De Volgende

Van oktober 1989 tot en met april 1990 speelde De Jonge de voorstelling De Volgende. De basis voor deze voorstelling is een incident dat zich voordeed tijdens de Europacupwedstrijd Ajax -Austria Wien. De Jonge fungeerde die wedstrijd als stadionspeaker. Tijdens een blessurebehandeling plaatste hij de opmerking: 'Telefoon voor de heer Waldheim, wil hij zich in verbinding stellen met de heer Wiesenthal.' Later die avond ontstonden er hevige supportersrellen en men legde al snel het verband tussen die rellen en de opmerking van De Jonge. In de pers werd deze gebeurtenis vervolgens breed uitgemeten. De Jonge rekent in De Volgende op zijn eigen manier met de hele affaire af.

Als hoofdpersoon van de centrale vertelling kiest hij de heer Gordelroos. Deze man bracht het in zijn hele leven nooit verder dan stadionspeaker. Nooit eerder had de heer Gordelroos een onvertogen woord gesproken, maar op een late septemberwoensdagavond liet hij zich gaan. Vlak nadat de Hongaarse spits voor de 1 - 0 had gezorgd, meende hij, in zijn volstrekte naïviteit te moeten roepen: 'Telefoon voor de Waldheim, wil hij zich in verbinding stellen met de heer Wiesenthal.'
Tot zover was er nog niets aan de hand. De Amsterdammers reageerden zoals ze altijd reageren: ze lachten. Maar toen de Oostenrijkse voetballers over een heel ander gevoel voor humor bleken te beschikken en gelijk maakten, ontwaakte het latent politiek bewustzijn van de massa. Niet langer wenste men naar dat onbenullige voetbal te kijken. In plaats daarvan diende het Oostenrijkse antisemitisme met wortel en tak te worden uitgeroeid. Te beginnen met de tribunes. De heer G. (zoals meneer Gordelroos verder genoemd wordt) dient zich bij de UEFA te verantwoorden voor de gevolgen van zijn opmerking. Hij vertelt dat het een grapje was. De UEFA-commissie wil weten of hij wel vaker van dat soort grapjes maakt en of hij er ook een weet die wel om te lachen is. Meneer G. doet zijn best, maar al snel blijkt dat hij geen grap weet te verzinnen, zonder daarmee een commissielid te beledigen.
Terug uit Zürich, moet de heer G. bij Sonja (Barend) op het matje komen. Voor De Jonge een mooie gelegenheid om van de verhaallijn af te wijken. Hij speelt enkele gesprekken tussen Sonja en haar gasten na.
Als de heer G. eindelijk aan de beurt is, vraagt Sonja hem: 'Waarom?' De heer G. begint te vertellen over zijn vader die in een Duits werkkamp heeft gezeten. In dat dezelfde kamp zat ook een heer Wiesenthal, die om merkwaardige redenen, door de kampleider, de heer Waldheim, de hand boven het hoofd werd gehouden. Deze Waldheim sarde echter de heer Wiesenthal door elk half uur door de luidsprekers van het kamp te roepen: 'Telefoon voor de heer Wiesenthal, wil hij zich in verbinding stellen met de heer Waldheim.' Iedere keer weer sjokte de heer Wiesenthal dan naar het kantoor van de heer Waldheim om daar te horen dat zijn moeder uit Dachau had gebeld, maar dat de muntjes op waren.
Als hij 's avonds de slaapzaal binnenkwam, was de heer Wiesenthal gebroken. Toch vond hij nog de veerkracht en de moed om te roepen: 'Telefoon voor de heer Waldheim, wil hij zich in verbinding stellen met de heer Wiesenthal.' Daarbij lachte hij dan zo aanstekelijk dat alle mensen in de slaapzaal meelachten. En zo zijn ze de oorlog doorgekomen.
Toen de vader van de heer G. terugkeerde uit de oorlog, wilde hij nergens meer iets mee te maken hebben. Er werd thuis geen krant gelezen, een radio hadden ze niet en wanneer er binnen het gezin iets mis dreigde te gaan, zei vader telkens weer: 'Telefoon voor de heer Waldheim, wil hij zich in verbinding stellen met de heer Wiesenthal.' Vervolgens ging het gezin met hernieuwde energie hun relatief kleine probleempjes te lijf.
De heer G. gebruikte op zijn beurt deze zin weer op die bewuste woensdagavond, toen het tweede doelpunt voor Ajax maar niet wilde vallen. Hij hoopte dat datgene wat vroeger thuis werkte, ook in het stadion zijn nut zou bewijzen.

Dus u kunt zich mijn verbazing voorstellen toen ik van de voorzitter na afloop van de wedstrijd hoorde dat die Simon Wiesenthal na de oorlog de grote nazi-jager was geworden. (...) Wat mij nog meer verbaasde, was dat dat secreet van Waldheim, die misschien wel nooit iemand persoonlijk met zijn handen gewurgd had, maar die toch duizenden doodvonnissen had laten passeren, dat zo iemand die ze na de oorlog standrechtelijk hadden moeten fusilleren of in het geval dat men dat om welke onvergeeflijke redenen dan ook had nagelaten de man zich levenslang onzichtbaar moeten maken, dat zo'n sujet, zoals de voorzitter me vertelde, nog de kans krijgt om secretaris-generaal van de Verenigde Naties te worden en later president van zijn eigen land. Oostenrijk.

Sonja vindt dit een mooi verhaal, maar gelooft er geen sodemieter van. Vanaf dit moment is de heer G. een getekend man. Er rest hem niets anders dan bij de hulpverlening aan te kloppen. Zodoende komt hij in de wachtkamer terecht.

De wachtkamer is voor De Jonge opnieuw een mooie gelegenheid om van zijn verhaal af te wijken. Hij brengt allerlei sketches die min of meer met de wachtkamer te maken hebben, waaronder een hommage aan het duo Snip en Snap. Een andere gaat over 'de rij'. Het is een lied, gezongen door een soldaat die in de rij voor een bordeel staat, met als thema 'wie volgt wie?'
Aan het einde van de voorstelling blijkt ook de heer G. in een rij te zijn terechtgekomen. Aanvankelijk bevond hij zich aan het einde van de stoet. Geen tijd om iemand anders te helpen, te bang om op achterop te raken. Vervolgens belandde hij in het gedeelte van de stoet waar hij meer werd voortgeduwd dan dat hij zelf nog liep. Voor hem hoorde hij mensen schreeuwen: 'terug', maar er was geen terug. Op een gegeven moment behoort ook de heer G. bij diegenen die 'terug' schreeuwen. Maar een kans om te ontsnappen is er niet. Hij wordt door de rij achter hem de zee ingeduwd.
Behalve voor het fictieve personage de heer G. geldt de beeldspraak van 'de rij' voor ieder mens. We gaan allemaal onherroepelijk onze ondergang tegemoet. We kunnen proberen ons hiertegen te verzetten, maar het is prettiger om je gewoon door de rij te laten meevoeren. Het eindpunt blijft hetzelfde, maar de reis wordt een stuk aangenamer:

De drenkeling die zich onder water heeft overgegeven aan zijn lot
zwemt een gelukzalige dood tegemoet
De drenkeling die woest watertrappend
het hoofd boven water tracht te houden
wachtend op de reddingsboei
sterft duizend doden.

De heer G. staat ook voor de mensheid in het algemeen. We zijn met zijn allen in een rij terechtgekomen die ons rechtstreeks naar de ondergang voert, zonder dat er nog een weg terug is. Deze zienswijze heeft De Jonge ook regelmatig in interviews verwoord en in de lezing 'Aap Noot Mies', opgenomen in de bundel Losse nummers (1992), verkondigt hij deze opvatting eveneens. Een somber beeld? Zeker. Gelukkig heeft De Jonge in de epiloog nog een troostrijk en humorvol lied voor het publiek in petto, getiteld: 'Leven na de dood.' Het is een bewerking van Bob Dylans nummer Death is not the end. Jaren later, in 1997, wordt dit nummer, met nieuwe, aan de actualiteit aangepaste coupletten, De Jonges eerste nummer één hit.

Heb je je doodsangst overwonnen
Wordt het alle dagen feest
Dus vandaag nog maar begonnen
Voor je het weet ben je er geweest

(door Pascal Klaassen)