Hella en Freek over Hartschade

Freek interviewt Hella over haar boek Hartschade. Na afloop signeert Hella.

Freek interviewt Hella over Hartschade

In ‘Hartschade’ vindt Hella de Jonge zichzelf terug in een ziekenhuis aan de monitor: hartaanval. Als de goede bedoelingen van de specialisten haar tot een gevangene van een systeem dreigen te maken, komt ze in opstand. Ze gaat op zoek naar de oorzaak van haar fysieke problemen en wat haar drijft. Dit leidt tot ontroerende gesprekken met haar dochter, beiden hebben een kind verloren, en soms confronterende, maar ook hilarische bezoeken aan haar vader.

Dit boek getuigt van een gevecht om geen patiënt te worden maar mens te blijven.

Hella signeert en Freek interviewt Hella over haar boek.

 

2011 – Kijk dat is Freek!

Oeuvreboek ‘Kijk dat is Freek’


Een zeer compleet overzicht met beschrijvingen van alle voorstellingen, met foto’s en met conferences en liedteksten. Een monumentaal werk!



Het boek is te koop na afloop van de voorstellingen en wordt dan door Freek gesigneerd.

2006 – De Toeschouwer

Op 11 december 2006 houdt Hella de Jonge in De Balie te Amsterdam de jaarlijkse SLAA-lezing. SLAA staat voor Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Zij vertelt over grenzen: ze gesteld krijgen, ze overschrijden en ze zelf opnieuw stellen. Oftewel: het Los van de wereld komen, wat de titel is van haar eerder dat jaar verschenen literaire debuut. Ze wordt vervolgens geïnterviewd over haar boek en tot slot zingt Freek de Jonge liedjes, waarbij hij zichzelf begeleidt op piano, bijgestaan door Cok van Vuuren op gitaar.

Freek de Jonge in de schaduw dus van zijn vrouw, die eerder zelf in zijn schaduw stapte door haar kunstzinnige talent aan het zijne op te offeren, zoals door het ontwerpen en maken van kleding, decors en belichting. Met haar boek verlegt Hella de Jonge haar grenzen. Of zoals zij letterlijk in haar lezing zegt:

In mijn werk legde ik mijzelf nooit grenzen op, daar werd ik vanzelf door de techniek begrensd. Als ik bijvoorbeeld een vrouw op één teen op een schildpad wilde laten dansen, kon dat niet. De massa van de klei zorgde ervoor dat ze omviel. De essentie voor de kunstenaar is het zoeken naar de uiterste grens tussen het mogelijke en onmogelijke. In de loop der jaren heb ik bij het maken van kostuums, rekwisieten en decors door het verzamelen van materiaalkennis en door telkens naar nieuwe vormen te zoeken mijn grenzen steeds verder kunnen verleggen. Het boek werd zo’n nieuwe vorm. Tijdens het schrijven merkte ik dat ik op dezelfde manier bezig was een beeld te scheppen als met klei. Eerst het staketsel construeren en daaromheen het lichaam boetseren, vervolgens met het mes delen afsnijden en verplaatsen tot een evenwichtig geheel ontstaat.

Ook in het theater is zij dan even niet de vrouw achter het licht, maar de vrouw in het licht. Het kabinet is gevallen, de verkiezingen zijn met een half jaar vervroegd en Freek de Jonge’s verkiezingsconference De Stemming 2006 dus ook. De tournee die voor De Stemming gepland stond tot en met mei 2007 gaat gewoon door, maar dan met twee andere voorstellingen: eerst Hella en Freek de Jonge lezen voor uit eigen werk en daarna De Toeschouwer.

Op 28 november 2006, een week na de rechtstreekse tv-uitzending van De Stemming 2006, start Hella en Freek de Jonge lezen voor uit eigen werk. Daarin staat in het deel voor de pauze haar roman Los van de wereld centraal. En in de tweede helft zijn boek De Toeschouwer, een nieuwe bundeling van zijn thea­terteksten tot en met 2006. Hella en Freek de Jonge lezen voor uit eigen werk loopt naadloos over in De Toeschouwer, welke voorstelling Freek de Jonge van februari tot mei en vervolgens ook nog in oktober 2007 zal spelen. Ook dat programma is opgebouwd rond die gebundelde theaterteksten. En tijdens die reprise van De Toeschouwer start hij met alweer een nieuw programma: De Laatste Lach.

In haar romandebuut Los van de wereld verhaalt Hella de Jong over haar joodse ouders: Eli Asser en Eva Croiset. In de oorlog verliezen die nagenoeg iedereen die hen dierbaar is, terwijl ze zelf overleven door weg te vluchten van de zieken voor wie ze zorgen. Hun leed dragen ze altijd met zich mee, ook al wordt Eli Asser een gevierd tekstschrijver en ook al hebben ze veel sociale contacten. Juist in de beslotenheid van het gezin komen het verdriet en zeker ook de symptomen van een ernstig oorlogstrauma tot uiting. Van de drie kinderen lijdt Hella daar het ergst onder, terwijl haar ouders zich geen raad weten met hoe zich dat uit bij haar, zoals door niet te eten. Ze bloeit op als ze viool kan spelen en goed gaat dansen. Op haar zeventiende moet ze uit huis, gaat op zichzelf wonen, ontmoet Freek de Jonge en trouwt met hem. Als jaren later hun tweede kind sterft, zoekt Hella troost bij haar moeder. Dan blijkt dat voor haar moeder zelfs dit verdriet niet op kan tegen de herinneringen aan die vreselijke oorlog. De afstand tussen moeder en dochter laat zich niet meer overbruggen. Tijdens de begrafenis van hun moeder noemt Hella’s zus haar medeverantwoordelijk voor de dood van die moeder. In die schokkende gebeurtenis vindt dit boek zijn oorsprong. Maar meer nog dan als een verhaal over haar verleden, laat Los van de wereld zich lezen als een eerbetoon aan het leven dat zij nu leidt, aan de overwonnen pijn, het overwonnen verdriet.

Hella en Freek de Jonge lezen voor uit eigen werk begint met Freek de Jonge die, bijgestaan door zijn vier vaste muzikanten, De vondeling van Ameland zingt. Dan introduceert hij Hella de Jonge met een anekdote over hun ontmoeting, waarna zij plaats neemt achter een tafeltje, passages uit haar boek voorleest en er tussendoor over vertelt. Zij introduceert op haar beurt violiste Emmy Verhey die, eerst als soliste en daarna in duet met Cok van Vuuren, muziek van Bach en Massenet vertolkt. Na drie kwartier komt Freek de Jonge oplopen, ‘want anders denken ze: waar blijft hij de hele tijd?’ Hierna beantwoorden ze samen vragen uit het publiek die, gezien het verloop van de avond tot dan toe, voornamelijk over Hella’s boek gaan. Daardoor krijgt de voorstelling ook de vorm van een boekpresentatie, wat het in wezen ook is en hoe het ook begon. Hella en Freek de Jonge hadden Emmy Verhey gevraagd te spelen bij een eenmalige voorleessessie in Naarden. Het succes van die middag leidt tot de vraag of ze wil meespelen tijdens een kort toertje.
Vanaf dat moment in de voorstelling nemen Emmy Verhey en vervolgens ook Hella plaats in de begeleidingsband van Freek in het liedrepertoire dat in zijn laatste voorstellingen centraal staat, zoals Doodsangst, En toen ik achttien was, Jerusalem, Srebrenica, De stem van vader, Vergeet mij niet en Wees niet bang (zowel op de nieuwe muziek van Robert Jan Stips als later op de melodie van Henk Hofstede), aangevuld met de Neerlands Hoop-klassieker De Muur. En hij leest of vertelt, vaak met amusante inleidingen vol uitweidingen, conferences uit De Toeschouwer, zijn nieuwe boek. Dat zijn heel oude (Vader onaneert weer en Slagboom, beide uit De Mars), recentere (De hoorn des overvloeds, uit De Grens, en Fabel en sprookje en Standbeeld, beide uit (Freek) Kortgehouden) en nieuwe, zoals Schriftlezing, afkomstig uit De Dienst van Freek.
En na ruim twee uur wordt het tijd voor de boekverkoop.

Nog tijdens de tournee van Hella en Freek de Jonge lezen voor uit eigen werk, in februari 2007, start hij met De Toeschouwer. In dezelfde bezetting, al laat Bart de Ruiter zich vervangen door Bart Wijtman, bassist van Ocobar, waarvan ook Cok van Vuuren deel uitmaakt. Maar dus ook deze keer met medewerking van violiste Emmy Verhey. Doordat Freek de Jonge de aandacht nu niet hoeft te delen met (het boek van) Hella, kan hij een veel ruimere keuze maken uit alle conferences en nu ook uit de langere verhalen uit zijn bloemlezing van theaterteksten. Binnen dit repertoire brengt hij tijdens de tournee ook naar hartelust wijzigingen aan, bijvoorbeeld vanwege de plaats waar hij speelt of actualiteit die zich aandient. Ook voor het gezongen repertoire is een nieuwe keuze gemaakt en ook die ligt niet vast.
In maart 2007 verschijnt Wees niet bang. Mijn 101 mooiste liedjes. Daarin is ook Lied van de oude geliefden (naar Brels Chanson des vieux amants) opgenomen. Hij zingt het lied, oorspronkelijk afkomstig uit Parlando (2002), in deze voorstelling elke avond rechtstreeks naar Hella toe, die hem op viool begeleidt. Zo krijgt zij ook in dit vervolg een ereplaats.

In oktober 2007 herneemt hij De Toeschouwer nog een maand, maar nu zonder Emmy Verhey. Zij wordt beurtelings vervangen door Ebred Reijnen en Herman van Haaren. Reijnen speelde onder meer bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest en Van Haaren bij het Metropole Orkest.
Op 16 oktober speelt Emmy Verhey wel nog één keer mee. In Muziekgebouw aan het IJ speelt Freek de Jonge De Toeschouwer eenmalig in grote bezetting: met ook medewerking van de Nits en Ocobar. Inmiddels is hij dan al, maar zonder ruchtbaarheid, aan De Laatste Lach begonnen.

COULISSEN

In haar SLAA-lezing, op 11 december 2006 in De Balie, leest Hella de Jonge fragmenten voor uit haar roman en vertelt zij erover. Vooral natuurlijk over haar ongelukkige jeugd als kind van ouders met een oorlogstrauma. De verschrikking daarvan ervaart zij onoverkomelijk als zij zelf haar kind verliest:

‘Dit mag je nooit gebruiken!’ Het leek of Freek het uitschreeuwde. Het bracht me aan het wankelen. Waar had hij het in godsnaam over? Het was het eerste wat hij zei, toen we verdwaasd tegenover elkaar op het duin in Texel stonden. Verscheurd door de schok. Grote, donkere wolken hadden zich rond mijn hoofd samengetrokken. ‘Wat bedoel je?’ ‘Dit mag je nooit gebruiken zoals jouw ouders de oorlog gebruikt hebben!’ (…)
Tijdens de reis naar Texel is ons kleine mannetje in de trein of in de bus, terwijl we hem nog lachend gefilmd hadden, in stilte vertrokken. Hij heeft niet meer gesnikt. Hij heeft niets meer van zich laten horen. Hij heeft zijn hoofdje in het kussentje van zijn kinderwagen gelegd en is zachtjes doodgegaan. En nu mocht ik zijn dood niet gebruiken? Verward stonden we tegenover elkaar op het duin. Mijn handen duwden Freek van me af. Ik wilde niet dat hij me nog verder aanraakte. Hoe kon hij zoiets zeggen? Het duurde vele jaren voor ik begreep wat hij op dat moment bedoeld had. Zijn woorden dreunden maar door mijn hoofd, maakten mij bang. Hoe kon hij dit vergelijken met de oorlog? Ik wilde immers niet zo zijn als mijn ouders.
Ik verkrampte. Heel langzaam begon het tot me door te dringen dat je je niet op leed kan laten voorstaan. Alle mensen lijden. Leed is iets waar je een vorm voor moet vinden. Leren de betrekkelijkheid ervan in te zien waardoor je anders naar het leven kan gaan kijken. Die ene zin daar op die duintop, waar grassprieten traag om mijn voeten bewogen, heeft me uiteindelijk het inzicht gegeven wat ik met mijn leed zou kunnen doen. (…)
Waar was je mama, toen ons kind op het witte satijn in zijn kistje lag? In zijn roze-rood gestreept kruippakje. Opgebaard op een grote tafel onder een reusachtig kruis dat zo schuin over hem heen hing dat het leek of hij er ieder moment onder bedolven kon worden. Werd er over hem gewaakt of was het de straf van God? Ik was altijd zo bang gemaakt voor het geloof en nu boog Jezus Christus zich behoedzaam en tegelijkertijd dreigend over ons kindje. Ik was nog zo jong en Jezus Christus zo kolossaal. Ben je toen al doodgegaan in mij, uit mijn gevoel verdwenen?
Waar was je, mama? Ik hield zo van je. Ik vond je zo mooi. Ik wilde altijd dicht bij je zijn. Het maakte me niet uit hoe vaak ik mijn doorslagwerkje uit moest halen. Ik wilde alles voor je doen. Ook al was jij boos, op de wereld, op mij. Je zat woest gespannen achter je naaitafel fanatiek steken door de stof te trekken. Jasje na rokje, na bloesje. Alles helemaal alleen voor jezelf. Om je aan de buitenkant mooier te maken terwijl je van binnen kookte.
Waar was je om mijn hand vast te houden toen we daar op dat eiland stonden met een dode baby? Ik had hem zo onnatuurlijk in zijn kinderwagen aangetroffen en hem hardhandig omgedraaid. Het was mijn baby niet meer. Zijn gezichtje was aan de ene kant wit en aan de andere kant paars. Hij werd door een vreemde uit mijn handen gehaald en verdween slap als een lappenpopje over een schouder het hotel in. Ik wilde naar huis. Alleen maar naar mijn huis. Veiligheid zoeken bij jou, mama. Tegen je aan kruipen, huilen bij jou, jouw oorlelletje vasthouden. Geen seconde ging de gedachte door me heen dat jullie mijn thuis niet meer waren. Dat je me misschien nooit een thuis hebt kunnen geven, omdat jullie zelf ontheemd waren.
Vertrokken voor een korte vakantie met z’n vieren, keerden we ontredderd met z’n drieën op de Zandhoek terug. Freek, onze kleine Roos en ik. Terug op de zwart-witte plavuizen die ik ooit een keer ondergekotst had. Je had me het stinkende braaksel zelf op laten ruimen.
Daar zat je, mama, als een bonk ijs. Tegenover je zat de huisarts, voor jou, moeder, om jouw bloeddruk te meten. Jij had al te veel meegemaakt, jij moest beschermd worden. Wat deed je dochter je nu weer aan? Dat kon je er niet meer bij hebben. Jij, mijn moeder, bleek een onvolwassen groot mens. Dit was niet meer mijn huis. Ik had me vergist. Ik had troost bij jou gezocht. Maar besefte nu dat ik die bij jou niet zou vinden. Ik had het gevoel dat ik moest kotsen. Ik moest die kamer uit. Weg van die zwart-witte plavuizen. Ik rende naar buiten, naar de brug. Ik had geen thuis.

En tenslotte trekt zij het door door het betekenis te geven in het heden:

Nadat het boek gepubliceerd was, kwam ik er via interviews achter dat ik geprobeerd heb het aanzien van de dood om te draaien zoals ik ons kind in de kinderwagen omdraaide. Wit. Paars. Ik wilde de dood een ander gezicht geven. Niet verdrietig blijven en mijn omgeving er mee belasten zoals ik gewend was. Het anders doen. Proberen opgewekt te leven met de dood. Door de dood niet uit de weg gaan. Op mensen afstappen. Durven praten, durven huilen. De dood aanvaarden. (…)
Vijfenvijftig jaar. Ik leef. Heb mijn angsten overwonnen. Heb het van mijn ziekte gewonnen. (…) Als ik naast mijn man in bed lig, mag ik mijn hoofd op zijn borst zonder haartjes leggen en me licht tegen hem aandrukken. Hij streelt mij zacht en weet precies waar mijn littekens zitten. Overal, over mijn hele lichaam. Hij doet mij geen pijn. Bemint mij, bemint zichzelf en staat mij toe mijzelf te beminnen.
Ik zoek zijn hand. Ik vind zijn hand. Zijn grote hand, mijn kleine hand. Ik knijp erin. Moet huilen. Mijn tranen smaken naar troost. Ik laat mij troosten, ik ben veilig onder de dekens. Ik duw hem niet weg, zoals ik op dat duin gedaan had. Ik krul me dicht tegen zijn grote lichaam aan. Ik streel de rimpels op zijn hoge voorhoofd. Kus zijn bijzondere hoofd waarin het brein voortdurend in beweging is. Ik wil hem troosten. Mijn natte tranen over zijn ingevallen wangen wrijven. Tranen van geluk. Omdat ik durf te blijven staan op het duin waarvan de top steeds hoger wordt. Ik sta tegen hem aan. Het duin begint langzaam te bewegen.
Ons kind zweeft boven ons op een wolk en wij cirkelen eromheen. Zoon, wat heb je ons veel gegeven. We zijn nog altijd bij elkaar. Wat heb je me veel geleerd. Geleerd dat een portret niet alleen de dood is in de kamer. Maar dat de dood ook lief kan zijn. Een wolk. Een baby.

Van 4 t/m 30 september 2007 is er een duotentoonstelling van Hella en Freek de Jonge in Galerie De Meerse, onderdeel van de Hoofddorpse Stadsschouwburg. Uit de perstekst:

Galerie De Meerse is trots om een zeer bijzondere primeur aan te mogen kondigen. Voor het eerst zullen Hella en Freek de Jonge hun gezamenlijke beeldende kunst exposeren. De tentoonstelling die zij zelf samenstelden, omvat onder meer een serie van tien keramische mozaïeken die Hella en Freek samen hebben vervaardigd. Hiernaast zijn er verschillende kostuum- en decorfoto’s, prachtige beelden en een bijzonder theaterkostuum te bewonderen.
Uniek aan de tentoonstelling is dat er voor het eerst werk te zien zal zijn dat Hella en Freek de Jonge samen vervaardigd hebben. Uit rest- en afvalmateriaal creëerden zij grote kleurige mozaïektableaus van een meter bij een meter groot. De achtergrond van elk werk volgt telkens een gelijk patroon, terwijl op de voorgrond thema’s als beknelling en ontsnapping centraal staan.
De carrière van Freek de Jonge omvat sinds zijn Neerlands Hoop-tijd vele theatervoorstellingen, liedjes en conferences. Zijn vrouw Hella werkte hierbij steeds nauw samen met haar man als kostuum- en toneelbeeldontwerpster, violiste en muze. Hiernaast werkte Hella de Jonge ook aan haar eigen beeldende-kunstprojecten die los stonden van de theatervoorstellingen van haar man. Een voorbeeld hiervan zijn haar beelden van prachtig vormgegeven wezens die het midden houden tussen mensen en sprookjesfiguren. Hiervan zal een selectie te zien zijn op de tentoonstelling.
De tentoonstelling in Galerie De Meerse is tot stand gekomen in het kader van de jaarlijks terugkerende serie ‘Een theatermaker aan de muur’. Hierbij worden theatermakers uitgenodigd hun beeldende werk te exposeren.

De uitgave met gebundelde theaterteksten heet De Toeschouwer. Ook verschijnt De Toehoorder: een 2cd met repertoire (liedjes en enkele conferences) dat hij in april en mei 2007 heeft opgenomen tijdens optredens.
Februari 2012, precies zes jaar na Los van de Wereld, verschijnt bij Uitgeverij De Bezige Bij het tweede literaire boek van Hella de Jonge, getiteld Spring (werktitel). Spring vertelt haar levensverhaal: een verhaal over vriendschap, haar strijd met haar auto-immuunziekte en het oorlogsverleden van haar tante. Maar ook over de onverbrekelijke liefde en samenwerking tussen twee kunstenaars.

SPEELDATA

Hella en Freek de Jonge lezen voor uit eigen werk: 28 november 2006 t/m 6 maart 2007.
De Toeschouwer: 28 februari t/m 3 mei en 14 t/m 31 oktober 2007.

SPEL

Hella en Freek de Jonge lezen voor uit eigen werk: Hella en Freek de Jonge. Met Leon Klaasse (drums), Bart de Ruiter (bas), Robert Jan Stips (toetsen) en Cok van Vuuren (snaren). Gastmuzikante is Emmy Verhey (viool).

De Toeschouwer (februari – mei 2007): Hella en Freek de Jonge. Met Leon Klaasse (drums), Robert Jan Stips (toetsen), Cok van Vuuren (snaren) en Bart Wijtman (bas). En als gastmuzikanten Emmy Verhey en Hella de Jonge (beiden vioool).

De Toeschouwer (oktober 2007): Hella en Freek de Jonge. Met Leon Klaasse (drums), Robert Jan Stips (toetsen), Cok van Vuuren (snaren) en Bart Wijtman (bas). En als gastmuzikanten op viool afwisselend Ebred Reijnen en Herman van Haaren.

LICHT

Omdat Hella zelf op het podium staat, moet dat iemand anders doen, te weten Tom Telman, die al vanaf 1994 als lichtontwerper en decorbouwer betrokken is bij voorstellingen van Freek de Jonge. Net als Peter de Bruin maakt hij deel uit van de technische crew van de Nits en sinds Dankzij de Dijken is de samenwerking blijven bestaan.

PUBLICATIES

Tekst

Freek de Jonge: De Toeschouwer. Theaterteksten 1969-2006. Eerste druk, 2006; tweede druk, 2007. Het eerste deel van deze teksten (pagina’s 5 t/m 347) verscheen eerder als De Rode Draad (1995).

Hella de Jonge: Los van de wereld. Eerste t/m zevende druk 2006; achtste en negende druk 2007; tiende druk als pocketuitgave 2008 en elfde druk als grote-letterboek 2010.

Hella de Jonge leest Los van de wereld. 4CD-luisterboekuitgave (2007).

Hella en Freek de Jonge: Deca Trapezia (2009). Boekje rond tien keramische mozaïeken die Hella en Freek samen hebben vervaardigd. Nadat die in Galerie De Meerse zijn geëxposeerd, zijn ze aangekocht door het Duisenberg Auditorium van ­Rabobank Nederland. Het boekje is samengesteld door dochter Roos de Jonge en in opdracht van de bank gemaakt ter gelegenheid van de onthulling.

Geluid

2CD De Toehoorder (2007).

CDS Aandacht (2007).

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

2004 – Door de knieën

De verteller in ‘Door de knieën’ is uit het lood geslagen door de dood van zijn zoontje. Het verdriet heeft hem en zijn vrouw uiteengedreven: terwijl zij probeert het een plaats te geven in haar leven, is hij ervoor op de vlucht. Zijn bekendheid en roem benauwen hem steeds meer, hij is wanhopig op zoek naar vriendschap. Die denkt hij gevonden te hebben als hij de beeldend kunstenaar Jonas ontmoet, een Zeeuwse zonderling aan wiens eenvoud hij zich wil spiegelen. Lange wandelingen met Jonas’ hond, met een wonderlijke naam, leren hem naar zichzelf te kijken en de wurgende controle over zichzelf op te geven. De vriendschap lijdt een ontluisterende schipbreuk… Dan ontmoet hij Victor, een jongetje met de glimlach van Mona Lisa en een lijfje dat niet meer is dan een in lappen gewikkeld stompje. De verteller wil zijn leven aan hem wijden en reist hem tot in Zuid-Frankrijk na. In Lourdes, te midden van een hysterisch religieuze menigte, vindt de bizarre apotheose plaats.

Aldus Freek de Jonge op de flaptekst van deze roman. Op zijn website voegt hij daar nog aan toe:

Een verhaal over een worsteling met roem, de beknelling van het ego en een hunkering naar overgave – vitaal, surrealistisch en oprecht.

Door de knieën bevat veel autobiografische elementen. De hoofdpersoon is een bekende conferencier. Hij heeft in 2003 zijn eerste verkiezingsconference gehouden en is daar niet tevreden over. Hij heeft de kansen die er lagen niet gegrepen en overweegt nu een punt achter zijn carrière te zetten. Hij gaat op reis en piekert over wat hem dwars zit. Jaren daarvoor hebben zijn vrouw en hij hun zoontje van drie maanden verloren op Texel aan wiegedood. Het heeft hen uit elkaar gedreven en dat ligt aan hem, niet aan haar. De hele familie van haar joodse ouders is door de nazi’s vermoord. Haar ouders zijn erdoor veranderd, maar er geen beter mens van geworden. Zij schrijft hem: ‘Ik vond dat ik aan mijn dode kind verplicht was een beter mens te worden. Anders zou zijn dood zinloos zijn.’ Maar waar zij in die dramatische gebeurtenis een opdracht zag, is hij er juist van weggevlucht, vooral met zijn theaterprogramma’s, waarin hij de woorden sprak die hij thuis niet kon zeggen.
Hij kan zich als geen ander verbaal uiten op het podium, maar daarbuiten ontbreekt het hem aan het communicatieve vermogen zich emotioneel aan iemand te binden, zowel in de liefde als in vriendschappen, zo realiseert hij zich meer en meer. Daarom is hij zo gegrepen door fantast Jonas en ‘esotericus’ Victor, in wie hij zichzelf herkent, maar dat niet alleen. De laatste immers heeft het lijf van een baby en herinnert hem natuurlijk aan zijn gestorven kind. Als hij ermee in zijn armen staat, zegt hij: ‘Mijn kleine jongen, je leeft nog!’
Zelf laat hij, zoals in zijn verkiezingsconference, zijn diepgang en waarheid altijd bijsturen door zijn publiek, dat bovendien verlangt naar oppervlakkigheid en voor de essentie vlucht. Jonas en Victor zijn niet bij machte zich te laten leiden, al zal gaandeweg het boek blijken dat ‘het volk’ hen daarvoor zal laten ‘lijden’. Dat hemzelf die lijdensweg bespaard blijft, is omdat aan het einde van het boek zijn zoektocht ophoudt en zijn schuldgevoel oplost. Hij houdt niet de toespraak die men van hem verwacht, maar hij geeft zich, mede dankzij opnieuw haar inspanning, over aan de liefde voor zijn vrouw.

COULISSEN

Zijn eerdere boeken – van De Komiek (1980) tot De Hoekvlag (2000) – publiceerde hij bij Uitgeverij De Harmonie.
Freek de Jonge: ‘De vorige zomer heb ik vijf losse verhalen geschreven. (…) Daar ging ik niet mee naar De Harmonie, mijn uitgever sinds een kwart eeuw. De magie was daar uitgewerkt. Vroeger verkochten ze veertig-, vijftigduizend exemplaren van mijn tekstboeken, verhalen, columns en romans. De laatste jaren werd er hooguit nog één herdruk gehaald. Oek de Jong (…) bracht me in contact met Tilly Hermans van Augustus, die nu mijn nieuwe uitgever is.’ (Interview met Arjan Peters in de Volkskrant, 21 augustus 2004)

‘Samen besloten we toen een van die vijf verhalen te publiceren, een soort novelle over de autistische en ernstig gehandicapte jongen Victor. Dat vond ik toch wat dun. Daarna heb ik een ander kort verhaal, over de zonderlinge Zeeuwse beeldend kunstenaar Jonas, erbij genomen. Zo is Door de knieën ontstaan. Een roman. Die ik beschouw als iets hogers dan mijn theaterwerk. Sinds mijn jeugd kijk ik tegen schrijvers op. De toewijding van de grote Russen of zo iemand als Philip Roth: fenomenaal.’ (Interview met Arjan Peters in de Volkskrant, 21 augustus 2004)

‘Wat in de roman naar voren komt, is de begrenzing van de verbale vermogens van de hoofdpersoon. Ikzelf heb die ervaren in mijn verkiezingsconference van vorig jaar, De Stemming. Vijf kwartier kreeg ik de unieke gelegenheid ongebreideld mijn zegje te doen, aan de vooravond van de verkiezingen. Het resultaat was acceptabel, maar stelde mij teleur. Dat ik niet echt de diepte in durfde. Voor een deel reken ik dat mezelf aan en voor een deel de teneur in de samenleving, dat we elkaar alleen nog kunnen toespreken op een kinderachtig niveau. We dansen luchtig om de waarheid heen. Religie sterft hier af, het begrip van het hogere is over vijf generaties volledig uit de gedachten van de mensen verdwenen. Door de knieën gaat ook over hoe de mens God mist. Tenminste: ik mis Hem.’ (Interview met Arjan Peters in de Volkskrant, 21 augustus 2004)

‘Het personage Jonas is door het programma Showroom ontdekt, maar zijn vriend, de ik-figuur, maakt hem nog bekender en dat doet hem geen goed. Jonas heeft trekken van Jopie Huisman (1922-2000), de voddenboer uit Workum die een befaamd realistisch schilder werd en in 1986 een eigen museum kreeg – dat werd geopend door De Jonge, oud-inwoner van Workum en vriend van de eigenzinnige kunstenaar. De Jonge: “Dat is waar, al was Jopie een veel warmere man dan mijn Jonas, geen leugenaar, eerder een charmante fantast. Maar inderdaad, tegen de massale publiciteit en roem bleek Huisman niet opgewassen”.’ (Interview met Arjan Peters in de Volkskrant, 21 augustus 2004)

Deze roman ligt ook ten grondslag aan de vijfde aflevering van zijn theatermarathon De Vergrijzing. De hond van Jonas speelde van 28 september t/m 2 oktober 2004.

KRITIEKEN

‘De verteller van de nieuwe roman van Freek de Jonge is een komiek die zijn optredens alleen nog maar kan beschouwen als afleidingsmanoeuvres. “Ik leefde niet meer emotioneel, maar analytisch en moest over de meest verschrikkelijke dingen grappen kunnen maken. Anderen raken en zelf buiten schot blijven.” Het verdriet om het verlies van een drie maanden oud kind vindt geen uitweg; hij durft de confrontatie niet aan en zwijgt erover, ook tegen zijn vrouw.
Dat valt jaren vol te houden, zeker wanneer je een beroemde, hardwerkende komiek bent, die het liefst tegen vijfhonderd mensen aanpraat, maar in een gesprek onder vier ogen volkomen dichtklapt. De bekendheid en het daarmee verbonden gevoel niet werkelijk gekend te zijn, ook door jezelf niet, heeft De Jonge in deze roman gethematiseerd.’ (Tom van Deel in Trouw, 28 augustus 2004)

‘Het probleem van grote delen van dit boek is dat de ik-figuur een ijdel soort zelfreflectie vertoont dat moet doorgaan voor eerlijk en genadeloos, maar dat bij de lezer niets dan plaatsvervangende schaamte oproept. Niet dat een hoofdpersoon sympathiek moet zijn, maar De Jonge had er beter aan gedaan een verteller te creëren die de behaagzieke auteur zo nu en dan eens flink de waarheid zou zeggen.
Zeker de eerste hoofdstukken zijn hierdoor moeilijk te verteren. Zodra De Jonge zich concentreert op de levens van Jonas en Victor, maakt hij daarentegen veel goed. Prachtige, absurdistische scènes, scherpe observaties, bondige formuleringen.’ (Peter Swanborn in de Volkskrant, 27 augustus 2004)

PUBLICATIES

Tekst

Door de knieën. Eerste, tweede en derde druk 2004.

Geluid

Freek de Jonge leest Door de knieën. 4CD-luisterboek (2004).
Uit de flaptekst: In juni 2004 las Freek de Jonge zijn nieuwste boek integraal voor aan een klein publiek bij Uitgeverij Rubinstein. Op deze cd’s hoort u de live-registratie van deze sessie, zonder dat hierin is gemonteerd.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

1993 – Opa’s Wijsvinger

In de zomer van 1993 speelt Freek de Jonge op zomertheaterfestival De Parade. Hij is de grote publiekstrekker. Vier keer per avond vertelt hij in een propvol tentje in een half uur tijd de parabel Opa’s Wijsvinger. Opa is predikant. Die verliest bij het plaatsen van een mollenklem zijn wijsvinger. Hij ziet het als wraak van God op de dienaar die onvoldoende op Hem vertrouwt en zich dus groter waant dan God. Hoogmoed komt voor de val. Vanaf dat moment kan hij alleen nog maar met gebalde vuist naar de hemel wijzen. De drie vingerkootjes bewaart opa in een Hofnar-sigarenkistje. Na zijn dood moeten ze met zijn lichaam ter aarde worden besteld. Ze gaan over van opa op vader en van vader op zoon. De laatste is de verteller van het verhaal, dat ook nog een moraal heeft: ‘Wat is een komiek? Een dominee zonder wijsvinger!’
Ook in de roman staan hoogmoed en de val centraal. Opa’s Wijsvinger beschrijft de opkomst en ondergang van een satirisch goochelduo. Dat duo heet Opa’s Wijsvinger. Het brengt anarchistisch goochelwerk, maatschappij-kritische liederen en conferences. Het bestaat uit pianist-componist Johannes Huls en komiek-illusionist-schrijver-conferencier Arthur Roest. De eerste is de begeleider; de tweede is de man om wie alles draait: een arrogante betweter. Het duo heeft groot succes. Maar ook zij denken groter dan God te zijn. En dus komt de val en ze gaan uit elkaar. Als het verhaal begint, is het vijftien jaar later.
Eerst is er nog een proloog, die op zichzelf staat, maar alle motieven bevat die de roman verder uitwerkt. Die proloog handelt over de val (soms zelfs letterlijk), over wat je toevalt door het toeval, over wat je lot is. In de Tweede Wereldoorlog komt de ene man onbedoeld terecht op het onderduikadres van de andere man. Hij krijgt ook diens naam en dat leidt er uiteindelijk toe dat hij wordt opgepakt en in het concentratiekamp terechtkomt. De speling van het lot. ‘Waarom hebben ze, zoals bij mij, dan je naam niet veranderd?’, vraagt de gelukkige als ze elkaar, toevallig dus, in een overvolle trein ontmoeten. De ander antwoordt: ‘Mijn vader, die dominee was, zei altijd: “Als Kaïn Abel geheten zou hebben, dan zou Abel Kaïn hebben vermoord”.’ Ook in die trein wisselen ze van plaats. Als de trein plotseling moet remmen, krijgt de ongelukkige een zware koffer op zich en breekt zijn nek. En er gebeurt nog meer toevalligs rond het gegeven wat het betekent als de een de plaats van de ander inneemt. ‘De woorden “toeval” en “lot” en clichés als “voor hetzelfde geld” en “zo is het leven” klonken boven alles uit.’
Die proloog vormt dus de inleiding op een roman rond de pijnlijke herinneringen aan dat komische duo: twee mannen met een gecompliceerde band, maar wel tot elkaar veroordeeld. Johannes Huls is na het uiteenvallen van het duo afgezakt tot barpianist. Soms wordt hij nog herkend, maar dan toch vooral als de muzikale begeleider van de superieure Roest.
Ongeïnspireerd slijt Huls zijn riedeltjes in een verlopen restaurant. Hij woont bij een hospita, maar heeft last van haar verslaafde zoon. Daarom vlucht hij elke ochtend naar het buurtcafé, waar tweederangs kunstenaars elkaar ontmoeten. En op zijn kamer zit hij tussen opgestapelde oude kranten. Kranten vol nieuws over de maatschappelijke thema’s waarover zij zich op het podium zo hebben opgewonden uit idealisme, terwijl de generatie van nu maar één probleem heeft: luxe. Nog twee verklaringen voor de boektitel Opa’s Wijsvinger: ook Huls is zo’n man die vindt dat het in zijn tijd beter was en de schrijver zelf is oud en wijs geworden. Opa vertelt en wijst met zijn vinger – nou ja, gebalde vuist.
Huls verneemt dat Roest is opgenomen in een psychiatrische inrichting waar het stikt van de verknipte wereldverbeteraars. Hij begint aan het beschrijven van hun gezamenlijke carrière. Als hij het eerste deel af heeft, gaat hij naar de inrichting en hoopt dat Roest die memoires wil ruilen tegen de drie vingerkootjes van de opa van Huls. Het verhaal van die grootvader met die mollenklem was de succesconference van het duo. Er kwam wrevel, want het stond Huls niet aan dat Roest deed of het zijn eigen opa was om wie het verhaal draait. Roest heeft die kootjes van Huls te leen gekregen, omdat hij er iets mee wilde doen in een goocheltruc. En Huls kreeg ze niet terug.
Uiteindelijk zullen ze elkaar niet ontmoeten, ook al komt het heel dichtbij. Huls zakt nog verder af, gaat zwerven en amputeert uiteindelijk zelfs zijn eigen wijsvinger en brengt de kootjes ervan naar zijn grootvaders graf. Zodoende lost hij alsnog de wens van zijn grootvader in.
In de proloog ging het over de grote gevolgen die het kan hebben als de een de plaats inneemt van de ander. In werkelijkheid werd het probleem van Neerlands Hoop dat Bram Vermeulen tornde aan zijn rol van begeleider, niet alleen door zijn ambitie om behalve de muziek ook teksten te gaan schrijven, maar zeker ook door zich in het openbaar conferences van Freek de Jonge toe te eigenen. Hoogmoed die leidde tot de val.
Opa’s Wijsvinger is zeker een sleutelroman te noemen en in Huls herkennen we Bram Vermeulen en in Roest Freek de Jonge. Maar voor een literaire roman is dat niet voldoende. Daarom versleutelt Freek de Jonge de sleutelroman en laat Huls ook model staan voor zichzelf en beide personages vallen uiteindelijk zelfs samen. Met als een van de kernzinnen: ‘Er is maar weinig voor nodig om een ander te zijn, maar of je zo je lot kunt ontlopen, valt te betwijfelen.’

COULISSEN

Opa’s Wijsvinger draagt hij op aan Toon Hermans, die hij zijn Godfather noemt.

‘Vooraan in Opa’s Wijsvinger staat een citaat van Alan Bloom: “Uiteindelijk begint het erop te lijken dat volledige vrijheid alleen mogelijk is zonder kennis van goed en kwaad”.
“Ik heb het vaak over onschuld en het verliezen ervan. En ik denk dat de onschuldige mens niet op de hoogte is van goed en kwaad. Of hij denkt op een naïeve manier over moraliteit, in de zin van: te langen leste zal het goede wel overwinnen. In die zin is alleen de onschuldige vrij. Wie die onschuld is kwijtgeraakt, voelt een sterk heimwee naar die vroegere vrijheid. Maar hij kan ze niet meer bereiken, want het conflict tussen goed en kwaad – de moraliteit – ligt in de weg. Meestal wordt het zaakje opgelost door het goede opzij te zetten en het kwaad te laten triomferen. Zo bewerkstelligt de drang naar vrijheid eigenlijk het tegenovergestelde van waar hij op uit is. De heer, de meester, de baas, de hoofdredacteur, kan dan wel vrij zijn, maar dan zullen zijn ondergeschikten daarvoor moeten boeten. En omgekeerd: zijn de onderdanen vrij, dan is het de heer die boet.”
Het ligt in de genen van de mens dat hij zijn vrijheid, zijn geluk altijd moet veroveren ten koste van anderen. Je pakt wat je krijgen kunt.
“Het ligt in de genen, ja. Maar het ligt ook in het beperkte denkvermogen van de mens. In het Taoïsme speelt vrijheid nauwelijks een rol. Daar streeft men naar gelijkmoedigheid: je hoeft helemaal niks na te streven, geen vrijheid, geen geluk, geen rijkdom. Dat zijn allemaal termen die door iemand aan een schrijftafel bedacht zijn. Het zijn intellectuele termen, die wij mateloos overschatten. Ik bedoel: we zijn een bepaalde weg ingeslagen, maar we hadden duizend andere wegen kunnen inslaan. Maar eenmaal voor één weg gekozen, is er geen weg terug”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

Opa’s Wijsvinger’ kun je lezen als een versluierde biografie van je dagen bij Neerlands Hoop. Je schrijft: “Nog nooit heeft hij met iemand over de jaren van het duo kunnen spreken uit angst dat hij rancuneus zou klinken in de oren van wie hem verkeerd wilden verstaan. Hij had die periode toegedekt in de hoop dat de herinneringen zouden verstikken.” Maar die herinneringen zijn niet verstikt, anders zou je er niet over schrijven.
“Dat lijkt mij een goedkope psychologische interpretatie. Ik loop niet gebukt onder die periode, er zit niets onverwerkts achter. Het is absoluut voorbij. Ik loop niet de hele tijd gekweld rond, zo van: ik moet dit van mij af schrijven. Ik heb nooit vanuit rancune of bitsheid gewerkt, ook niet op het toneel. ’t Is een pure manifestatie van wat ik uit het leven oppik. (…)”
En toch: Opa’s Wijsvinger is één lange ontmaskering.
“Noem het: zelfrelativering. Ik leg mezelf niet op de pijnbank. Ik bedoel: de mensen hebben al die tijd een idee rondom mij opgebouwd en ik laat gewoon zien dat die idee aan alle kanten twijfelachtig is. Het leeft allemaal in het hoofd van de anderen, niet in het mijne”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

‘In je boek heb je het over: je steunt een project voor een schooltje in Ecuador, en als je ter plekke gaat kijken, blijkt met het geld een arena voor stierenvechten te zijn gebouwd.
(…) “Het is ons idee over goedheid en het is hun idee over goed besteed geld. In onze Bloed aan de Paal-tijd zetten wij hier in Nederland en België heel hoog in, maar onze Argentijnse medestrijders bekeken dat zaakje veel opportunistischer. Dat heeft mij toen ongelooflijk teleurgesteld.”
(Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

Freek de Jonge: ‘Zo langzamerhand weet ik dat de kracht van wat ik doe, ligt in het entertainment – amusant en op zijn best heel erg amusant, maar burgerlijk en gevaarloos. Dat is verslavend en tegelijkertijd ongelooflijk hinderlijk. Ik ben de enige die er beter van word en mijn publiek, om het maar zo te noemen, wordt op zijn wenken bediend. En dat pulkt toch al de lekkerste dingen uit de samenleving. Die groep kun je niets meer vertellen. Ze kennen alleen maar luxeproblemen, ja, net als ikzelf. Het is zelfs zover gekomen dat ik de indruk heb dat er geen andere problemen bestaan. Mensen die niet te eten hebben, hebben al die sores van ons althans niet. Die willen alleen maar eten. Dat besef bemoeilijkt mijn stellingname in het theater: waar moet ik het in godsnaam nog over hebben? (…)
Neerlands Hoop was een religie, we hadden een grote, meeslepende invloed op massa’s mensen. Die culmineerde in de Argentinië-actie – dat er geen voetbal gespeeld moest worden in een land dat zijn eigen burgers om zeep helpt, was bovendien van zichzelf al vanzelfsprekend. We hadden dus gelijk. Maar we kregen het niet. Dat is een keerpunt voor me geweest. We bereikten de toppen van ons succes toen ik zesentwintig was. Dat is een schrikbarende ervaring, carrière-technisch heb je geen enkel perspectief meer: wat moet je verder nog? Welnu, na die actie heb ik een antwoord opgedrongen gekregen. Ik was er rijp voor me bij de Baader-Meinhofgroep aan te melden. Ja, zonder meer. Geweld zag ik nog als enige oplossing, maar omdat ik – waarom weet ik niet – aan die conclusie geen consequenties heb verbonden, heb ik impliciet gekozen voor het cynisme. En voor gezeur. Vaststellen dat het oude Cuba niks was, maar dat het nieuwe Cuba ook niks is. Alles dus op zijn beloop laten, met behoud van gewetensnood. Niemand schiet daar wat mee op.’ (Interview met Pieter Kottmann voor NRC-Handelsblad, 10 december 1993)

In een interview voor het AVRO-programma Opium staat Freek de Jonge op 15 oktober 1993 uitvoerig stil bij het schrijfproces. Hij vertelt dat het onderwerp van de roman Opa’s Wijsvinger al lang op zijn weg lag. Maar hij heeft erover gezwegen ‘totdat Bram eindelijk zijn mond hield’. En hij heeft het verhaal lang bij zich gehouden om er met de goede afstand naar te kunnen kijken. Als hij er dan aan gaat werken en de band tussen Bram en hem ontleedt, blijft er van die band niet veel over, zo vertelt hij. Hij heeft dan al besloten het boek vanuit Bram te beschrijven en niet vanuit zichzelf. Want anders zouden nieuwe beschuldigingen van ijdelheid voor het oprapen liggen. En hij is zich er bij het schrijven steeds van bewust dat het vooral cabaretpubliek zal zijn dat zijn boek koopt. Hij tempert daarmee zijn eigen verwachtingen. Met zijn boek Neerlands Bloed heeft hij de literatuur immers niet aan zich weten te binden. Dat vindt hij jammer, zo zegt hij, want tegen romanciers kijkt hij op. Dit omdat zij, in tegenstelling tot theatermakers, geen concessies aan behaagzucht doen. Nou ja, de goede, oprechte schrijvers dan. Die stellen zich niet aan. Zo zitten ze niet in talkshows, want ze weten dat hun persoon niets toevoegt aan wat ze geschreven hebben. Voor hem ligt dat anders: hij zal altijd de cabaretier zijn, of hij nou in het theater staat of een boek schrijft of presenteert.

Van de andere kant, zo vertelt hij in datzelfde radio-interview, voelt hij zich wel de schrijver onder de cabaretiers. Wel wat anders dan Kees van Kooten en Youp van ’t Hek. Hij wil zich met zijn boeken afzetten tegen die twee ‘verstrooiers’ met hun ‘geschenkenreeks’-bundeltjes. Als er van zijn boeken zoveel verkocht zouden worden als van hen, zou hij zenuwachtig worden en denken dat hij niet diep genoeg gegaan is. Hij wil alleen maar op zoek zijn naar goede verstaanders. Zoals Neerlands Hoop dat ook was: dat je met elkaar de illusie had dat je samenzweerde tegen die verschrikkelijke maatschappij. Het gaat dus om de elite en niet om de massa, want die zal je verpletteren en vernietigen.

Freek de Jonge: ‘Ik vind wat daar aan proza uitkomt schandalig voor de pretenties die ze hebben. Met zijn leven en zijn maatschappijkritiek toont Youp veel pretenties. Dat geldt ook voor Kees. Youp heeft een programma gemaakt dat Alles of Nooit heette. En dan brengt hij dit soort boekjes op de markt? Dat is Niets en Nimmer. Als je de mensen aanvalt op hun plooirokken en hun ruiten broeken en je gooit alleen maar plooibroeken en ruiten rokken in de winkel, heb je geen recht van spreken meer. Ik wil hoger reiken.
Kijk, mijn publiek bestaat uit zo’n honderdvijftigduizend mensen. Van Neerlands Bloed zijn achtentwintigduizend exemplaren verkocht. Een groot deel van mijn publiek vindt het dus te zware kost. Daar moet ik blij om zijn. Die boekjes van Kees en Youp zitten in de geschenkenreeks. Het zijn cadeautjes. Zoals je iemand een asbak of een bloemetje geeft, geef je een boekje van Youp. Het wordt ook helemaal niet gelezen. Volgens mij wordt het niet eens uitgepakt; het circuleert in die kringen.’ (Interview in het radioprogramma Opium, 15 oktober 1993)

‘Ik citeer even uit Opa’s Wijsvinger: “We doken direct na de voorstelling, als gebruikelijk in die tijd, met een aantrekkelijke jongedame de stad in.” Er gebeurde blijkbaar wat in die Neerlands Hoop-dagen. Iets wat later heeft bijgedragen tot de breuk met Bram. Ik vermoed dat jij ’m wel eens de les spelde over zijn amoureuze escapades. (…) Je stond daar hypocriet met het vingertje omhoog.
“Absoluut. En dan rest tenslotte niets anders dan: weggaan. (…) Zolang ik net zo wellustig ben als jij of hypocriet of wat dan ook, kunnen we prima met elkaar opschieten. Zodra dat evenwicht verstoord is, klapt de boel in mekaar. Je kunt dat moralistisch noemen, maar het is gewoon een kwestie van: ’t is niet meer te delen”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

‘Je schrijft: “Opa’s Wijsvinger, dat was toch alleen maar Roest.” Vrij vertaald: Neerlands Hoop, dat was toch alleen maar Freek. En zo wás het ook. Maar ’t klinkt wel hard.
“’t Was inderdaad zo. Dat is weer die wreedheid die in het boek z’n hoogtepunt bereikt als de man in de spots zijn begeleider totaal op zijn plaats zet. In werkelijkheid is zoiets nooit met Neerlands Hoop gebeurd, maar ’t was wel latent aanwezig, die behoefte”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

KRITIEKEN

‘De proloog maakt al duidelijk dat De Jonge niet zomaar een autobiografisch verhaal heeft willen vertellen, maar langs de weg van de roman iets ongedefinieerds, iets ingewikkelds heeft beoogd. Wat dat is, is ter interpretatie aan de lezer. Laat ik voorop stellen dat De Jonge voldoende verbale kwaliteiten heeft om zo’n verhaal niet saai te maken. Bovendien heeft hij van Opa’s Wijsvinger (…) op onnavolgbare wijze een reeks schakels gemaakt die ten slotte ook een soort “ontknoping” mogelijk maakt. Ingewikkeld genoeg dus en ook wel inventief.’
(Willem Kuipers in de Volkskrant, 19 november 1993)

‘Het is alsof de auteur een literaire verdwijntruc heeft willen uitvoeren. Alsof hij de autobiografische kern van de roman – de geschiedenis van het legendarische Neerlands Hoop – heeft willen laten verdwijnen in een moeras van bijverhaaltjes.
Dat heeft de roman geen goed gedaan. Te veel ruimte wordt nu in beslag genomen door de omzwervingen van Huls en diens pogingen om het verleden en de confrontatie met Roest uit de weg te gaan. (…) Pas naarmate de confrontatie dichterbij komt en Huls’ herinneringen aan “die periode” dwingender worden, ontstaat er iets van een lading. Dan krijg je een intrigerend beeld van de (psychologische) geschiedenis van de ondergang van Huls en Roest, Bram en Freek. In het gepaste bredere kader. Uiteindelijk kan de lezer De Jonge, een van die twee ontgoochelde goochelaars, dus in de ogen kijken.’ (Gertjan van Schoonhoven in NRC-Handelsblad, 19 november 1993)

PUBLICATIES

Opa’s Wijsvinger (1993).

Heruitgave (1995 en 1998).

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

1991 – Neerlands Bloed

Op woensdag 15 mei 1991 gaat Freek de Jonge zijn te verschijnen roman Neerlands Bloed in zijn geheel voorlezen. Daarvoor heeft hij de kleine zaal van het Amsterdamse Concertgebouw afgehuurd. Hij rekent erop dat er van zijn tweehonderdduizend fans zo’n vierhonderd zullen zijn die het er voor over hebben 175 gulden te betalen om, weliswaar met lunch en diner, vanaf tien uur ’s morgens ruim twaalf uur achtereen naar hem te komen luisteren. Met vierhonderd keer dat entreebedrag haalt hij dan zo’n zeventigduizend gulden op voor de Nijmeegse Blindenbibliotheek Le Sage ten Broek. De keuze voor dit goede doel komt voort uit het feit dat zijn eigen moeder inmiddels slechtziend is en daarmee voor haar leesplezier afhankelijk is geworden van de gesproken-boekuitgaven van deze organisatie.
Vierhonderd betalende bezoekers is dus waarop hij hoopt, maar er komen er maar… twintig. Reden om met hen en nog zo’n dertig genodigden, onder wie de leiding van de blindenbibliotheek en journalisten, te verhuizen naar een kleinere ruimte. Le Sage ten Broek zal hij, zo belooft hij, in elk geval ook de geluidsopname van deze dag schenken.

September 1990 vertrekt Freek de Jonge naar Noord-Amerika om daar te gaan optreden. Maar na twee weken wordt hij ziek. Begin oktober ondergaat hij in Toronto een buikoperatie en kort daarna keert hij terug naar Nederland. Daar schrijft hij, in de laatste vijf weken van het jaar, de eerste versie van de roman Neerlands Bloed. Het idee ervoor ontstaat als Hella en hij in januari 1989 Indonesië en Japan bezoeken. Ze zijn in ­Hiroshima op de dag dat Hirohito, de keizer van Japan, begraven wordt. Hirohito is het symbool van de Japanse wreedheden in Nederlands-Indië en dus ook van betekenis voor Nederland: land van onderdrukten en onderdrukkers.

Neerlands Bloed gaat over het volwassen worden van de Zeeuwse jongen Wouter Pieterse. Het boek begint en eindigt in Japan. Als Wouter twintig jaar oud is, demonstreert hij daar op de dag van de begrafenis van keizer Hirohito. Met de daad lost hij een belofte in die hij tien jaar eerder heeft gedaan aan het sterfbed van zijn buurman: dokter Havelaar. Wouter is de zoon van een leraar Nederlands op het Christelijk Lyceum Goes. Buurjongen Max is de zoon van deze dokter Havelaar; de moeder van Max is op Java vermoord door rebellen. Max is een veelbelovende voetballer, een van de redenen waarom Wouter hem bewondert. Pas in Hiroshima realiseert Wouter zich dat zijn leven tot dan toe in het teken heeft gestaan van heldenverering en dat hij zich nu pas bevrijd voelt.
Wouter kijkt niet alleen op tegen zijn buurjongen, ook spiegelt hij zich graag aan Kees de jongen. Hij is, net als de hoofdpersoon in het boek van Theo Thijssen, een puber met een rijke fantasie. Hij kijkt met afstand naar de grotemensenwereld en stort zich er niet hardhandig in, zoals Max, maar laat zich er stukje bij beetje in opnemen. Niet alleen de verwijzing naar Theo Thijssen, maar ook de keuze van de auteur voor namen als Wouter Pieterse en Max Havelaar heeft natuurlijk betekenis, zoals ook het feit dat het motto van de dichter Gerrit Achterberg is rechtstreeks verwijst naar de literatuurgeschiedenis. Zo doet de wijze waarop de vader van Wouter om het leven komt, denken aan een dodelijk ongeluk waarbij Achterberg betrokken was. Vader Pieterse werkte overigens aan een dissertatie over Achterberg, maar dan blijkt dat die jarenlange vermeend noeste arbeid slechts twee velletjes met notities heeft opgeleverd. Op zijn dood is de slechte relatie met zijn leerlingen in het algemeen en met Max in het bijzonder van invloed. Pieterse kan geen orde houden, terwijl Max steeds onhandelbaarder is geworden nadat hij zijn been heeft gebroken tijdens een voetbalwedstrijd.
Het eerste en het zevende hoofdstuk – Hiroshima en Kyoto – spelen zich af in Japan. Het tweede en zesde hoofdstuk gaan over Max en zijn vader. Het derde en vijfde over Wouter en zijn ouders. Binnen deze symmetrische structuur vormt het vierde hoofdstuk dus het midden. Het heet Neerlands Bloed en is het hart van het boek. Dat hoofdstuk gaat over een Nederlandse man in een Jappenkamp. Hij heeft de mogelijkheid te ontsnappen, maar hij doet het niet. Met die keuze redt hij uiteindelijk de levens van zijn medegevangenen.
Freek de Jonge, in een interview in HP/De Tijd (17 mei 1991): ‘Ware vrijheid bestaat alleen in je hoofd. (…) Ware vrijheid is: geen keuzes hoeven maken, de gelukzaligheid van ademhalen. Voor de gewone sterveling is dat niet te doen, voor mystici wel. Zo’n staat van opperste vrijheid heb ik niet bereikt. Daar ben ik ook niet op uit. Ik ben nog sterk bezig mijn ego gestalte te geven en daar is niets op tegen, lijkt me. Dat is wat ik in dit leven moet doen.’
Net als in zijn theatervoorstellingen staat in dit boek de vrijheid van denken centraal. Mensen offeren zich op voor hun idealen en gaan dood. Anderen vluchten in fantasie, worden gek en hebben ook grote kans het met de eigen of andermans dood te moeten bekopen. Door zich de vragen te stellen of de mens vrij is of geketend en of in het leven alles is voorbeschikt of door toeval wordt bepaald, lukt het Wouter in elk geval de vrijheid te vinden om met zichzelf in het reine te komen.

‘En, weet je al wie ik ben?’
‘Wouter en Kees natuurlijk’, antwoordt ze lachend.
Ik laat de tijd de ruimte en vraag, maar nu niet langer om te weten wie ik ben: ‘Wie ben jij?’

 

COULISSEN

‘Voor het duurbetaalde toegangsbewijs werden ook lunch en diner geserveerd. De meeste luisteraars vonden de hoofdstukken spannend en humoristisch genoeg om niet te gaan knikkebollen. Er werd zelfs gelachen alsof het een gewone voorstelling van Freek de Jonge was.
Bovendien was het voor die twintig fans een uitstekende gelegenheid om hun held eens in een wat intiemere sfeer te ontmoeten. Tijdens de pauzes verdween hij niet in zijn kleedkamer, maar begeleidde hij de groep zelfs naar de lunchruimte, waar desgewenst iedereen bij hem kon aanschuiven.’
(Xandra van Gelder en Arno Haijtema in de Volkskrant, 16 mei 1991)
‘Van de showbusiness heeft Freek de Jonge – na enige eerdere aankondigingen – voorlopig afscheid genomen. Zeer tot ongenoegen van iemand als Jacques Klöters, zelf cabaretier, die vorig jaar in Vrij Nederland schreef: “Altijd zal Freek terugkeren naar het theater, omdat hij daar briljant is en ergens anders verdienstelijk. (…) Als komiek had Freek weinig concurrentie. Als serieus denker wel.”
“Ik ben geen geboren schrijver, ik ben een geboren performer”, geeft De Jonge toe. “Maar het nadeel van het theater is dat niets vast ligt, dat alles wat je doet aan verandering onderhevig is. Ik improviseerde altijd veel. (…) Dat hou je niet altijd vol. Er komt een moment dat je meer wilt vastleggen. Dat heeft iets met angst te maken, het gevoel het je niet te kunnen permitteren met iets slechts te komen. Naarmate je meer gearriveerd raakt, wordt die angst groter. Bij mijn laatste show, De Volgende, heb ik voor het eerst getracht teksten uit mijn hoofd te leren en die een paar maanden lang ongewijzigd te laten. Een soort lafheid eigenlijk. Maar het is meer dan dat. De behoefte werd steeds groter iets te maken wat in één keer staat, dat onveranderlijk is. Dan is de overgang naar de literatuur een logische stap. Je verliest een hoop spontaniteit en leukigheid en je wint – hopelijk – aan zeggingskracht”.’
‘Wat het theater betreft: daar was de fut een beetje uit. Nog steeds. “Ik reed laatst langs de Amstel op het moment dat Carré leegstroomde: mensen die naar Les Misérables waren geweest. Dan krijg ik niet onmiddellijk de behoefte zelf weer in Carré te gaan staan. Wim Sonneveld had een legendarische hekel aan zijn publiek – zo wil ik niet worden. Ik wil geen hekel krijgen aan die mensen. Maar als ik kijk wat er de laatste tijd wordt geboren aan cabaret, dan krijg ik daar een vreselijke weerzin tegen – zo flauw en kinderachtig allemaal. Dat geldt ook voor mijn eigen shows. Als ik ze terugzie, vind ik ze vaak nog wel goed, maar niet zo goed als ik ook heb gedacht dat ze waren. Met Neerlands Hoop heb ik dat nog sterker. Als ik die programma’s weer zie, denk ik: mijn god, wat een overschatting.’
“Ik weet niet of ik weer terugkeer op toneel. En als ik terugkeer, wil ik de grappen ondergeschikter gaan maken aan het geheel. Ik wil niet meer onder die druk staan van het publiek te behagen. Dat is het prettige van een roman: je bent niet gebonden aan humor, hoewel ik het niet kon laten er iets van slapstick in te verwerken. Maar je bent niet gebonden aan een bepaalde lach-frequentie. Lachen is een overgewaardeerde emotie, vooral in een zaak. De mensen grijpen alles aan om in lachen te kunnen uitbarsten.”
‘Binnenkort verschijnen de eerste recensies van Neerlands Bloed. Maakt de schrijver zich zorgen? “Nee, daar ben ik heel open en nuchter in, al ben ik natuurlijk benieuwd wat men ervan vindt. Ach, je bent altijd boos over een slechte recensie, omdat je vindt dat het niet goed begrepen is of verkeerd uitgelegd. Maar een goede kritiek leg ik eerder terzijde dan een slechte, daar denk ik minder lang over na. (…) Mijn probleem is dat ik debuteer met een achtergrond. Iedereen heeft al een mening of een verwachting. Aan de andere kant is het ook een voordeel. Ik hoef geen aantrekkelijke jonge vrouw te zijn om op te vallen met mijn eerste roman.”’ (Bovenstaande citaten komen uit een interview met Bert Bukman voor HP/De Tijd, 17 mei 1991)

KRITIEK

‘De angst moet er bij Freek de Jonge flink ingezeten hebben om als romanschrijver niet voor vol te worden aangezien. In het laatste hoofdstuk van zijn eerste roman neemt hij alvast stelling tegen de kritiek die vast en zeker gaat verminken en verhaspelen wat zo zorgvuldig is “gekoesterd, verbeterd, aangedikt en afgezwakt”. “Niet serieus genomen te worden, dat was toch het allerhoogste wat men in die kringen kon bereiken”, zo klinkt het wat bitter. Deze angst voor onbegrip en laatdunkende reacties is wel begrijpelijk. De ondertoon van Neerlands Bloed is hier en daar onmiskenbaar cabaretesk, zoals ook de titel verwijst naar De Jonge’s cabareteske verleden met Neerlands Hoop. (…) Ook in zijn taalgebruik is veel podium terug te vinden. Zijn formuleringen zijn eerder puntig dan mooi en lijken meer afgestemd op een luisteraar dan op een lezer: veel korte zinnen, afgebeten dialoogjes, veel vraag- en uitroeptekens en van tijd tot tijd een schuine opmerking.
De stijl is mij te kortademig en te springerig, maar de strakke compositie van de roman vergoedt veel. Daaruit blijkt dat De Jonge in staat is tot het spannen van een ruime en aantrekkelijke literaire boog. Neerlands Bloed is bijna volmaakt symmetrisch. Het eerste hoofdstuk correspondeert met het zevende, het tweede met het zesde, het derde met het vijfde. Het vierde, het titelhoofdstuk, vormt het middelpunt van de roman en valt ook goed apart te lezen. Een mooi en ingetogen verhaal is het, dat zich afspeelt in een interneringskamp nabij Bandung, enkele maanden voor de bevrijding. Het gaat hier niet om individuele lotgevallen, maar om een zaak van algemeen belang. De Jonge maakt namelijk aannemelijk dat het een mens niet is gegeven om te weten wat vrijheid is. Toch doen bijna al zijn figuren verwoede, maar vergeefse pogingen te ontsnappen. Een steeds terugkerend beeld is het gat: een steeds net te krappe opening (een wc-raampje, een gat in de schutting) waarin de vluchters blijven steken, met spartelende armen en benen. Soms breekt iemand daarbij doormidden. De enkeling die er wel in slaagt om zich door zo’n gat te wurmen, heeft aan zijn aldus verworven vrijheid niet veel, want hij is dan meteen ten dode opgeschreven. Vrijheid, verdraagt zich niet met het leven – dat is wat deze martelaar aan de achterblijvers duidelijk maakt.
Het is niet te gewaagd om in dit gat bovendien in Freudiaanse zin een vagina te herkennen: een even lokkende als angstwekkende vagina, die de mens ertoe probeert te verleiden voorgoed terug te keren naar de moederschoot. De mens is in deze roman dan ook van het mannelijk geslacht. Vooral is hij een jongen, een Nederlandse jongen, hevig tobbend met zijn seksuele driften. (…)
Neerlands Bloed is een zeer existentiële roman. Gelukkig is hij niet alleen zwaarwichtig, maar ook nogal geestig. Je zou eruit kunnen leren hoe je moet leven, maar misschien nog beter hoe je niet moet leven. Op het eerste gezicht gaapt er een kloof tussen het minieme jongensleven van Wouter of Kees en de grote boze wereld van interneringskampen en Hiroshima. Ongeveer het verschil tussen een bloedneus en een geweldig bloedbad.’ (Janet Luis in NRC/Handelsblad, 24 mei 1991)

 

PUBLICATIES

Freek de Jonge: Neerlands Bloed.
Eerste druk (gebonden) (1991)
Tweede druk (paperback) (1992)
Derde druk (paperback) (1993)
Heruitgave (1994)
Nieuwe heruitgave (1998)

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

1990 – De Brillenkoker

De Peniskoker, dat was de werktitel. Die naam zou de pan waarin hij staat te roeren een heel andere inhoud gegeven hebben. Maar hij vindt de titel uiteindelijk te gezocht en verandert die in De Brillenkoker.
‘Met hetzelfde genoegen waarmee dames hun tasjes volproppen met frutsels, lekkere geurtjes, papieren zakdoekjes en andere intieme benodigdheden, heeft Freek de Jonge dit boek gevuld met herinneringen, verhalen, liedjes en columns.’ Dat meldt de achterkant van het boek Het Damestasje (1987). In het nawoord van zijn boek Losse Nummers (1992) zal Freek de Jonge later schrijven dat deze uitgave op dezelfde wijze tot stand is gekomen als de andere twee uit een serie van drie waarvoor het uitgangspunt is ‘dat alles wat erin staat een keer uitgesproken moest zijn’.
Het Damestasje is het eerste boek uit de reeks en Losse Nummers dus het derde en laatste. De tweede uitgave, uit 1990, kreeg als titel De Brillenkoker.
De Brillenkoker bestaat uit 33 teksten. Door de verschillende opmaak van de verhalen versus de theaterteksten lijkt het boek overwegend te zijn opgebouwd uit literaire verhalen. Slechts negen teksten hebben de structuur die we kennen uit zijn theatertekstuitgaven, waarbij hij zinnen afgebroken onder elkaar plaatst en grotendeels afziet van interpunctie. Dat dat vormaspect geen goede graadmeter is, blijkt uit het feit dat de helft van de teksten die we kennen uit de theatervoorstellingen in deze bundel staat afgedrukt als verhaal.
In Losse Nummers heeft hij een nawoord opgenomen waarin hij de oorsprong van teksten duidt. In Het Damestasje en De Brillenkoker ontbreekt die toelichting helaas. Zo moet de lezer zelf op onderzoek uit om te weten dat Lassie in de WAO, Paus pijpt Waldheim, Onderbroekenverdriet en Van Gewest tot Gewest en terug (als Koetjedood) afkomstig zijn uit de voorstelling De Pretentie (1987). Uit de oudejaarsconference De Ontlading (1988) komen Haar zonder naam, Mijn geboorte en Het meisje met de wegwerpaanstekers. En In de wachtkamer, Onbekende adressen, Onderbroekenverdriet en Papa, wie ben ik? kennen we uit zijn meest recente programma: De Volgende (1989).

Uit De Volgende komt ook Mijn eerste bril. Want wat dames in Het Damestasje stoppen, was al verteld. Maar waarvoor dient De Brillenkoker…?

(…) Het eerste wat ik zonder bril zag, was de smid die ons tuinhek aan het lassen was. Om maar niets van het moois te missen, was ik er zo dicht mogelijk bij gaan staan. Daar heb ik nog lang plezier van gehad. Maanden later stonden de vonken nog in mijn netvlies gegrift.

KRITIEKEN

‘Ik heb hem het verhaal van de afgedankte hond en dat over het homo-erotische samenzijn van de paus en Kurt Waldheim horen voordragen – met die ongeëvenaarde pathetiek in zijn stem, waardoor ook de kluchtige grofheden werden meegesleurd in golven van hilariteit.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 14 december 1990)

‘Sommige romanschrijvers worden “grote vertellers” genoemd, omdat het “verhaal” het meest opzienbarende aspect van hun boeken is. Hiermee wordt – meestal onbewust – een overstap van een geschreven genre naar een mondeling genre gemaakt. Freek de Jonge maakt deze stap in omgekeerde richting: van een kunstenaar in een orale traditie wordt hij een schrijver en de toehoorder wordt lezer. Zijn bundel De Brillenkoker begint als de weergave van een verhaal dat in een conference zou passen: de zinnen zijn afgedrukt in fragmenten die lijken overeen te komen met ademstoten. “Ik kreeg pas op mijn dertiende een bril, omdat mijn vader van mening was dat je als kind zo weinig mogelijk dingen moest zien waar je later in je leven last van zou kunnen krijgen.”
Je hebt de neiging Duitse komma’s neer te zetten, alsof het om poëzie gaat. (…)
De indeling in hapklare zinsfragmenten is zo suggestief, dat je er de schelle, enigszins klaaglijke stem van De Jonge bij denkt te horen. Maar al lezende verdwijnt de herinnering aan iemand die op een podium schijnbaar moeiteloos fantaserend de ene na de andere absurde vertelling uit zijn mouw schudt. Als De Jonge de indeling in spreekregels loslaat, wordt het onontkoombaar duidelijk: het gaat hier om een literair genre; we hebben te maken met een rasschrijver. Een schrijver die dat genre overigens bijna voor zichzelf alleen heeft. (Pieter-Jan Mellegers in het Utrechts Nieuwsblad, december 1990)

PUBLICATIES

Eerste en tweede druk, beide paperback (1990).

Derde druk, paperback (1991).

In De Rode Draad (1995) en De Toeschouwer (2006) staat een aantal teksten uit deze bloemlezing afgedrukt: In de wachtkamer, Mijn eerste bril, Mijn geboorte, Mijn groentijd, Het meisje met de wegwerpaanstekers, Paus pijpt Waldheim, De speaker spreekt en Van gewest tot gewest en terug.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]