De Pretentie

Na een periode van bijna twee jaar keert Freek de Jonge eind 1987 weer met een reguliere voorstelling, De Pretentie, terug in het theater. Deze voorstelling kan gezien worden als een breuk met datgene dat hij eerder maakte. De Jonge zag dit zelf ook zo, blijkens de volgende woorden uit een interview: 'Met De Bedevaart in november 1985 heb ik een periode afgesloten van zeg maar zelfstudie. Alle soloprogramma's, De Komiek, De Tragiek, De Mars, De Mythe, Stroman en Trawanten tot en met De Bedevaart gingen over mezelf en mijn plaats in het theater. Vorig jaar, met mijn tussendoortje, Het Damestasje, ben ik daar ineens mee opgehouden. Nu sta ik met geen ander doel op het toneel dan amuseren.'
Met De Pretentie schuift De Jonge op de denkbeeldige lijn 'toneel -- cabaret' weer meer richting het cabaret. De voorstelling is duidelijk minder hecht dan de voorgaande. Weliswaar is er nog steeds een 'rode draad', maar deze is duidelijk gescheiden van de terzijdes. Wanneer De Jonge het verhaal 'De Lijstenmaker' vertelt of het gedicht 'Kijk dat is Kees' voordraagt, die samen de rode draad vormen, zit hij op een kist met achter zich een spiegel en vlak boven zich een lamp. Voor de terzijdes staat er een microfoon voor op het podium.
Het verhaal 'De Lijstenmaker' gaat over een lijstenmaker die zo begaafd was dat iedereen die door hem geportretteerd werd, onmiddellijk de sympathie van de aanschouwers kreeg, hoe vervelend men verder ook mocht zijn: '"Wat een knappe vent hangt daar aan de muur!" "Ja, dat is mijn vader. Kijk hier aan de binnenkant van mijn hand, daar drukte hij altijd zijn peuken uit."'
De dictator van het land draagt de lijstenmaker op om alle portretten van hem van nieuwe lijsten te voorzien. Hierdoor heeft de lijstenmaker geen tijd meer om lijsten voor het volk te maken, waardoor er een steeds groter wordende onrust ontstaat. Ten einde raad spoedt de dictator zich naar de Lijstenmaker. Deze besluit de dictator zelf in te lijsten. Met zijn laatste krachten maakt hij de mooiste lijst die hij ooit gemaakt heeft. Het volk dat buiten al komt aangestormd, wordt op slag kalm bij het zien van de ingelijste dictator, oftewel: 'het smaakvol gekadreerde heerszuchtige'. Om iedereen ervan te laten genieten, hangen ze de dictator op aan de hoogste boom die ze kunnen vinden.
Indien dit verhaal wordt opgevat als een metafoor voor de positie van de kunstenaar in het algemeen, dan is deze niet meer dan een artiest die het volk iets moois geeft waardoor het niet in opstand komt. Hij doet dat door de gruwelijke werkelijkheid op een mooie manier te verpakken. Deze lezing komt prima overeen met De Jonges opvatting van die tijd, dat hij met geen ander doel het toneel opgaat dan te amuseren. De hoop dat wereld te verbeteren valt, lijkt verdwenen.
Toch is ook in De Pretentie wel degelijk een kritische ondertoon te beluisteren. De Jonges gedachten over de maatschappij behoren blijkbaar ook tot het amusement dat hij voorstaat. Misschien lijdt hij er zelf minder onder dan voorheen, een mening heeft hij nog altijd. Bijvoorbeeld over de paus die Kurt Waldheim ontmoet:

Onder massaal protest
en in het bijzijn van de voltallige wereldpers
heeft gistermorgen in Rome
Paus Johannes Paulus de Tweede
Kurt Waldheim gepijpt

(...)

Een zichtbaar opgeluchte Paus verklaarde na afloop
wat gemorst sperma van zijn kin vegend
over de ex-secretaris generaal van de Verenigde Nazi's:
"Ik heb wel eens een grotere lul gezien,
maar het is zonder enig voorbehoud de grootste zak
die ik in de loop der jaren heb mogen aanschouwen

(...)

Een wat beteuterde Waldheim zei tegen de pers
dat je alles in verhouding moet zien.
"Het was niet zozeer mijn kleine pik
als wel die enorme bek van de Paus."


In De Pretentie zit een van De Jonges bekendste conferences: "De F-side" , waaruit ook de inmiddels gevleugelde woorden "dat zullen we nog wel eens zien" komen. De Jonge vertelt over de dag dat hij samen met andere prominenten met de supporters van Ajax meereist naar een uitwedstrijd tegen PSV.

Groot tumult bij het supportershome.
Een van de F-siders had tegen Sjaak Swart, ook een prominente Nederlander, geblaft:
- Vuile, vieze teringkankerjood!
Dat had hij echter niet zo bedoeld en toen Sjaak zijn excuses had aangeboden, praatten we nergens meer over

(...)

We zaten zo dicht bij het psv-stadion dat we de lichtmasten al konden zien.
Dat was een volkomen onnodige provocatie van de kant van Philips.
Om op klaarlichte dag vier lichtmasten neer te zetten!


Het blijkt een mislukte dag. Om te beginnen wenst men PSV dood. Wanneer ze met 2 - 0 achterstaan, en 'PSV dood' wat te hoog gegrepen lijkt, besluiten ze dat dan maar een paar supporters moeten sterven. Hiervoor blijken de punten op de hekken echter te gemeen. Uiteindelijk rest de supporters niets anders dan om op de terugreis de bussen te slopen.

We keerden laat in de avond bij het Ajax-stadion terug.
Vroeger na een schoolreisje, kropen alle kinderen bij aankomst onder de banken en speelden de ouders verbaasd:
- Waar zijn de kinderen?
Nu stonden er ouders te wachten die zich afvroegen?
- Waar zijn de banken?


De Pretentie wordt afgesloten met de laatste twee strofen van het gedicht Kijk, dat is Kees. Dit gedicht is van oorsprong een lied en komt nog uit de voorstelling Neerlands Hoop in Panama. Het gaat over een debiele jongen van zeven en hoe de mensen tegen hem aankijken:

Kijk daar loopt Kees
In onze wereld
Vandaag of morgen onder een tram
En als ik hem af moest leggen
Zou ik tot zijn ouders zeggen
Dat het beter was
Voor hem

Kijk dat is Kees
Of durf je niet kijken


Bij deze laatste woorden schijnt De Jonge met de lamp die boven hem hangt de zaal in. Het alsof De Jonge ons wil laten zien dat we allemaal Kees, de dwaas, zijn.
Nogmaals een teken dat De Pretentie niet zo pretentieloos is als men soms denkt. Ook al heeft De Jonge zelf geaccepteerd dat een kunstenaar de wereld niet kan veranderen, in het beste geval kan hij altijd nog een heel goede lijstenmaker worden.

(door Pascal Klaassen)