelt De Jonge een fascinerend sprookje over een spinnengezin dat in een stofzuigerzak woont.

Het absurde verhaal waarmee De Jonge de voorstelling begint, speelt zich hoofdzakelijk af in een duister kasteel. In dit kasteel ziet De Jonge Maarten Luther King, Jeanne d'Arc, John Lennon, Willem de Zwijger, Gandhi en Jezus voorbij lopen. Ze worden gevolgd door tientallen mensen met littekens in hun polsen, gaten in hun slaap en striemen in hun nek, kortom: zelfmoordenaars. Theo de Jong heeft in zijn artikel 'De Jonge en de dood' (Bzzlletin 142, pp. 67 - 74) erop gewezen dat hiermee de suggestie wordt gewekt dat de manier van leven van de eersten ook een vorm van zelfmoord is geweest. Deze conclusie lijkt gerechtvaardigd als later blijkt dat het kasteel een School voor Martelaren is, behorend bij het Voorbereidend Hoger Onderwijs. Het zijn in ieder geval mensen geweest die tijdens hun leven al tot mythische proporties waren uitgegroeid en vroegtijdig aan hun einde zijn gekomen. Wie eenmaal een mythe is, vernietigt zijn eigen persoonlijkheid.
Dit verhaal in het kasteel wordt telkens onderbroken door terzijdes waarin De Jonge met zijn vrouw en kinderen praat, die achter twee omlaag hangende doeken op het podium zouden staan. Deze gesprekken gaan over De Jonges privéleven, de voorstelling en het publiek. Wat blijkt is dat De Jonge thuis helemaal niet leuk is en zijn vrouw bijvoorbeeld 'okselfrisse poepert' noemt. Niet bepaald een beeld dat hoort bij een grote artiest die avond aan avond voor volle zalen speelt. De Jonge poogt hier de mythe die rond hem is ontstaan, te doorbreken. Hij wil geen grote wereldverbeteraar zijn, zoals de figuren uit het kasteel en hijzelf in ieder geval ten tijde van Neerlands Hoop, omdat hij zichzelf niet wil vernietigen.
Overigens is 'doorbreken' misschien niet het juiste woord. Wellicht is het beter om te zeggen dat De Jonge de mythe rond hem een andere kant probeert op te sturen. Hij wil van het imago van wereldverbeteraar af en wordt liever gezien als een kind of een idioot, gezien de grote rol die beide in zijn gehele oeuvre innemen. Ook in De Mythe speelt De Jonge een kind en hij sluit de avond af met het lied: 'Wat fijn om idioot te zijn'.

Nog even aandacht voor de terzijdes, deze zijn namelijk erg leuk. Niet alleen vanwege verwijzingen naar Toon Hermans, maar ook omdat De Jonge hierin aantoont dat hij een meester is in het bespelen van het publiek:

Ik snap ook niet waarom die mensen lachen
..........
Nee, die vinden niet alles leuk.
Hoewel....
(loop naar voren tot zaal)
ik sta laatst voor mijn boekenkast
ik wil mijn telefoonboek tussen de boeken proppen
Het wil niet...telefoonboek te dik
of boekenkast te vol, dat kan natuurlijk ook
Ik begin te bladeren in mijn telefoonboek
Ik denk: die bladzij met Aaron die kan er wel uit
Die bladzij met Bouterse kan er ook wel uit
Die drie bladzijden Cohen die kunnen er ook wel uit
Wat bleek
als al die vreemdelingen oprotten
paste mijn telefoonboek weer in de boekenkast.
(gelach)
(terug bij kinderen)
Ik ben bang dat ze wèl alles leuk vinden
Er zitten racisten en fascisten tussen.
(weer tot zaal)
Nee, nee, nee... wat ik had moeten doen is
naar die boekenkast lopen
De werken van W.F. Hermans en de werken van Gerard Reve
dié moeten eruit, dan past mijn telefoonboek er ook in.
(applaus)
(tegen kinderen)
Er zitten zelfs boekverbranders in de zaal!

Uit een andere terzijde blijkt weer eens dat het menselijk waarnemingsvermogen beperkt is en dat dingen de waarden hebben die mensen er zelf aan geven.
De Jonge krijgt van zijn vrouw en kinderen als verjaardagscadeau twee oude kinderschoentjes. Het lijkt een flutcadeau en De Jonge is er zichtbaar niet van onder de indruk. Wat hem betreft zouden ze het best naast de vuilnisbak kunnen staan. De waarde van de schoentjes stijgt tot het onbetaalbare als hij hoort dat het de kinderschoenen van Charlie Chaplin zijn. De schoentjes die het ene moment zo goed als niets waard zijn, zijn nu zo'n beetje het mooiste cadeau wat je kunt krijgen. Materieel gezien blijven het echter dezelfde schoentjes

Zoals hierboven vermeld vertelt De Jonge in de epiloog een sprookje over een spinnengezin dat in een stofzuigerzak woont. Het licht aan het einde van tunnel (de stofzuigerslang) is volgens vaderspin de hemel. Men moet proberen daar naar toe te lopen. Echter, iedere keer wanneer ze er bijna zijn, wordt de stofzuiger aangezet en worden ze terug naar de stofzuigerzak gezogen. Eens in de zoveel tijd horen ze 'klik...klik...morrel...morrel' (als de stofzuigerzak wordt geleegd.) Dan moeten ze zich stevig vasthouden aan de wand, anders komen ze in de hel.
Wanneer een van de kinderspinnetjes op een dag de slappelach krijgt, kan hij zich niet langer vasthouden en valt omlaag. Een paar dagen later komt hij de stofzuiger weer inlopen. Hij vertelt dat het verhaal van de hemel en de hel flauwekul is. Het enige dat je moet doen is loslaten en je komt vanzelf in een ruimte waar je heerlijke webben kunt spinnen en vliegen kunt vangen.
De vaderspin is woedend en hakt de pootjes van het kinderspinnetje eraf. De stofzuigerzak wordt geleegd, het spinnetje valt eruit, maar komt na een paar dagen weer terug rollen en zegt: 'toch is het zo.' De vader vraagt aan de rest van de familie wie het spinnetje gelooft. Alle pootjes gaan omhoog en de vader hakt ze er allemaal af. Bij de volgende leging van de stofzuigerzak zwermen alle spinnetjes uit, behalve de vader die in de oude stofzuigerzak achterblijft tot hij overlijdt en zal veranderen in de stoffelijke resten van wat eens vasthoudendheid, handhaverij en behoudzucht was.

Met dit sprookje, waarin prachtig verbeeld wordt wat er kan gebeuren wanneer de mens zich krampachtig vasthoudt aan het eigen beperkte waarnemings- en verbeeldingsvermogen, sluit De Jonge De Mythe af. Wederom is hij erin geslaagd een voorstelling te maken die, wat humor en thematiek betreft, overduidelijk van zijn hand is, maar in de uitwerking nauwelijks met de voorgaande voorstellingen te vergelijken is. De Komiek (1980), De Tragiek (1980), De Mars (1981), De Openbaring (1982) en De Mythe zijn vijf mijlpalen in de carrière van een cabaretier die zich de hele tijd tracht te vernieuwen en daar niet alleen in slaagt, maar tevens nog succesvol blijft ook.

(door Pascal Klaassen)