|
Het Luik
Bij alle theatervoorstellingen van Freek de Jonge is te zien dat
er veel aandacht aan de vormgeving is besteed. De decors, de attributen,
het licht en de begeleidende muziek zijn altijd zeer nadrukkelijk
aanwezig. Nergens worden ze als louter aankleding gebruikt. Integendeel
zelfs, ze spelen een belangrijke rol binnen de voorstelling. Het
is overigens Hella de Jonge (Freeks vrouw) die voor een belangrijk
deel verantwoordelijk is voor de vormgeving.
Een van de vele themas binnen de voorstellingen van De Jonge
is het Geheim van het leven. Kort samengevat komt het erop neer
dat we het Geheim van het leven niet kennen en ook niet moeten willen
kennen. In plaats van het Geheim proberen te ontrafelen en te willen
bezitten, doen we er beter aan dit Geheim te eren. Kunstenaars kunnen
daarbij een belangrijke rol spelen. Zij zijn het die aan de lege
materie zin moeten geven door er mythes omheen te creëren.
In zijn voorstellingen gebruikt De Jonge regelmatig decorstukken
om dit te illustreren. Ten eerste blijken deze vaak geheimen te
bezitten, zoals de op elkaar gestapelde kistje in De Tol (1984),
waarmee De Jonge eerst goochelt en die later allerlei geluiden blijken
te kunnen voortbrengen. Ten tweede veranderen de decorstukken binnen
een voorstelling regelmatig van betekenis. Het beste voorbeeld hiervan
vind ik de manier waarop De Jonge tijdens De Goeroe & de Dissident
(1988) gebruik maakt van zeven tafels. Deze tafels zijn van verschillende
hoogte en grootte en in wisselende rankschikking verbeelden ze eerst
een trap naar een jazzkeldertje, dan een lange verlaten weg en tot
slot een hoge berg die moet worden beklommen.
Al met al is het gerechtvaardigd om te zeggen dat, daar waar het
meeste cabaret ook (om niet te zeggen: beter) tot zn recht
zou komen in cafés en achterafzaaltjes, er voor de
voorstellingen van De Jonge eigenlijk maar één plaats
is: Het Theater.
Dit alles geldt zeker voor De Jonges oudejaarsconference uit 1996:
Het Luik. In deze voorstelling komen de attributen zelfs uit de
lucht vallen, eerst een winkelwagentje, later een beeld van een
wel zeer wanhopig uitziend persoon.
In Het Luik staat er een grote, toneelvullende doos op het podium.
Bij aanvang van de voorstelling is deze dicht. Doordat er aan zowel
de voorkant, als de achterkant van de doos een groot venster is
uitgesneden, kunnen we de steen zien die achter de doos hangt. De
Jonge staat naast die steen en houdt zijn rechterhand er een paar
centimeter onder. En terwijl we Bob Dylan Everybody must get
stoned horen zingen, duwt hij heel langzaam de steen omhoog,
zonder dat hij deze aanraakt.
Bovenstaande scene zit vol met vooruitwijzingen naar latere momenten
in de voorstelling, waarin met name voor de steen een
hoofdrol is weggelegd. Zo loopt De Jonge tegen het einde van Het
Luik, na het nuttigen van de nodige sterke drank, wat pillen, koffie
en marihuana, stoned over het toneel. Dit in navolging
van een experiment waarbij men deze stoffen aan spinnen had toegediend,
om te zien wat de invloed hiervan was op het spinnen van de webben.
De Jonge laat eerst de fotos van de resultaten zien en neemt
dan zelf deze stoffen tot zich om te kijken wat hun invloed op zijn
conference is.
De verwijzing naar de parabel die De Jonge in Het Luik vertelt,
is echter nog duidelijker. Deze gaat namelijk over de steen.
Daarnaast krijgen ook andere voorwerpen uit eerdere momenten van
de voorstelling in deze parabel weer een plaats.
Lang gelden toen de mensen nog nomaden waren, stond er bij de monding
van de drie rivieren een reusachtige steen. Toen de nomaden deze
steen zagen, besloten ze hun zwervend bestaan op te geven en zich
blijvend bij deze steen te vestigen. Dit was het begin van het Stenen
Tijdperk.
Toen de nomaden niet meer zwierven, kregen ze te maken met een
nieuw fenomeen: vrije tijd. Aanvankelijk wisten ze niet wat ze daar
mee moesten en zo ontstonden er ruzies, roddels en ledigheid. Daarom
kwam er al snel behoefte aan een bindend element. Dat werd gevonden:
men verdiepte zich in de mythe van de steen.
Deze was ooit uit de lucht komen vallen en daarmee het symbool
geworden van het machtigste natuurverschijnsel dat er maar te bedenken
viel: de zwaartekracht. Volgens de ex-nomaden huisde de ziel van
de god van de Zwaartekracht in de steen. Al hun vrije tijd besteedden
ze aan pogingen om deze ziel tevreden te stellen. Hiervoor gebruikte
men rituelen. Zo gooiden ze allerlei attributen in de lucht, waaronder
vrouwen en kinderen, en keken ze toe hoe alles weer naar beneden
viel.
Het enige dat niet viel, maar juist omhoog bewoog, was rook. En
waar rook was, moest vuur zijn. Wat bleek: als men twee stenen tegen
elkaar ketste, gaf dat vuur. De ex-nomaden stookten een vuurtje,
legde daar gedroogd gras in te smeulen en staken er twee rietstengels
in. Vervolgens zogen ze de rook naar binnen. Zo bedwelmden ze de
kwade geesten in het lichaam. Na het uitblazen van de rook, werd
men licht in het hoofd. Men ontsteeg als het ware de zwaartekracht
en uiteindelijk werd men één met de steen: stoned.
Alles veranderde toen er op een dag een man over het water kwam
aanlopen. Ook al hadden de vuursteners op hun trips
veel gezien, dit hadden ze nog nooit meegemaakt. Deze man had zo
zijn eigen theorie over de oorsprong van de steen. Hij beweerde
dat deze zou zijn geworpen door iemand zonder zonde, daar het de
eerste steen was. Daar kwam bij dat hij zichzelf de zoon van de
werper noemde. Tegen zoveel spotternij waren de vuursteners niet
opgewassen en ze besloten de man te stenigen.
Dit mocht echter niet baten, want al snel daarna kwamen er allerlei
bootjes aangevaren, met daarin mannetjes die divers gereedschap
bij zich droegen. Deze mannetjes begonnen op de steen in te bikken,
omdat die vol brandstoffen en mineralen zou zitten. Grondstoffen
die aan de andere kant van het water schijnbaar iets te betekenen
hadden.
De vuursteners die zich hiertegen verzetten, werden het bos ingejaagd,
neergeschoten of aan de andere kant van het water verhandeld als
verslaafden. Toen de steen tenslotte geheel geëxploiteerd
was en er niets meer van restte dan een klein bergje grind, was
men aan de andere kant van het water zo liberaal geworden dat de
verslaafdenij weer kon worden afgeschaft. De vuursteners
konden echter hun land niet meer terugvinden, bij gebrek aan een
oriëntatiepunt.
En zo zien wij tot aan vandaag de dag, hoe in de grote wereldsteden
verslaafden hun winkelwagentjes voortduwen. Ze wonen in kartonnen
dozen en bewegen zich te midden van mensen die winkelwagentjes vol
met kartonnen dozen voortduwen. Mensen die zich te pletter vervelen.
Mensen die zich geen raad weten met hun vrije tijd. Mensen die geen
rituelen meer hebben, kortom: sportliefhebbers.
Met deze laatste opmerking stelt De Jonge zich in staat om de
parabel van de steen naadloos over te laten gaan in het verhaal
van de Ajax-speler, die een prima voetballer was, zolang hij maar
achter de bal bleef. Zo rijgt hij in Het Luik de parabels, de anekdotes,
de flauwe moppen en de sterke, lange verhalen moeiteloos aan elkaar.
Een grote diversiteit aan onderwerpen passeert daarbij de revue;
onder andere: Michael Jackson, Rood Hoofddoekje, de billendokter,
het bos van Antwerpen en Freeks oude schoolkameraad Wessel. Maar
ook de parabels, anekdotes, flauwe moppen en de sterke, lange verhalen
zelf zijn tijdens de voorstelling onderwerp van gesprek.
Zoals gezegd weet De Jonge zich moeiteloos van het ene onderwerp
naar het andere te bewegen en indien nodig: ook weer terug. In Het
Luik vormen de improvisatiewoorden elektrische heggeschaar
en nepreiger daarbij een steeds terugkerend motief.
De steen is het alles verbindende symbool.
Al met al lijkt het mij gerechtigd om te zeggen dat Het Luik De
Jonges meest hechte oudejaarsconference tot dan toe is. Een opvallende
constatering voor wie weet dat zijn reguliere theatervoorstellingen
met de jaren steeds losser van opzet worden. De oudejaarsconferences
tot en met Het Luik bewegen zich juist in tegenovergestelde richting.
(door Pascal Klaassen)
|