|
De Goeroe & de Dissident
De basis van De Goeroe en de Dissident (1988) is de gedachte dat
de mens tijdens zijn leven door zeven poorten moet gaan: Vertrouwen,
Discipline, Concentratie, Diep Verlangen, Wijsheid, Vergeving en
Onthechting. In een interview met Jan Paul Bresser legt De Jonge
uit wat hij met deze gelijkenis bedoelt: 'Wat ik in het programma
doe, is niet veel anders dan een oude, klassieke levensweg beschrijven.
Ik begin met de chaos en daarin de waanzin. In eerste instantie
staat ieder mens verlegen in chaos en waanzin. Hij weet niet hoe
hij het moet ordenen. En dan is het vervolgens de belangrijkste
keus of je in het leven vertrouwen krijgt of niet. Mensen die geen
vertrouwen hebben gaan schreeuwen en nemen aan de waanzin van de
wereld deel. Maar degene die vertrouwen wint gaat ordenen. En dat
kan hij door middel van discipline. Discipline is niet anders dan
je verslaving weerstaan. Het hele leven is erop uit je ergens aan
te binden, om je ergens aan te verslaven. Heb je eenmaal de verslaving
overwonnen met discipline, dan kom je toe aan de concentratie, aan
het vermogen om je gedachten te beheersen en te sturen. En ook om
je helemaal leeg te kunnen maken - wat heel belangrijk is. Als je
dat allemaal kunt, ben je toe aan de wijsheid. En wijsheid zorgt
vervolgens voor diep verlangen en daarop volgt de vergeving, of
de verschoning eigenlijk. En dan tenslotte de onthechting. Dat is
de weg in het programma. Dat is mijn weg.'
Van alle poorten is de meeste aandacht weggelegd voor de poort der
Concentratie. Het toppunt van concentratie is 'het absoluut denken
aan totaal niets'. Wat De Jonge hiermee bedoelt, legt hij uit aan
de hand van een verhaal over een orkestje met een fluitspeler ('eigenlijk
is het geen fluitje') in een jazz-keldertje te Parijs. Wanneer De
Jonge vlak na de oorlog voor het eerst het keldertje binnenkomt,
speelt de fluitist (een oermens uit de Kongo) slechts zeven noten.
De Jonge is onder de indruk. Wanneer hij een jaar later samen met
Simon Vinkenoog teruggaat, speelt de muzikant nog maar zes noten.
De Jonge heeft meteen door dat hier iets heel bijzonders aan het
gebeuren is, dat hier een kunstenaar bezig is zichzelf te beperken.
Bovendien voelt De Jonge zich een beetje een muzikant, want hij
kent de zevende noot en kan die hier en daar zelf invullen.
Het orkestje wordt steeds populairder en een paar jaar later gaan
ze met een volle bus naar Parijs. De fluitist speelt nog maar één
noot en de gitarist van de band (Django Reinhardt) heeft nog maar
één kootje. Dit ontlokt op de terugweg bij De Jonge
de opmerking dat hij het wat eentonig vindt worden. Een opmerking
waar hij later veel spijt van heeft, maar iedere leerling moet door
een fase heen waarin hij denkt het beter te weten dan zijn leermeester.
Weer een jaar later gaan ze met twee treinen naar Parijs. In het
keldertje is het nu doodstil. Al het volk staat aandachtig te luisteren
naar niets. Het toppunt van concentratie.
Wanneer De Jonge bij dit punt van het verhaal is aangekomen, is
het in de zaal ook doodstil. De Jonge wil dat het publiek deze concentratie
vasthoudt, zodat ze na de pauze niet helemaal opnieuw hoeven te
beginnen. Hijzelf is echter degene die de concentratie alsnog verbreekt,
doordat hij toch weer leuk wil zijn. Hij maakt nog een hele serie
grappen voordat de pauze daadwerkelijk begint, waarbij onder andere
de zeehondencrèche het moet ontgelden:
Dat infantiele gedoe met dieren
Ik word er ook helemaal gek van
Dat met die zeehondjes
Wat vind je daarvan?
Dat is toch de meest onuitroeibare soort dat er bestaat zeg
Daar hadden we toch een mooi euthanasie-programmaatje voor opgesteld,
is het niet?
Die zouden toch in Groenland door die Canadezen met een bijltje....
Vijf zeehonden, een bontjas hadden we toch afgesproken?
Nee, dat vond men onmenselijk, inhumaan,
Men ziet die zeehondjes liever veertien dagen op het wad
urgh, urgh, urgh,
En wat heb je dan als ze dood zijn?
Een hoestdrankje voor kalveren misschien
Zoals de titel van de voorstelling al aangeeft, is De Jonge niet
alleen de berustende Goeroe die zijn publiek op kalme toon langs
de zeven poorten stuurt, maar ook de onrustige Dissident die overspannen
probeert de maatschappij te veranderen. Deze laatste is duidelijk
de grappigste van twee, zelfs als hij op het toneel achter een schotje
een plas doet. Of aan het begin van de voorstelling, wanneer hij
met een plastic zak over zijn hoofd opkomt:
Ik ben met roken gestopt
Ik denk ik trek een plastic-zak over m'n kop
Scheelt een hoop geld
En ik heb het net zo benauwd
Het decor van De Goeroe & de Dissident bestaat onder andere
uit zeven tafels, met verschillende afmetingen. Doordat De Jonge
deze tafels verschuift, kantelt en stapelt, zorgen ze de hele tijd
voor een ander toneelbeeld. Zo vormen ze de trap waarlangs De Jonge
afdaalt naar het jazz-keldertje in Parijs, de weg waarlangs de mens
dient te gaan en een berg die beklommen moet worden.
Het is prachtig om te zien hoe De Jonge met dezelfde elementen telkens
een ander beeld suggereert. De voorstelling krijgt hierdoor magische
proporties, hetgeen alleen maar meer bijdraagt aan de concentratie
van het publiek. En dat lijkt één van de doelen van
De Jonge, namelijk om, net zoals de fluitspeler in Parijs, zijn
publiek in steeds hogere graad van concentratie te brengen. Speelde
de fluitist steeds minder noten, De Jonge vertelt steeds minder
grappen. In de laatste twintig minuten van de voorstelling zit nauwelijks
meer een grap. Het publiek is echter zo geboeid dat het dat niet
eens in de gaten lijkt te hebben. De concentratie is compleet. Een
cabaretier die dat kan, heeft het als kunstenaar ver geschopt. Zeker
volgens de maatstaven van De Jonge in die tijd.
(door Pascal Klaassen)
|
|