De Estafette

In november 1992 breekt Freek de Jonge zijn been tijdens een vriendschappelijk partijtje voetbal. Dit voorval drukt een belangrijke stempel op de oudejaarsconference van dat jaar: De Estafette. Ten eerste wordt De Jonge zichtbaar in zijn bewegingsvrijheid beperkt. Een invalidewagentje en een stel krukken bieden slechts in beperkte mate hulp. Ten tweede zijn bijna alle decorstukken, net als De Jonges been, met wit verband ingepakt. Dit is laatste is tekenend voor De Jonges ideeën over theatermaken. Alles wat er op het podium en in de zaal gebeurt en/of te zien is, dient in de voorstelling te worden betrokken. Door alles in wit verband in te pakken, maakt ook zijn gebroken been actief deel uit van de voorstelling. Had De Jonge geprobeerd om zijn gebroken been te verbloemen, dan was het waarschijnlijk een passieve stoorzender geworden.
Het belangrijkste beeld in De Estafette is het doorgeven van het stokje; aan de volgende hardloper, de volgende caberetier en de volgende generatie. Dit doorgeven gaat vergezeld met verschillende angstbeelden. Het eerste angstbeeld heeft betrekking op de hardloper:

Je staat in de startblokken
je hoort: op uw plaatsen
je komt overeind, het startschot klinkt, je wilt vertrekken
maar je zit vast
Links en rechts schieten de atleten weg
in de verte zie je degene aan wie je
het stokje had moeten overhandigen
je probeert het te relativeren
maar je zit tot je strot vol met anabolen steroïden
Je ogen dwalen af in de richting van de starter
die je aankijkt met een blik van:
ik zal hem toch niet geraakt hebben?

Het volgende angstbeeld heeft betrekking op de cabaretier:

Het doek gaat open, je komt op
Of liever gezegd: je komt op en het doek gaat open
nog zo'n angstbeeld
dat je opkomt en het doek gaat niet open
dan ga je af

In 1982 nam Freek de Jonge het stokje behorend bij de oudejaarsconference over van Wim Kan. Ten tijde van De Estafette wordt hier en daar de vraag gesteld of het niet langzaam tijd wordt dat hij het stokje weer afgeeft. Bijvoorbeeld aan Youp van 't Hek, die een paar jaar eerder al met veel succes een oudejaarsconference hield. De Jonge maakt echter duidelijk dat er volgens hem geen geschikte kandidaat te vinden is om het stokje aan over te geven:

Je hebt tachtig meter gelopen op volle snelheid
je bent aanvankelijk begonnen met een achterstand
maar die heb je door een enorme krachtsinspanning
weten om te bouwen in een subtiele voorsprong
en je ziet opeens degene aan wie je het stokje moet geven
en je denkt: Aan die sukkel?
daar gaat mijn prachtige voorsprong
en op het moment dat je bij hem bent aangekomen
duw je hem opzij en je zegt: Lazer op
en je gaat, je gaat voor goud!
Onderweg word je gediskwalificeerd

De hardloper hoorde het startschot niet, de volgende cabaretier is niet goed genoeg en ook wat betreft het doorgeven van het stokje aan de volgende generatie ziet De Jonge de nodige problemen. Zijn angstbeeld komt erop neer dat er helemaal geen stokje meer zal zijn om door te geven. Het stokje wordt een nachtkaars die langzaam uit zal gaan, of wellicht niet eens.
De Jonge gebruikt De Bijlmerramp, die in het jaar voorafgaand aan de voorstelling plaatsvond, om te laten zien wat voor een belangrijke plaats televisie in onze samenleving inneemt en hoe onecht onze gevoelens daarmee zijn geworden. De Jonge speelt achtereenvolgens een nieuwslezer, een verslaggever op de markt in Veenendaal, een jongeman in het ghetto, een slachtoffer, een ooggetuige en tot slot weer een nieuwslezer. Al deze scènes worden afgesloten met een strofe uit het gedicht 'krokodilletranen', dat in de bloemlezing De rode draad (1995) in zijn geheel is opgenomen:

Krokodillen huilen pas
bij het zien van krokodilleleer
Soms zien zij in een damestas
een geliefde, broer of zuster weer
Maar wij voor de buis gezetenen
plengen vrijgekomen met de schrik
liters krokodilletranen

Papegaaien huilen pas
als een ander zegt wanneer
Verdriet is voor hun een kunstje
dat ze eens is aangeleerd
En wij voor de buis gezetenen
vrijgekomen met de schrik
stikken in het leedvermaak
met een papegaaiesnik

Struisvogels huilen pas
met hun kop onder het zand
Want hij weet dat hij zich aanstelt
en dat vindt hij heel gênant
Maar wij voor de buis gezetenen
steken de kop niet in het zand
Zwelgend van zelfmedelijden
duiken we in de uienmand

Blinde vinken huilen pas
als hun leven is vergald
door het falen van de slager
als de schel hen van de ogen valt
Maar wij voor de buis gezetenen
weldoordronken goed doorvoed
huilen als we een kind zien imiteren
dat het zijn favoriet nadoet

Dove kwartels huilen pas
als hun ellende is gestoeld
op een stuk eigen ervaring
dat ze zelf hebben gevoeld
Maar wij voor de buis gezetenen
ongehoord en dolgedraaid
huilen alleen bij de Suprise-show
als ons een oor wordt aangenaaid

Volgens De Jonge gaat het leven van de televisiekijker als een nachtkaars uit. Zittend voor de buis hoop je op een ramp of misschien een wonder, maar al die hoop is ijdel. Je wacht en je wacht, maar er gebeurt niets.
Deze gedachte geeft De Jonge vorm aan het einde van De Estafette. Tijdens avond voerde hij de spanning steeds verder op, maar op het einde ontlaadde deze zich niet in een climax. Integendeel, er gebeurde helemaal niets. Zelfs het antwoord op de steeds opnieuw gestelde vraag 'hoe noem je een man die het met een vrouwencondoom doet?' werd niet gegeven. De Esfatte eindigt met De Jonge die probeert om een kaars, die met een kandelaar op zijn hoofd zit gebonden, uit te blazen. Hetgeen maar niet wil lukken. Zelfs de nachtkaars wil niet uit.
En terwijl men hier naar zat te kijken (ongetwijfeld hopend op its fantastisch), was het nieuwe jaar al begonnen.

Het beeld dat De Jonge van de wereld heeft, is niet erg optimistisch. Daar staat tegenover dat humor het belangrijkste materiaal is waarmee dat beeld gestalte wordt gegeven. Met De Estafette laat De Jonge (opnieuw) zien hoe de lach gebruikt kan worden als basis voor een overweldigende voorstelling. Wat dat betreft behoort het stokje eigenlijk ook aan niemand anders toe.

(door Pascal Klaassen)