De Tol

In 1994 maakt Freek de Jonge samen met zijn vrouw, Hella de Jonge, een rondreis door Azië, Nieuw-Zeeland en Australië. Tijdens deze reis verzorgt De Jonge diverse optredens voor landgenoten die daar als zendelingen, zakenmensen en ontwikkelaars hun werk doen. Deze optredens, die vooral door improvisaties ontstonden, vormen later de basis voor de theatervoorstelling De Tol, waarmee De Jonge van november 1994 tot en met september 1995 langs de Nederlandse schouwburgen trekt.

In De Tol zit één van de meest hilarische conferences die De Jonge ooit maakte. In die tijd plaatste de NS met grote regelmaat een paginagrote advertentie in de landelijke dagbladen, waarin men aan de reizigers duidelijk probeerde te maken dat ze vanaf 1 januari 1996 met een 'andere trein' zouden gaan reizen. In de voorstelling pakt De Jonge deze advertentie erbij en analyseert hem regel voor regel. Hij doet dit zo grondig dat de tekstschrijver van die advertentie zelfs nu nog met regelmaat 's nachts badend in het zweet wakker zal worden.

Verder heeft De Jonge het in De Tol onder andere over Blote billen in Bangkok (waarin een heilsoldate zich van haar kleding ontdoet en op verrassende wijze met drie dartpijltjes evenveel ballonnen laat knappen), de watersnoodramp in Limburg (waarin De Jonge en zijn vrouw datgene wat het RTL-journaal laat zien aan Zwitsers proberen uit te leggen) en het Kabuki-theater (waarin een diplomatenvrouw kaartjes voor een theatervoorstelling weet te bemachtigen, op een wijze die De Jonge zozeer met plaatsvervangende schaamte vervult, dat hij ten einde raad voorstelt een paar kabuki-boekies te kopen, om zelf, heel langzaam, met de plaatjes uit dat boek over de tafel te gaan schuiven). Daarnaast vertelt De Jonge twee gedichten. Het eerste gaat over een fantast die zo in zijn fantasie opgaat dat hij voor buitenstaanders onverstaanbaar wordt, het tweede gaat over de pijn die denken kan veroorzaken.

In de opsomming hierboven is De Jonges conference over zijn ervaringen bij Het Nationale Toneel nog niet ter sprake gekomen. In het jaar voorafgaand aan De Tol liep De Jonge stage bij dit repertoiregezelschap. Hij speelde de Nar in Shakespeare's toneelstuk King Lear. In De Tol vertelt De Jonge hierover, waarbij de vraag 'zijn of spelen?' centraal staat.

De auteur die in King Lear de koning speelt, komt op de eerste dag van de repetities op zijn fiets aanrijden. Hij doet dat zo waardig en vol elan dat er geen twijfel over mogelijk is: hij is de koning. Dezelfde uitstraling houdt hij avond aan avond op het toneel. Totdat op een gegeven dag een doos papieren, die de koning nodig heeft, niet zijn waar ze horen te zijn. Plotsklap is de koning niet meer dan een stotterende boerenlul. Volgens de filosofie van De Jonge had hoofdrolspeler de papieren nodig om de koning te kunnen zijn. Indien hij de koning had gespeeld, had hij ook kunnen spelen dat de papieren er waren geweest.

Hiermee geeft De Jonge een belangrijk verschil aan tussen auteurs in een toneelstuk en zichzelf in zijn theatervoorstellingen. Op het toneel zijn auteurs diegenen die ze spelen, De Jonge speelt veeleer diegene die hij is. De eersten zitten vast in een van te voren bedacht stramien, De Jonge houdt altijd de mogelijkheid open om te reageren op datgene wat om hem heen gebeurt. In een interview zegt hij er het volgende over: 'Ik ben geneigd te reageren op wat er gebeurt. Ik moet bijvoorbeeld een zak opblazen en laten knallen en kon vanavond de opening niet van elkaar krijgen. Ik heb me echt moeten vermannen, want dat is een aanleiding om af te dwalen. En dat is wat ik beoefen: de kunst om af te dwalen. Ik had tegen het publiek willen zeggen: kom na afloop even naar de overkant, naar het Nieuwe de la Mar-theater, dan laat ik alsnog zien hoe ik van zo'n moment zeker een half uur theater weet te maken. De neiging het hier-en-nu uit te buiten is acteurs vreemd, hun concentratie is totaal anders dan de mijne. Ze letten op elkaar, zijn dienstbaar aan het stuk en aan de regie en negeren onverwachte incidenten van nature.'

Als epiloog vertelt De Jonge nog een aardig verhaal over zijn buurman die dacht dat hij God was. De Jonges vader heeft al meerdere malen geprobeerd zijn zoon duidelijk te maken dat God in de hemel woont en niet aan de overkant, maar zijn opvoeding had in zoverre gefaald, dat De Jonge dat graag zelf eens wilde bekijken. Op een zondag, als hij met de zoon van de overbuurman aan het spelen is (ze spelen 'over water lopen' en 'kruishangen'), komen twee verplegers de buurman halen om hem naar een gekkenhuis te brengen. De Jonges vader vraagt aan zijn zoon of hij nu zelf gezien heeft hoe het zit. De Jonges antwoord is dat hij gelooft dat hij weet hoe het zit:

De fantast mag dan God niet wezen
Ik blijf voor altijd zijn profeet

De Jonge geeft hiermee aan dat hij meer voelt voor de fantasie van zijn overbuurman, dan voor de vastgeroeste mening die zijn vader in dit verhaal heeft. Toch bleek eerder in het gedicht 'de fantast' dat wie te zeer in zijn eigen fantasie opgaat op een gegeven moment onverstaanbaar wordt. Gezegd kan worden dat De Jonge een grote liefde voelt voor de fantasie, maar dat deze ook weer niet te ver moet worden doorgevoerd. Hijzelf schreef het in de begeleidende band bij de videoregistratie van De Tol als volgt op:

Als de fantasie op hol slaat, voel ik mij net zo ongemakkelijk als wanneer de rede als enige weg gevolgd wordt.

Al met al is De Tol een zeer evenwichtige voorstelling, die de moeite van het herkijken zeker waard is. Voornamelijk vanwege de vele hilarische momenten, maar ook door de gedachten die achter de verschillende conferences schuilgaan.
Zelf schreef De Jonge over De Tol:

[ik heb] het idee dat door de combinatie van zijn en spelen die ik nu op het toneel gevonden heb, me nauwelijks meer hoef te forceren. Deze rust biedt de mogelijkheid om ongerept te experimenteren met vorm en inhoud, waardoor een achteloosheid ontstaat die door het publiek als weldadig wordt ervaren.

(door Pascal Klaassen)