De Week van Freek: De Suppoost

De Suppoost

2014 – Als je me nu nog niet kent

En toen kwam de zomer en onze wereld veranderde zienderogen. We werden met de neus op een paar afschuwelijke feiten gedrukt. Breekt er een nieuwe realiteitszin door of blijven we hangen in het nostalgisch sentiment van beter tijden?

Net als in “Zondermeer” zal ik muzikaal ondersteund worden door Reyer Zwart, Jan van Bijnen, Maurits Fondse en Rowin Tettero. De trouwste fans zullen een paar liedjes herkennen. De blues voert de boventoon. De conferences zijn nieuw. Alle actualiteit (MH17, IS, Zwarte Piet, Nieuw Belastingstelsel) komt aan de orde gerelateerd aan de vraag Wie ben ik?

Want als we ergens mee worstelen is het wel onze identiteit. Ik zeg we, maar bedoel u. Wat mijzelf betreft: als je me nu nog niet kent….

(Door omstandigheden van persoonlijke aard heb ik besloten om af te zien van mijn eerdere voornemen om “De Wedstrijd” te spelen.)

2012 – Circus Kribbe

Circus Kribbe verhaalt de familiegeschiedenis van de dwerg Jop Kribbe jr., de eerste in zes generaties clowns die niet leuk is. Vanaf eind achttiende eeuw tot begin eenentwintigste eeuw trekken we over de wereld van Moskou, via Parijs, London, Hollywood, Berlijn, Schaesberg, Terneuzen, Lisieux naar Zwanowice. In een door pers en publiek juichend ontvangen voorstelling zien we Freek op zijn best: verhalend, filosofisch en vooral grappig.

Parool (*****): “Freek is magnifiek in kerstverhaal

AD (*****): “Circus Kribbe is literair nadenkcabaret van een meesterverteller”

NRC (*****): “Freek creëert met meesterhand een kerstverhaal”

Trouw (*****): Circus Kribbe is een sublieme voorstelling, tegelijk actueel en tijdloos”

2011 – Neven

De laatste jaren heeft Freek de Jonge met al die kortlopende projecten in theater en op televisie ook wel wat laten liggen, realiseert hij zich. En het materiaal dat hij brengt in de Zeeland-aflevering van zijn televisieproject Freeks Nederland, in december 2009, is te rijk om tot die ene aflevering beperkt te blijven. En dus besluit hij vanaf maart 2011 weer een groot theaterprogramma te gaan spelen. De recensies zijn lovend, de zalen zitten vol en in het seizoen 2011-2012 komt er een reprise, met onder meer een serie in Vlaanderen. Alsof er sinds De Komiek niets veranderd is.

Ingepakte decorstukken. Het lijkt alsof niet Hella de Jonge maar Christo verantwoordelijk is voor het toneelbeeld. Witte doeken met dikke touwen eromheen. De touwen zitten vast aan katrollen. De cabaretier draagt een wit pak. Zijn broek wordt met touw in plaats van een broekriem op zijn plaats gehouden. Satie’s pianowerk Gnossienes klinkt in de uitvoering van Reinbert de Leeuw. Freek de Jonge zet een wit mondkapje op en trekt met een van die touwen het witte doek van de vleugel.

Daar houdt de symboliek even op, want vervolgens gaat hij achter de vleugel zitten en zet de melodie in van Leven na de dood. Zijn populairste lied wordt meteen herkend. Hoe zou een geactualiseerde versie van zijn hit eruit zien, zo vraagt hij zich hardop af. En hoe actueel moet een ramp eigenlijk zijn om er (nog of al) grappen over te kunnen maken? Hij test het uit met nieuwe tekstregels. De tsunami in Japan ligt alweer te ver achter ons, zo blijkt, want er volgt slechts gegniffel. Gezongen regels over het schietdrama in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn krijgen een schaterlach. Freek de Jonge: ‘Zes weken geleden was het publiek hier nog niet aan toe, hoor.’ De dood, eerder die week, van bergbeklimmer Ronald Naar blijkt echter nog te vers, want op grappen daarover volgt een massaal ‘oh’.
Daarna gaat hij nog in op het ‘plaatselijke nieuws’ in Amsterdam (via het reageren op een krantenbericht over barbecuen in het Vondelpark), op de vaderlandse politiek (het wordt tijd dat het programma Boer zoekt vrouw plaats maakt voor Minister-president zoekt vrouw) en op internationale ontwikkelingen (zoals de inzet van Defensie bij de training van politieagenten in Afghanistan).
Hier zien we de cabaretier zoals we die de laatste jaren vaak zagen in conferences rond nieuwjaar, sport en verkiezingen: als snedige, snelle stand-upper; als geëngageerde, geestige cabaretier.

Maar na een klein half uur zet hij een verhaal in en dan verandert langzaamaan de toon. ‘Gedurende de Tweede Wereldoorlog stortten er in ons land zo’n drieduizend vliegtuigen neer.’ Met die zin begint zijn schets van zijn familie vanaf het voorjaar van 1944 in Zeeland. Verhalen over zijn ouders, zijn lesbische tante (en daarom ‘Tante Kerel’ genoemd), zijn twee ooms en hun zonen Fred en Raf. Hij vertelt het vanuit de ogen van het kind dat hij zelf was in onder meer Zaandam (vanaf 1960) en Goes (vanaf 1972) en komt uiteindelijk uit bij de cabaretier die hij nu is.
Eén verhaallijn kennen we dus al van Freeks Nederland, waar in de laatste aflevering het verhaal van zijn geadopteerde neef Raf centraal stond. Maar in Neven komt er nog een verhaallijn bij: die van zijn neef Fred, die zeven jaar ouder is en veel invloed op hem heeft. Met name dat verhaal zal deze voorstelling haar betekenis geven.

Aanvankelijk lijken de grappen van het begin plaats te maken voor anekdotes, want de toon is dan nog licht, ook door –running gags als ‘Even een stukje geschiedenis’. Die gebruikt hij op momenten dat zijn publiek niet direct reageert op informatie over bijvoorbeeld de invasie of ons koloniale verleden in Nieuw-Guinea.
Maar steeds meer gaat de inhoud beklemmen. Want zijn ooms blijken goed fout te zijn geweest in de oorlog, terwijl het altijd zo leek dat het vooral neef Fred was die maar niet wilde deugen. Die neef, die zich inmiddels als beeldend kunstenaar in het buitenland heeft gevestigd, blijkt de tol te hebben betaald voor de schijnheiligheid, de hypocrisie binnen de familie van de verteller. In zijn kritiek ontziet die zelfs zijn eigen ouders niet. Wanneer hij dat alles ontmantelt, zet Freek de Jonge zijn publiek nog even op het verkeerde been door de verhaallijnen rond de neven Raf en Fred anno 2011 behendig aan elkaar te knopen en daarmee te suggereren dat het verhaal rond is. Freek de Jonge: ‘Nee, we gaan het nu niet mooier maken dan het was.’

Op dat moment krijgt ook het decor zijn betekenis van de openingsscène terug en de voorstelling eindigt in prachtige symboliek. De familiegeschiedenis die bewust verborgen gehouden is, heeft hij openbaar gemaakt, zoals hij alle ingepakte decorstukken dan ook letterlijk blootlegt. En wat er voor in de plaats komt, zijn de uitingen van de creatieve geest. In het verhaal is dat de beeldende kunst van Fred, voorwerpen waar ook weer van alles uit is af te leiden. Maar natuurlijk doelt Freek de Jonge hier ook op de positie van de kunst in het algemeen, waarmee de voorstelling tevens een aanklacht is tegen het eerste kabinet-Rutte, dat ervoor kiest onverantwoord hard te bezuinigen op cultuur, immers een ‘linkse hobby’.

In zijn toegift pakt Freek de Jonge daarop door. Dan kiest hij er zelfs voor zijn hoofd in een strop te steken op het grote Executieplein (voorheen Museumplein!) van de hoofdstad. Het is zes jaar na nu, zo vertelt hij. Landsleider Hero (Brinkman, van de PVV) heeft het cabaret inmiddels uitgeroeid. Freek de Jonge is de laatste cabaretier die nog over is. Het dreigement dat hij nog één kans krijgt om het volk te vermaken met onschuldige grapjes en anders zal hangen, interpreteert hij op zijn manier: ik ga hangen, zodat ik mezelf tenminste trouw blijf.
Neven is een persoonlijke voorstelling van een cabaretier die dit verhaal nog moest vertellen: getrouwd met een joodse vrouw, maar afkomstig uit een familie met ooms die fout waren in de oorlog en met ouders die hij vaak heeft geëerd, maar die er op dit punt in zijn carrière recht op hebben niet alleen op een voetstuk te hoeven staan. En neef Fred bestaat dus echt en woont al dertig jaar in Denemarken. Sinds anderhalf jaar hebben de beeldend kunstenaar en de cabaretier pas weer contact.
En Neven is een kritische voorstelling. Freek de Jonge stoort zich aan de oppervlakkigheid van deze tijd. Zodra zijn publiek straks dadelijk buiten is, stelt hij, maakt het zich alweer druk over waar de auto staat geparkeerd en hoe laat men thuis is. Dan is deze voorstelling alweer vergeten. En hij bekritiseert de behoefte van zijn publiek en de media om zich te verdiepen in zieke geesten, zoals de schutter in Alphen aan den Rijn was. Ook een verwijzing naar het verhaal rond neef Fred en dus naar de vraag: waarom nemen volwassenen niet de verantwoordelijkheid voor de opvoeding, zodat iemand niet zo wordt?
Ook ten aanzien van maatschappelijke ontwikkelingen wijst hij op verantwoordelijkheid. Zo noemt hij de vaak gemaakte vergelijking tussen de NSB en de PVV oneerlijk. Maar dan oneerlijk voor de NSB! Want die organisatie wist begin jaren dertig nog niet waartoe hun verwerpelijke ideeën uiteindelijk zouden leiden!
Eerder in de voorstelling nam hij plaats achter de vleugel en zong hij:

hoe kan een mens nog bestaan
als wat hem omgeeft is vergaan
en die eeuwige oorlog dat zinloos geweld
gaat maar door
waar vecht hij toch voor

(…)

dubbeltje op zijn kant
wat is er toch aan de hand
die hebzucht dat graaien
onverdraaglijk gebrek aan fatsoen
wat valt daar aan te doen
voor wie horen wil en nog voelen kan
wordt de onschuld nog dagelijks vermoord
en de grootste bek heeft het hoogste woord
en wat moet gezegd blijft ongehoord

COULISSEN

Maandag 11 mei 2011 zijn Youp van ’t Hek en Freek de Jonge de grote verrassingen bij het afscheid van Rob Wiegman. Beider aanwezigheid is niet eens zo opmerkelijk, want Wiegman geldt als directeur van het oude en nieuwe Luxor Theater in Rotterdam 25 jaar lang als een van de belangrijkste en meest bevlogen theaterdirecteuren van ons land. Wat wel heel bijzonder is, is dat Van ’t Hek en De Jonge als duo het podium betreden. Het was een idee van Brigitte Kaandorp, die daarmee een einde maakt aan het idee dat beiden ‘gezworen vijanden’ zijn.

Dat is natuurlijk niet zo, ook al hebben ze in het verleden lelijke dingen over elkaar gezegd. Freek de Jonge omdat hij graag de beste wil zijn en zich een tijd verbitterd toont over de enorme populariteit van Youp van ’t Hek, terwijl zijn eigen zalen in die jaren niet meer vol zitten. Youp van ’t Hek is kritisch omdat hij zich stoort aan die voortdurende concurrentiestrijd van Freek de Jonge, die dat helemaal niet nodig zou moeten hebben. Youp van ’t Hek: ‘Freek moet gewoon doen waar hij de allerbeste in is: prachtig theater maken.’

Van ’t Hek en De Jonge repeteren een dag voor het optreden nog even een half uurtje in Amstelveen. Ze gaan samen het klassiekste musicalduet zingen: Vluchten kan niet meer. Dan spreken ze af elkaar in het Luxor niet te gaan aftroeven. Als de laatste zich al in het eerste couplet niet aan die afspraak houdt, besluit de eerste dat wel te doen en dus niet uit zijn rol te stappen. Teleurstellend voor degenen die hadden gehoopt op improvisatie en confrontatie. Van ’t Hek: ‘We hadden juist met elkaar besloten dat niet te doen. En daaraan heb ik me gehouden. En verder: niet belangrijker maken dan het is. Het was een eenmalig geintje dat we graag over hadden voor Rob. En nu weer over tot de orde van de dag.’

KRITIEK

‘Neven is een voorstelling over een vertrouwd thema bij De Jonge: schuld en boete. (…) De basis van Neven kennen we uit Freeks Nederland, de televisieserie die hij twee jaar geleden maakte toen hij 65 was geworden, over de plaatsen van zijn jeugd: van Groningen tot Zeeland. De uitwerking is zo vernuftig dat echt sprake is van een nieuw programma. En trouwens, als er een cabaretier is die recht heeft op het recyclen van zijn eigen materiaal, dan is het Freek de Jonge wel, met een oeuvre waar een ander drie levens over doet.’ (Patrick van den Hanenberg in de Volkskrant, 21 april 2011)

SPEELDATA

15 februari t/m 9 juni 2011 (60 voorstellingen). Reprise 16 september t/m 31 maart 2012 (ook 60 voorstellingen, met series in het DeLaMar Theater, Amsterdam en het Fakkeltheater, Antwerpen. De laatste voorstellingen van de tournee spelen allemaal in Vlaanderen.

MUZIEK

Gnossiennes van Erik Satie (opening en slot), in de uitvoering van Reinbert de Leeuw. Aan de vleugel zingt Freek de Jonge een nieuw lied, getiteld Waar moet de mens nog naartoe?

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

2007 – De Laatste Lach

Freek de Jonge speelt De Toeschouwer van februari tot mei 2007. Hij besluit de voorstelling in oktober nog een maand te hernemen. Hij begint aan die reprise in het Bossche Koningstheater op 14 oktober. Daar speelt hij een matinee- en een avondvoorstelling. Enkele dagen voor de voorstelling belt hij de directeur van het theater en stelt voor niet De Toeschouwer te spelen, maar ander materiaal uit te proberen. Hij gaat vanaf november met een nieuw programma optreden in het Amsterdamse Compagnietheater en wil daarom deze zondag alvast gebruiken om te oefenen op een goed publiek.
Vaste bezoekers van dit theater zijn in de loop der jaren vertrouwd geraakt met zijn behoefte te experimenteren en laten zich graag door hem verrassen. Deze keer echter heeft het publiek kaarten gekocht voor een bestaande voorstelling: De Toeschouwer. De programma-informatie is helder. Niet: Freek de Jonge probeert nieuw materiaal uit, maar Freek de Jonge brengt een middag en avond hoogtepunten uit zijn conferences door de jaren heen.

’s Ochtends is technicus Peter de Bruin al vroeg in het ­Koningstheater en hij wacht op een telefoontje van Freek de Jonge. Hij weet dat er om 14.30 uur een andere voorstelling moet staan dan De Toeschouwer, maar heeft geen idee wat dat wordt en wat de technische wensen zijn. Als de cabaretier vanuit de auto belt, laat hij weten dat Peter het moet laten lijken alsof er een bed half uit de coulissen steekt. Vanaf het podium spreekt de cabaretier namelijk zogenaamd iemand in een ziekenhuisbed toe. Even wordt overwogen een Bosch’ ziekenhuis te bellen met de vraag of er snel een bed geleend kan worden, maar omdat de tijd dringt besluit Peter de Bruin al snel met plankjes en stokken aan de slag te gaan. Ruim voor aanvang van de middagvoorstelling steekt er uit de coulissen een bed.

Freek de Jonge heet zijn publiek meestal welkom in de openingsconference. Maar deze keer beseft hij dat hij er niet staat als cabaretier, maar als acteur. En dus wil hij in zijn rol blijven. Hij komt oplopen en begint te spelen. Pas na het slotapplaus gaat hij in op het feit dat hij zijn publiek iets anders heeft voorgeschoteld dan men had verwacht.
Nadien staat hij in de theaterfoyer een paar boze toeschouwers te woord. Die tonen zich teleurgesteld in het feit dat ze niet hebben gekregen wat was beloofd. Omdat De Toeschouwer die hele maand nog speelt, biedt hij hun vrijkaarten aan voor een andere avond in de tournee. Maar het vaste theaterpubliek bedankt hem voor weer zo’n bijzondere voorstelling. En sommigen zeggen wel zeer verrast te zijn door zijn keuze voor een heel andere, veel toneelmatiger voorstelling. Een enkeling stelt dat deze productie, die dan nog titelloos is, wel eens tot zijn mooiste zou kunnen gaan behoren.

De programmatitel, De Laatste Lach, gebruikt hij al op 9 maart 2007 als hij voor de Volkskrant een verhaal schrijft in het kader van de Boekenweek, die dat jaar Humor als thema heeft. Freek de Jonge’s verhaal gaat over De Oude Komiek die geacht wordt De Horde aan het lachen te maken. Dat onderwerp domineert ook de theatervoorstelling die hij een half jaar later start. In interviews neemt hij dan ook duidelijk afstand van het cabaret. Binnen dat genre, zo stelt hij, is men – hijzelf incluis – veel te veel geneigd een knieval te maken naar het publiek. Daardoor boeten voorstellingen gaandeweg een tournee steeds meer aan kwaliteit in. Voor De Laatste Lach heeft hij besloten geen enkele concessie te doen en zelfs de vierde wand op te trekken. Geen cabaretier met conferences en liedjes, maar een personage in een zelfgeschreven monoloog. Zelf noemt hij het geen cabaret en geen toneel, maar theater.

Hij schuift het roodfluwelen voordoek eigenhandig helemaal open en gaat zitten achter een tafeltje met een spiegel. Hij vertelt:

De verpleger zal zo wel komen. Dat lijkt me een goed begin. Dan weet men dat het wachten op de verpleger is. Dat hebben ze graag aan het begin: zekerheid. Bloed is voor een oude verpleegster wat humor voor een oude komiek is. Het doet ze niets meer, maar het blijft van levensbelang. In mijn vak deed het begin er niet zo toe. Het ging meer om de clou, de pointe, de frappe, de punchline, de afmaker, de wegwezer. Er vielen ook nooit van die pijnlijke stiltes waarbij je je even geen raad wist met je gedachten. Nee, geen proloog – even opnieuw…

Hij schuift het toneeldoek dicht en weer open. Hij loopt naar het kledingrek, waaraan ook het gele jasje met zwarte sterren hangt. Dat kostuum staat bij hem al zo’n 25 jaar voor de outfit van de oude komiek. Eerst verruilt hij zijn rode kamerjas voor een zwarte jas met hoed. Hij loopt naar het ziekenhuisbed, neemt zijn hoed af en begint te praten, zogenaamd tegen de man in dat bed. Uit het verhaal dat zich ontspint, blijkt dat die man – een Nederlander van Marokkaanse afkomst – in coma ligt, nadat hij is aangereden door de verteller. Die is cabaretier:

Ik was dronken. (…) Ik had een feestje. (…) Ik was uitgenodigd door een criticus. Criticus? We kennen hem eigenlijk beter als jurylid van de Mini-Playbackshow. Parmantig kereltje. (…) Ik weet niet of het verstandig is om als artiest – ik ben artiest; ik heb dat veertig jaar gedaan – iets te doen in de privésfeer van een criticus. (…) Hij had me de beste genoemd. Ja, hij weet dat ik daar gevoelig voor ben na al die jaren: de beste.

Hij heeft aan het begin gezegd dat het wachten op de verpleger is. Die verschijnt aan het einde van de eerste helft om te vragen of Meneer De Jonge mee een kopje koffie gaat drinken. De toeschouwer ontmoet De Oude Komiek dus in de huiskamer van het verzorgingstehuis waar hij woont. Hij heeft zijn kledingrek met jasjes. De jas van de bezoeker van de comapatiënt: de medemens die letterlijk Lijdt. In de uitgesproken gedachten van de verteller die daaraan schuldig is, vindt hij misschien een aanknopingspunt:

Het schijnt dat comapatiënten letterlijk kunnen verstaan wat je tegen ze zegt terwijl ze in coma liggen. Het schijnt zelfs dat ze het ergens opslaan ook nog, in hun geheugen. Het schijnt zelfs zo te zijn dat ze hele gedeeltes letterlijk kunnen citeren.

Daarnaast de jas van de bezoeker van de moskee: de twijfelaar die het Hogere – God, Allah – aanspreekt omdat hij wil weten of Zijn Lijden dan helemaal voor niets is geweest nu niets nog heilig is:

Ja, Allah, dat zal je wel nooit verwacht hebben: dat ik nog eens een woord tot jou – U, wat doet het ertoe – zou richten. Ik ben toevallig net met een boek bezig over secularisatie in Nederland. Secularisatie: dat woord zegt u waarschijnlijk niet zo veel, maar wij proberen in dit land al enige tijd van God los te komen.
De socioloog die het boek heeft samengesteld, heeft geconcludeerd dat zeventig procent van de Nederlandse bevolking toch nog het gevoel heeft dat er iets moet zijn. En daar zou u dan onder vallen. Er is zelfs een dominee in Middelburg die beweert dat God niet per se hoeft te hebben bestaan om erin te kunnen geloven. Zo vrijzinnig heb ik het nog niet gegeten.

En dus de jas van de oude komiek: iemand die zijn lachgrage toeschouwers toespreekt en Lijdzaam gebruik maakt van zijn techniek en vaardigheden, omdat hij zich terdege bewust is van hun verwachtingen.

Dat publiek? Dat mis ik niet hoor. Dat hoor je in je hoofd toch wel, dat gelach. Ik heb eigenlijk liever dat ze er niet zijn dan dat ze er wel zijn. Dan kunnen ze er ook niet stom doorheen lachen.

De Laatste Lach is een zoektocht naar de duiding van het lijden en de vervulling van de leegte. Op God kunnen we niet meer rekenen, maar waarop dan wel? Opvattingen over grote onderwerpen – naast secularisatie ook onder meer radicalisering en massaconsumptie – en thema’s – zoals schuld en boete, hoop en hopeloosheid – zitten verweven in een intrigerend bouwwerk van associaties: vermakelijk en vlijmscherp, bitter en beschouwend, verhalend en anekdotisch. Hoewel vormelijk en inhoudelijk veel ingetogener, roept De Laatste Lach hierdoor herinneringen op aan zijn eerste soloprogramma’s, die hij volgens eenzelfde stramien componeerde.

Ook aan het slot komt de verpleger langs, nu om te zeggen dat het licht uitgaat. In de epiloog ligt de verteller dan zelf in dat bed:

En dat ik dan (…) geen kant meer op kan. Als God in de hemel. Een komiek op toneel. (…) Tot wachten gedoemd, met af en toe een opvlieging van verzet. Hallucinerend op morfine dat mijn bed het toneel is en de kamer het theater. Geduldig zit het publiek aan mijn voeten als vetplanten op een vensterbank te wachten op de laatste lach. (…)
Als mijn vrouw mijn hand pakt en ik nat ben van haar tranen.
Als de troost is opgedroogd en wij ons gelukkig wanen.
Als de kinderen goedbedoeld zeggen dat ik los moet laten
en ik denk: toen ik jong was, had ik ook makkelijk praten.

In een interview (Trouw, 17 november 2007) zegt hij dat De Laatste Lach knipoogt naar ’het laatste oordeel’ of daar nog voorbij. Freek de Jonge: ‘Naar het ultieme geluk; als het oordeel gepasseerd is. In de hemel is het lachen voorbij. Ze kúnnen niet lachen in het paradijs, omdat daar geen reden tot lachen is. Ze zijn ook niet gelukzalig, want er is geen oordeel. Er is geen goed of kwaad en humor ontstaat juist door de spanning tussen goed en kwaad. Zoals dieren niet oordelen. Er staat nooit een egel hoofdschuddend naast een doodgereden egel.’ (…)
‘Je mag blijven hopen,’ zegt hij in de voorstelling, ‘maar er is geen hoop meer.’ Dat is de schuld van de secularisering; we hebben geloof, God en kerk verstopt, verdonkeremaand, afgeschaft. En daarom zitten we nu met de handen in het haar: ‘Er moet iets zijn, omdat de mens zonder iets niets is. Ja, dat is heel Shakespeareaans.’ Of: ‘Als er totaal ongeloof is, is niets meer heilig.’

COULISSEN

‘Nadrukkelijk noemt hij zijn monoloog “theater”. De Jonge: “Ik distantieer me niet van het cabaret, maar cabaret in Nederland is een monocultuur geworden. Waar vroeger een regenwoud stond is nu een sojaplantage ontstaan”.’ (Interview door Kester Freriks voor NRC-Handelsblad, 5 november 2007)

De Laatste Lach is een toneelmonoloog, met hier en daar een cabaretesk element. Freek de Jonge: “Maar je kunt het geen stijlbreuk noemen. Na dat stuk met Theo Maassen zat dit eraan te komen. Ik wil een beetje weg bij het cabaret, al valt in De Laatste Lach veel te lachen. Het thema is eigenlijk de geloofsafval, de secularisatie. Ik vind dat we ons te weinig afvragen wat daar maatschappelijk de gevolgen van zijn. Het voordeel is dat taboes zijn doorbroken en dwangmatige angsten zijn afgezworen, maar wat overblijft, is geestelijke leegte. Ongenoegen. Ik vind dat de mens verantwoordelijk is voor zijn eigen ongenoegen, maar er wordt gekankerd op de verkeerde mensen en de verkeerde dingen. Men wijst de ander aan of de omstandigheden. Het is een persoonlijk verhaal over mijn eigen geloofsafval.” (Interview Jos Bloemkolk voor Het Parool, 3 november 2007)

‘Tijdens het gesprek noemt Freek de Jonge bij herhaling namen van toneelauteurs die hem inspireren: Shakespeare, Samuel Beckett, Harold Pinter en Thomas Bernhard. “Een van de favoriete voorstellingen die ik bracht was Minetti van Bernhard: over een acteur die terugkijkt op zijn leven”.’ (Interview door Kester Freriks voor NRC-Handelsblad, 5 november 2007)

‘Freek de Jonge: “De Laatste Lach is een dubbelzinnige titel, ja. Maar daar komt nog iets bij. Het laatste oordeel is in de protestantse wereld een enorme doem, maar je kunt het ook als een opluchting opvatten, want daarna komt er geen oordeel meer. Het is het oordeel voorbij. Zo is de laatste lach de humor voorbij. De terreur van de ironie is een beetje aan het voorbijgaan, maar wat komt ervoor in de plaats? Het enige werkelijke engagement van de satirici is grappig te zijn. Wat ik hoop te bereiken: dat de lach lagen heeft en tegelijkertijd pijnlijk is”.’ (Interview Jos Bloemkolk voor Het Parool, 3 november 2007)

‘Wie het theater van Freek de Jonge kent of een roman als Door de knieën, weet dat Het Hogere een vooraanstaande plaats inneemt. “De secularisatie in Nederland heeft het mysterie verdrongen en daarvoor is het probleem in de plaats gekomen”, legt hij uit. “Voetbal kan een mysterie zijn, voetbalanalyse is dat niet. Degene die besluit het onzichtbare uit zijn leven te bannen, draagt altijd een leegte met zich mee, al wordt die opgevuld door rock ’n roll of sociaal-democratische idealen. Het mysterie is immaterieel en het probleem is materieel. Door de secularisatie verloor Nederland zijn identiteit. Het zou beter zijn goed naar de teksten van Shakespeare te luisteren. Die geven inzicht, en dat zorgt voor troost. Ik wil met mijn voorstellingen de toeschouwer troosten, want we zitten allemaal in hetzelfde schuitje. We lijden, we missen geestelijke rijkdom”.’ (Interview door Kester Freriks voor NRC-Handelsblad, 5 november 2007)

‘Spelenderwijs leerde mijn vrouw van haar moeder kostuums en jurken in elkaar te zetten. Onze kinderen weten nog van het bestaan van een naaimachine, maar niet meer hoe je die moet gebruiken. En daarna komt de generatie die niet meer weet hoe je kleding maakt of herstelt. Zoals de bijbelverhalen er bij mij in zitten, zitten die er bij mijn kinderen al niet meer in. Waar dat toe leidt? Tot de roboteske mens. Die keurig z’n werk doet, ’s avonds te uitgeput is om iets anders te doen. In z’n vrije tijd robotesk recreëert in Center Parcs en denkt dat uit vrije wil te doen. De illusie van de vrijheid; we kunnen geen kant op in dat knappe raderwerk met ons als slaven van de consumptiemaatschappij.’
De Jonge weet ook wel dat Charlie Chaplin daar in zijn Modern Times al vergeefs op wees en ziet daar zowaar iets troostrijks in: ‘Er zijn genoeg profeten. Het allertreurigst is dat het niet veel meer uitmaakt. Elke inspanning om “dat lijden” te verzachten, heeft niet geholpen. Het lijden is alleen maar groter geworden.’ (Interview Arend Evenhuis voor Trouw, 17 november 2007)

KRITIEKEN

‘Al eerder lonkte De Jonge naar het toneel: hij speelde de titelrol in Minetti van Thomas Bernhard, de nar in King Lear (Het Nationale Toneel) en samen met Theo Maassen het toneelstuk De Sterfscène. Nu speelt hij een personage dat zo lijkt weggelopen uit een toneelstuk van Thomas Bernhard – de schuifelende, zoekende oude man zoals ook De Wereldverbeteraar dat was en ook De Theatermaker, twee beroemde Bernhard-personages. Briljante mopperkonten, die met veel verbaal geweld en wijsheid hun eigen leven en de wereld daaromheen beschouwen. Dat doet De Jonge in De Laatste Lach ook, zowel als wereldverbeteraar als theatermaker. (…)
“Het mooie van toneel is dat je eigenlijk geen publiek nodig hebt”, zegt De Jonge aan het begin. Maar het zou nog mooier en volkomen terecht zijn wanneer die zaal de komende tijd helemaal vol zit.’ (Hein Janssen in de Volkskrant, 10 november 2007)

De Laatste Lach ontvouwt zich als een magnifiek weefwerk dat via een rijk arsenaal aan gelijkenissen en talloze terzijdes steeds weer neerkomt op de vraag wat De Jonge het publiek anno nu nog te vertellen zou hebben. “Niets doet ons iets meer!”, stelt hij vast, met alle pathetiek die in hem is. (…)
Opnieuw weet De Jonge in deze voorstelling (…) grote thema’s op te roepen die hij telkens vanuit verschillende hoeken, via verschillende verhalen, te lijf gaat. Wat dat betreft roept De Laatste Lach herinneringen op aan de vorm van de eerste grote soloprogramma’s (vanaf 1980) waarmee hij het cabaret heeft omgevormd tot een modern theatergenre. Als geen ander kan De Jonge zijn optreden stilzetten en weer in een stroomversnelling brengen. En als hij de bezoekersjas verruilt voor een showjasje uit een van zijn vorige voorstellingen, is hij ook weer de cabaretier die de lachers moeiteloos op zijn hand krijgt met een spervuur aan gespierde grappen. Als dit de laatste lach zou zijn, is het wel een hele goeie.
Eigenlijk maakt het niets uit of hij zich tot ons richt (cabaret) of tot een imaginaire ander (toneel). Het genre doet er niet toe. Dit is Freek de Jonge op zijn best.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 15 november 2007)

‘Welke voorstelling zou iedereen gezien moeten hebben?
“De Laatste Lach van Freek de Jonge. Daar stond echt een prachtig acteur, een persoonlijkheid, subtiel en stil. Een Beckett-acteur”.’ (Acteur-theatermaker Sabri Saad El Hamus in het maandblad van het Theaterinstituut Nederland, 2009)

SPEELDATA

Hoewel hij vanaf 14 oktober – reprisetour De Toeschouwer – al een enkele keer materiaal uitprobeert, start de tournee officieel op 6 november 2007 en die loopt door t/m 15 december. Na deze serie van zo’n 25 voorstellingen volgt van 12 februari t/m 29 maart 2008 nog een reprise van ruim dertig voorstellingen. Alle voorstellingen hebben plaats in het Amsterdamse Compagnietheater.

PUBLICATIES

Tekst

De tekst van De Laatste Lach staat integraal afgedrukt in de hierna genoemde 2dvd.

Beeld

2DVD De Laatste Lach/De Dienst van Freek (2009)

De Dienst van Freek (2006) is als extra dvd toegevoegd.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

2004 – De Vergrijzing

Op 30 augustus 2004 wordt Freek de Jonge zestig jaar. Een dag later start hij met het meest ambitieuze theaterproject uit zijn carrière: De Vergrijzing. Vijftien producties in vijftien weken: een heuse speelfilm als slotaflevering en daarvóór veertien zeer uiteenlopende theaterprogramma’s – van cabaret tot concert tot toneel, van grap tot anekdote tot verhaal, van amuseren tot bekritiseren tot beschouwen, van improviseren tot declameren tot visualiseren, van meestal in zijn eentje tot één keer met een tegenspeler en tot vaker met een band. Vijf dagen per week spelen in een vast theater: het Amsterdamse Compagnietheater. Op dinsdag voorlezen en improviseren. Op woensdag en donderdag er spelend vorm aan proberen te geven. Op vrijdag een ‘definitieve’ vorm kiezen met het oog op de televisieopname van zaterdag. Op zondag overdag de opname monteren tot de uitzending van ’s avonds, want de VPRO-televisie zendt de hele serie vijftien weken achtereen op zondagavond uit. Dan op maandag concentreren op de voorstelling van dinsdag et cetera!

De Vergrijzing staat voor het ijkpunt van zestig jaar oud worden. Daarnaast leeft de ambitie om De Grens, uit 1999, te overtreffen. Dat project bestond uit tien shows in twaalf maanden. Freek de Jonge speelt zelfs nog even met het plan om de lat nóg hoger te leggen: een aaneengesloten periode elke avond iets anders spelen. Het wordt uiteindelijk één programma per week, ook al omdat hij beseft dat het leveren van een grootse artistieke prestatie moet prevaleren boven de recordambitie van de hoogspringer die nóg hoger wil reiken.
Na De Vergrijzing is er ook even niet meer de behoefte records te vestigen. Het is genoeg zo, al denkt hij daar een half jaar later al weer anders over als de VPRO-televisie hem tien weken achtereen een klein half uur zendtijd aanbiedt en hij Freek Kortgehouden kan maken.
Spijt heeft hij niet van deze uitputtingsslag. Hij is het dan ook niet eens met het verwijt dat hij beter meer tijd in minder had kunnen steken, waardoor hij meer uit zijn materiaal had kunnen halen. Door op deze manier te werken en steeds andere invalshoeken te kiezen, kan hij ‘ijken’, kan hij laten zien wat hij in huis heeft. En op de vraag waarom hij zo veel wil doen, is het antwoord simpel: voor sommigen is een mensenleven een lange zit, maar hij vindt het heel erg kort. Als je de energie hebt om hard te werken, moet je het doen.
Hierbij moet zeker worden opgemerkt dat hij ook het geluk heeft met Hella de Jonge te kunnen werken, die voor de hele serie de organisatie, productie en vormgeving op zich neemt.

Aanvankelijk heeft Freek de Jonge het plan op maandagochtend de krant open te slaan en daar onderwerpen uit te selecteren. Op dinsdagavond, met publiek erbij, begin je daarmee dan op nul en uiteindelijk kom je, op zaterdag, tot een resultaat dat je opneemt, monteert en op zondag uitzendt. Maar al snel wordt hem duidelijk dat hij zich dan te veel laat leiden door wat maximaal haalbaar is met de beschikbare onderwerpen. Daarom kiest hij als voorbereiding vijftien thema’s die hij steeds anders wil benaderen. Die keuze zal hij tijdens de speelperiode overigens sterk laten beïnvloeden door enkele gebeurtenissen met veel impact, zoals de plotselinge dood van Bram Vermeulen op zaterdag 4 september 2004, nota bene op de ochtend van de televisie-opname van de eerste aflevering. En twee maanden later, op dinsdag 2 november, de moord op Theo van Gogh. Dat gebeurt op de ochtend van de eerste uitvoering van het tiende programma.

Deze marathon sterkt zijn keuze geen grote shows meer te maken, al kiest hij in 2011 toch weer anders. Hij ervaart elke week dat de dinsdagavonden het mooist zijn. Dan komt het beste door wat hij wil overbrengen. Door de reactie van het publiek verandert de voorstelling in de speeldagen daarna te veel in de richting waarvoor hij juist niet wil kiezen. Freek de Jonge: ‘Een kunstenaar in de klassieke betekenis van het woord neemt de uiterste consequentie van zijn ambitie. Ik ga zover als het publiek met me mee kan en wil. Het is de paradox van de uiterste artistieke prestatie leveren versus het publiek willen behagen. Ik zit er tussenin.’
Bij het terugzien van oudere soloprogramma’s valt hem opnieuw op dat die in een te laat stadium zijn geregistreerd. Freek de Jonge: ‘Het leven is eruit als je iets vaak speelt. De ontwikkeling is veel interessanter dan het eindresultaat, zowel voor mezelf als voor het publiek.’ Het nadeel van elk programma maar zo kort spelen, is dat het gaarkoken plaats maakt voor de snelkookpan. Daardoor heeft hij vaak het onbehaaglijke gevoel dat er meer in zit, maar dat hem de tijd ontbreekt dat een paar voorstellingen te laten stabiliseren. Freek de Jonge: ‘Nu zat ik soms op vrijdag aan de top, maar was het op zaterdag, tijdens de opname, toch dertig procent minder. Nou ja, dat is dan een pijnlijk gevolg van de opzet.’

Al tijdens de persconferentie, op 13 mei, stelt hij dat hij met deze serie meer theater en minder cabaret wil maken. In zijn ogen heeft het Nederlandse cabaret zich ontwikkeld tot een gemakkelijk soort amusement, waarbij de artiest beantwoordt aan het verwachtingspatroon van zijn lachgrage publiek. Zo schrijft hij in het persbericht dat hij walgt van de heersende ‘leukheidscultus’ in Nederland en dat hij weg wil bij ‘dat vreselijke cabaret met die domme lach’. ‘Dit land,’ zo stelt hij, ‘is het meest bevreesd voor diepgang, daarom leg ik de lat bewust hoog.’
Ook de televisie heeft zich ontwikkeld naar de massa toe. Zelfs de publieke omroep hangt erg tegen de commercie aan. Door niet te kiezen voor de lach richt Freek de Jonge zich elke zondagavond tot zo’n vijfhonderdduizend mensen die, net als hij, geen behoefte hebben aan dat gemakkelijke succes van de zaptelevisie.
In een interview met Merijn Henfling, voor Het Parool op 31 december 2004, zegt hij: ‘Het programma stond haaks op de ontwikkelingen in televisieland, waar uitzendingen onbenullig moeten zijn en nooit langer dan drie minuten de aandacht hoeven te trekken. We hebben veel reacties gekregen van mensen die blij waren dat zoiets op televisie nog bestond. Er is een beperkte groep die nog bereid is zich een uur lang te concentreren. Als ik naar de kijkcijfers kijk, zijn er daar in Nederland ongeveer vier- tot vijfhonderdduizend van. De wereld zou er mooier uitzien als die alleen uit deze mensen zou bestaan.’
Door zijn toeschouwers en de televisiekijkers geen hapklare brokken aan te bieden, heeft hij een deel van hen van zich vervreemd. Zijn publiek is dus kleiner geworden, maar ook beter. Hij betreurt de ontwikkeling dat mensen geen inspanning meer willen leveren, want als ze dat wel zouden doen, vonden ze een veel grotere voldoening dan wanneer ze zich op hun wenken laten bedienen. Zijn instelling is dat iets wat net even te moeilijk is, leuker is om te veroveren dan iets wat je even in je achterzak steekt. Freek de Jonge, in datzelfde interview: ‘Die instelling verwacht ik ook van andere mensen. Dat is een evolutionaire gedachte: zo zijn wij mensen met hersenen geworden. Als we met zijn allen snel naar een betere wereld willen, moeten we met heel veel mensen heel goed nadenken. De ontwikkeling is echter dat er steeds minder mensen steeds beter gaan nadenken, waardoor de massa nog meer afhaakt. Ik begrijp het wel: mensen werken hard en we leven in een samenleving die heel veel van je vraagt. Als je dan ’s avonds thuis bent, wil je niet nog een keer moeten nadenken, maar alles lekker voorgekauwd doorslikken. Dat is een decadente ontwikkeling die niet bijdraagt aan de evolutie. De evolutie vraagt om wakkere survivers die de hele tijd bezig zijn zichzelf te verbeteren en te zoeken naar een uitweg…’
De titel De Vergrijzing slaat dan ook niet alleen op zijn vergrijzende leeftijd en op het kleurloze Nederlandse cabaret, maar ook op de maatschappelijke ontwikkelingen, waar men de nuance meer en meer verliest, waar individuele krachten het afleggen tegen de middelmatigheid van de massa.

Tot de betere kijkers die fan zijn gebleven, behoort ook een select groepje toeschouwers dat speciaal elke dinsdag naar het Compagnietheater komt om die eerste stappen bij te wonen. Die mensen zien vervolgens op zondag op televisie wat het uiteindelijke resultaat is en op de dinsdag daarop delen ze na afloop graag met de cabaretier wat ze ervan vonden. Die liefhebbers maken dus ook de zo bijzondere aflevering mee die start op de avond van de moord op Theo van Gogh. Die begint door die tragische gebeurtenis precies zoals Freek de Jonge aanvankelijk voor de hele serie voor ogen stond: naar aanleiding van wat er gebeurt, schrijf je teksten en begin je te spelen.
Bij aanvang laat hij die avond weten dat hij hun alleen zijn betrokkenheid bij zo’n gebeurtenis kan bieden. Hij leest voor wat hem overdag is ingevallen en hij discussieert daarna met de aanwezigen. Het geld van hun toegangskaartje mogen ze die avond houden.

COULISSEN

‘Ik ben tot vijftien dingen gekomen, die ik in mijn hoofd verder heb uitgewerkt. Zie het als een simultaanschaker: je hebt vijftien partijen in je hoofd en doet met grote regelmaat een zet. Er komen monologen, waarvoor ik veel heb uitgeschreven. Maar ik ga bijvoorbeeld ook een masterclass doen met amateurtoneelspelers uit Amsterdam (…) en een musicalachtig geheel maken met Daniël Lohues en Cok van Vuuren.’ (NCRV-gids, 4 september 2004)

Sommige van die plannen worden niet gerealiseerd, veelal omdat ze moeten wijken voor andere goede ideeën. Ook enkele running gags houden het niet de hele serie vol. De grappigste is ongetwijfeld die van de verteller die zijn erecties bijhoudt in een schriftje. Dat doet hij als puber (aflevering 2), maar ook nog als student (aflevering 3). En zelfs als dementerende man (aflevering 6) verwijst hij er opnieuw naar.

‘Hoe zag uw schema er de afgelopen maanden uit?
“Ik werkte zeven dagen per week vijftien tot zestien uur per dag. Aanvankelijk probeerde ik alle tekst uit mijn hoofd te leren, maar daar ben ik na drie weken mee opgehouden. Ik kon gelukkig af en toe terugvallen op de autocue. Soms kon ik ’s nachts helemaal niet slapen, omdat ik zo hyper was of omdat ik piekerde over hoe het verder moest.
Na de montage op zondag was het tijd voor de volgende show die op dinsdag begon. Van maandag tot dinsdagavond zat ik dingen bij te schrijven. Meestal had ik de helft al op papier staan en moest ik nog zo’n twintig pagina’s bijschrijven.”
Kan het nog gekker?
“Misschien moeten we gewoon een keer vier weken elke dag een andere show doen.”
Hella (vanuit de woonkamer): “In je eentje, hè”.’
(Interview met Merijn Henfling in Het Parool, 31 december 2004)

‘Bent u tevreden met het eindresultaat?
“Als ik het vergelijk met vijftien partijen blind simultaandammen, heb ik er tien gewonnen, vier remise gespeeld en één verloren. De aflevering over de happy few in het Gooi had beter gekund. De oudejaarsconference – het kan omdat ik die verkeerde garnaal had gegeten – vond ik uiteindelijk mislukt. De eerste twee shows had ik graag aan het eind nog een keer overgedaan, maar ja: je moet ook een keer beginnen.
In die eerste weken ging Bram dood, moesten we hem begraven. Er zijn allerlei redenen aan te voeren waarom het anders is gegaan. In alle bescheidenheid zeg ik ook over mezelf dat het tamelijk briljant was”.’ (Interview met Merijn Henfling in Het Parool, 31 december 2004)

Ziet u zichzelf nog als cabaretier?
“Je zou van de hele serie kunnen zeggen dat die kunst is. Er zaten cabaret-elementen in, maar ook toneel en beeldende kunst. Hella en ik hebben geprobeerd totaaltheater te maken. Op het moment dat je zoiets als cabaretier onderneemt, wordt het net iets minder serieus genomen. Ik heb wel de indruk dat ik met deze vijftien shows tot in het detail genuanceerd heb gebracht waar ik voor sta. Dat is het hele spectrum van platte humor tot bittere ernst, met daar tussenin alles. Ik denk dat ik mijn punt gezet heb”.’ (Interview met Merijn Henfling in Het Parool, 31 december 2004)

In 2004 wordt Freek de Jonge dus zestig jaar, maar dat jaar is er nóg een jubileum te vieren: Hella werkt vanaf Freeks breuk met Bram Vermeulen, in 1979, mee aan alle programma’s. Al 25 jaar dus. Vanaf De Komiek is zij verantwoordelijk voor de kostuums en het decor en sinds 1986 ook voor het licht. De betekenis van haar werk blijkt overtuigend in alle afleveringen van De Vergrijzing. Patrick van den Hanenberg is in de Volkskrant (van 23 december 2004) zeer kritisch over haar mans wisselvallige prestaties in deze serie, maar over haar schrijft hij: ‘De enige die de hele serie hoog niveau heeft bereikt, is Hella de Jonge. Elke aflevering heeft zij wonderschoon, kunstzinnig en stemmingsvol aangekleed.’
Haar grote aandeel in de theatershows van Freek de Jonge komt niet alleen tot uiting in de vormgeving van alle afleveringen van De Vergrijzing, maar ook in een speciale tentoonstelling rond hun gezamenlijke theaterwerk, getiteld Hella (25 jaar) voor Freek. En op de 3dvd-box De Vergrijzing staat een aantal extra items, waaronder ook een interview met Hella de Jonge, in maart 2005 afgenomen door Matthijs van Nieuwkerk.
In dat interview gaat ze onder meer in op hun samenwerking voor dit project. Ze vertelt dat ze hem voor gek verklaarde toen hij met het plan voor De Vergrijzing kwam. Maar omdat er in hun samenwerking, zowel privé als artistiek, sprake is van symbiose, probeert ze hem er niet voor te behoeden. Wel stelt ze zichzelf de vraag of zij eraan wil meewerken, ongeacht wat haar besluit voor zijn keuze betekent. De Grens is al heftig geweest en nu stapt hij in iets nog groters. Toch zegt ze ja.
In maart, dus een half jaar voor de eerste aflevering, zijn ze eraan begonnen. Hella is degene die vanaf het eerste moment de productie op zich neemt, zodat hij aan zijn materiaal kan werken. Als de een 24 uur per dag geconcentreerd, verlicht is, zo zegt ze, moet de ander de voeten op de grond houden. Zij bekommert zich om afspraken met de speelplek, met mensen die gevraagd worden mee te werken et cetera.
Als teksten klaar zijn, leest hij ze voor. Zij luistert en laat ze bezinken. Hella de Jonge, in dat interview met Matthijs van Nieuwkerk: ‘Ik doe mijn ogen dicht en dan komt er iets binnen. Dat klinkt magisch en ongrijpbaar. ik zie die beelden. Dat is een wonderlijke gave waarvoor ik mijn moeder dankbaar ben. Mijn oom Gerard Croiset was een beroemd paragnost. (…) Ook ik kan intunen op wat ik wil zien. Als ik tekst krijg en het idee hoor, ga ik intunen en het komt binnen. Geen eindeloos tekenen aan de tekentafel. Veel gemakkelijker. Ben ook technisch: heb beelden gemaakt en keramiek. Maar dan moet je het dus nog kunnen uitleggen en de juiste mensen hebben om het uit te voeren. Wij hebben Peter de Bruin. Hij is medeverantwoordelijk voor de uitvoering van het werk en voelt wat ik wil.’
Ook staat ze in het interview stil bij het belang van de vormgeving. Zo stelt ze dat zijn teksten zonder decor te dwingend overkomen. Als het publiek het idee krijgt dat hij zijn materiaal door hun strot duwt, wordt de voorstelling onverteerbaar. Bij Neerlands Hoop had Bram honderd procent de functie daarvoor te waken. Freek onderschatte dat dat essentieel was. Alléén is het niet leuk, dat redt hij niet. De functie van Bram was dat Freek zich honderd procent aan de tekst kon wijden.
Dus toen Freek in 1979 solo ging, wist Hella dat dat alleen zou kunnen als er iets in de plaats van Bram zou komen. Een visuele situatie die rust biedt. Zij beschouwt het als haar taak de schoonheid en rust te brengen die hem in staat stellen zijn woorden in zijn lijf te stoppen en aan zijn publiek te geven. Als het te manifest, te dwingend, te driftig wordt, raken de kijker en de luisteraar onnodig vermoeid. Hella de Jonge: ‘Ik hou veel van hem, ik gun hem niet…. Hij heeft mooie dingen gemaakt. Ik ken alles “kaal”, maar ik zie ook wat mensen aankunnen. Ik doe het licht, zit in de zaal, ik let op, maar ik heb alle voelsprieten uit. Ik observeer, ik let op reacties… Ik vertel hem ook wel wat er gebeurt in de zaal en wat mijn bijdrage zou kunnen zijn. Ik geef zijn materiaal plek, zodat plaats, tijd, handeling bij elkaar komen.’
Tenslotte betrekt ze daar zijn grenzeloze ambitie bij. Ze vertelt dat hij op zijn 58ste voor het eerst op de fiets de Alpe d’Huez beklimt. Meteen daarna stelt hij zich ten doel het weer te doen om zijn eindtijd te verbeteren. Nog fanatieker trainen. Zij wil dingen verfraaien, hij tijden. Zij denkt wel eens: dat altijd harder en harder… Neem die Alpe d’Huez. Misschien zoekt hij wel het gevaar op er vanaf te sodemieteren. Die drift, die ambitie, bepaalt, naast zijn talent en discipline, een groot deel van zijn succes.

De expositie Hella (25 jaar) voor Freek. Tentoonstelling over het theaterwerk van Freek en Hella de Jonge is van 25 augustus 2004 tot 9 januari 2005 te zien in het Theatermuseum van Theaterinstituut Nederland te Amsterdam. Uit het persbericht:
De kostuum-, decor- en lichtontwerpen van Hella zorgen al 25 jaar dat de programma’s van Freek nog meer betekenis en lading krijgen. In deze tentoonstelling wordt de bijzondere samenwerking tussen beiden inzichtelijk gemaakt. Het verhaal wordt verteld aan de hand van unieke materialen, zoals kostuums, rekwisieten, foto’s, tekeningen, affiches en beeld- en geluidsfragmenten. (…)
De wijze van samenwerking, de wederzijdse beïnvloeding en de ontwikkeling van beide kunstenaars vormen de basis voor de tentoonstelling. (…) De vormgeving is in handen van Hella de Jonge en Peter de Bruin, al vele jaren als vormgever en stagemanager werkzaam voor Freek en Hella.
Nadat Freek haar had gevraagd de aankleding voor zijn eerste soloshow (De Komiek, 1980) te verzorgen, groeide de bemoeienis van Hella al snel. Naast het ontwerpen en maken van kostuums ging ze ook (…) het toneelbeeld van de verschillende producties (…) bepalen. In 1983 trad ze voor het eerst wat meer op de voorgrond door de cabaretier in het slotnummer van De Mythe op viool te begeleiden. En vanaf ‘Het Damestasje’ (1986) verzorgde Hella tevens het lichtplan en bediende ze het licht tijdens de voorstellingen. De vrouw die al muze, klankbord, organisator, violist, kostuum- en decorontwerper was, werd door Freek vanaf dit moment ook liefkozend ‘mijn licht’ genoemd.
(Tentoonstellingstekst, augustus 2004)

‘Freek wilde graag dat ik hem bij iedere voorstelling zou vergezellen, maar ik had geen zin om avond aan avond werkloos toe te zitten kijken, dus ik verzon een taak. Ik maakte me de lichttechniek eigen en vanaf dat moment was ik ook actief als belichter.’ (Interview Hilde Scholten met Hella de Jonge voor TIN-magazine, augustus 2004)
Freek en Hella de Jonge beschouwden hun samenwerking van meet af aan als een organisch proces waarin de wederzijdse beïnvloeding centraal stond. De ene keer leidde inhoud tot vorm en de andere keer bepaalde vorm de inhoud. (…) Het gewone bijzonder maken (…) werd een belangrijk kenmerk in het toneelbeeld van Hella de Jonge. Zoals een verhaal bij Freek net een andere wending neemt, zo geeft Hella ook graag een twist aan de dingen. Een poezenmand is bij haar nooit zomaar een poezenmand, een gieter wordt sterk vergroot en een sjoelbak is zo gemanipuleerd dat de stenen niet glijden, maar gelanceerd worden.
(Tentoonstellingstekst, augustus 2004)

‘De hele avond alleen maar naar die malle man kijken had je als publiek niet gered. (…) Ik ben ervan uitgegaan dat je blij bent als je af en toe ook naar iets moois kunt kijken.’ (Hella de Jonge, geïnterviewd door Henk van Gelder voor NRC-Handelsblad, 19 augustus 2004)

Hoe groot het effect van het toneelbeeld ook is, in de voorstellingen van Freek de Jonge krijgt het visuele aspect nooit het alleenrecht. Hoofdzaak is niet dat decors en rekwisieten een mooi plaatje opleveren, maar dat ze functioneel zijn en de inhoud ondersteunen. Daarbij lijkt het een sport om decorstukken, rekwisieten en kostuums in eenzelfde programma te hergebruiken en ze daardoor een andere betekenis mee te geven. Door het intensieve gebruik van de Chinese kast in ‘De Tol’ werd bijvoorbeeld eerst een orgel gesuggereerd, was het een fractie later een dankbaar attribuut voor de goochelende Freek, vormden de losse delen samen vervolgens een aantal trappen en school er uiteindelijk een drum in.
(Tentoonstellingstekst, augustus 2004)

‘Tien jaar geleden zei u in een interview dat u het een bekroning zou vinden om met uw werk in het museum te staan.
“Ja, ik bedoelde een expositie van mijn beelden in bijvoorbeeld het Stedelijk Museum. (…) Uiteindelijk sta ik nu in het Thea­termuseum met mijn kostuums. Ook prima. (…) Ik ben heel blij met die beelden. Freek vraagt me wel eens wat er zonder hem van mij geworden was. Ik denk dat ik het wel gered had. Misschien was ik dan wel een grotere beeldhouwer geworden. Toch kan ik me niets beters voorstellen dan dit. Het klinkt misschien tuttig, maar ik ben echt heel gelukkig dat het zo is gelopen. Tien jaar geleden wilde ik per se met mijn beelden in een museum. Nu denk ik: kom ik er niet, ook prima. Het Thea­termuseum is prachtig”.’ (Interview Merijn Henfling met Hella de Jonge voor Het Parool, 14 augustus 2004)

Zowel Freek als Hella de Jonge werken het liefst op de vloer zelf. (…) Hella is zo visueel ingesteld dat ze, zonder eerst uitgebreid te schetsen, in haar atelier maakt wat ze in haar hoofd heeft. In de loop der jaren is Hella op het toneel de kunst van het weglaten steeds meer gaan toepassen en kreeg Freek de behoefte zich wat bescheidener en strakker te kleden. Daarmee verviel de noodzaak dat Hella alle kostuums zelf maakt. Toch drukt ze ook op de gekochte maatpakken altijd een eigen accent door er versieringen op aan te brengen. Freek blijft immers haar ‘levende object’.
(Tentoonstellingstekst, augustus 2004)

‘Intussen hebben ook andere theatermakers haar voor hun vormgeving gevraagd, maar dat is tot dusver niet gelukt. “Het tempo van Freek ligt zo hoog dat ik daar geen tijd voor zou hebben. (…) Bij ieder ander zou je mijn taak misschien als regisseur omschrijven”.’ (Hella de Jonge, geïnterviewd door Henk van Gelder voor NRC-Handelsblad, 19 augustus 2004)

Freek de Jonge stelde ooit dat vanaf het moment dat zijn vrouw hem in het theater bijstaat, hij is opgehouden met optreden. Door Hella aan zijn zijde ervaart Freek zijn shows niet langer als werk, maar als iets huiselijks, waardoor het publiek als het ware op bezoek komt. (Tentoonstellingstekst, augustus 2004)
‘De titel van de tentoonstelling – Hella voor Freek – kan op meerdere manieren worden uitgelegd: Hella die nu eens vóór Freek in de belangstelling staat, maar ook: Hella heeft het allemaal voor Freek gemaakt. De bonte kleuren springen direct in het oog. De prachtigste stoffen buitelen over elkaar heen. Van dichterbij bekeken, blijken de kostuums getooid met bijzondere en vaak ingenieuze details. Zelf wijt ze het aan haar achtergrond als edelsmid; die zijn immers gewend te werken op de vierkante millimeter. Voor het theater, met veel grotere afstanden, is dat misschien niet noodzakelijk, maar het tekent haar werk: oog voor detail. (…)
Nu de nadruk ligt op het werk dat Hella de Jonge heeft gemaakt voor haar man Freek, zie je eens te meer hoe belangrijk de vormgeving is en altijd is geweest in zijn voorstellingen. Hella de Jonge zou weleens de eerste geweest kunnen zijn die van een cabaretvoorstelling theater wist te maken door zoveel nadruk te leggen op de vorm. Een nadruk die heel goed aansluit bij de onnavolgbare vorm waarin Freek de Jonge zijn verhaal vertelt.’ (Rinske Wels in Trouw, 26 augustus 2004)

‘Mede door haar kostuums en toneelbeelden werd De Jonge verreweg de visueelste artiest in het cabaretgenre, dat doorgaans weinig visueels te bieden heeft. Hij draagt fantasievolle kostuums (…) en werkt vaak met spectaculaire effecten. Al in De Komiek kwamen er honderden pingpongballetjes uit de nok naar beneden. Grote vormgevers uit de theatergeschiedenis stonden haar niet voor ogen, zegt ze. “Nee, het komt echt uit mezelf. Wat me altijd wel heel erg heeft geïnteresseerd, waren clowns. Fellini-achtige effecten. Ik denk vanuit de clown en Freek is voor mij de clown”.’ (Hella de Jonge, geïnterviewd door Henk van Gelder voor NRC-Handelsblad, 19 augustus 2004)

‘Hella de Jonge is volgens Hans Croiset een gezegend mens. “Welke vrouw kan haar echtgenoot als paspop gebruiken en in tientallen uitdrukkingen het land in sturen?”, sprak de acteur bij de opening van Hella voor Freek. (…) “Welke vrouw kan van haar man honderd verschillende mannen maken? Geen wonder dat ze het zo lang met hem uithoudt”.’ (Merlijn Henfling in Het Parool, 25 augustus 2004)

Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag verschijnen in 2004 en 2005 het 4cd-luisterboek Ik ben niet helemaal goed, gek eigenlijk (waarop de 2cd’s Zelfmoord voor de radio, uit 1991, en Draagmoeders, uit1992, zijn samengebracht) en het 2cd-luisterboek Als je me nu nog niet kent, door samenstelster Hilde Scholten omschreven als ‘het beste uit twintig jaar theatershows’. Daarop staat, naast oud materiaal, Liefdesliedje, geschreven ter gelegenheid van Hella’s vijftigste verjaardag (1999) en niet eerder uitgebracht.
Eveneens ter gelegenheid van Freeks zestigste verjaardag volgde Coen Verbraak hem achtenhalf jaar. Verbraaks documentaire Freek, op de hielen gezeten zendt de RVU-televisie uit op De Jonge’s verjaardag: 30 augustus 2004.
‘Die laat zien hoe De Jonge zich de laatste anderhalf jaar van podium naar podium spoedde. Alsof hij, inderdaad, op de hielen werd gezeten. Van een optreden op de jubileumviering van de Leeuwarder Courant en de verkiezingsconference van vorig jaar tot en met een spraakmakend praatje op de laatste nieuwjaarsreceptie van Ajax en de nog veel spraakmakender tournee langs de Nederlandse soldaten in Irak. Met camera en geluid liep programmamaker Coen Verbraak vaak in het voetspoor mee, zodat we van al die uiteenlopende activiteiten heel wat te zien krijgen. (…) Ook werd de tv-ploeg toegelaten tot huize De Jonge, waar Hella en Freek hun zaken als een familiebedrijfje blijken te runnen. (…) De vraaggesprekken die het ooggetuigenverslag larderen, zet hij goeddeels naar zijn hand. Als het gesprek over enkele paradoxale wendingen in zijn carrière gaat, relativeert hij ook volmondig alles wat hij eerder tegen Verbraak heeft gezegd: “Ik ben altijd in staat om mezelf te verklaren.” Zo is het portret vooral een zelfportret geworden. Behalve een bezoek aan het kerkje van zijn vader en diens begraafplaats, is deze documentaire geen reguliere biografie. Fragmenten van vroeger komen er nauwelijks in voor. Maar fragmenten van nu des te meer.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 30 augustus 2004)

‘”Ik wilde graag dichtbij komen. Je ziet Freek natuurlijk vaak op televisie, dat is waar. Maar echt zijn leven in kaart brengen, de veelzijdigheid van de man en hoe hij omgaat met roem, met succes, met z’n gezin en met z’n kinderen, dat is toch iets heel anders. Dat is nog niet eerder gedaan.” Geen sinecure, want Freek liet zich niet zomaar veroveren. “Nadat ik hem had benaderd, gingen er zeker een paar maanden overheen voordat hij reageerde. Pas na veel over en weer mailen, stemde hij toe.” Stukje bij beetje moest er terrein worden gewonnen, vaak letterlijk: van het werkhuisje in de tuin van De Jonge ging het naar binnen, in de keuken aan de koffie, maar zonder camera. Pas veel later kon er tijdens het ontbijt worden gefilmd. (…) “Het was een sympathiek soort landjepik. We hebben onze vrijheid echt moeten bevechten. Met een camera in iemands huiskamer komen, is ook wel een ander verhaal dan iemand een interview afnemen. Dat voelt opdringerig. Uiteindelijk is het gelukt. En als ze eenmaal overstag zijn, dan zijn ze ook niet kinderachtig. Al bleef het moeilijk om Freek te betrappen, want hij is ongelooflijk camerabewust”.’ (Ilse van der Velden interviewt Coen Verbraak voor de VPRO Gids, augustus 2004)

In het interview met Matthijs van Nieuwkerk (op de dvd van De Vergrijzing) zegt Freek de Jonge nog eens expliciet dat de hele serie De Vergrijzing vooral mogelijk is gemaakt door Hella, die de organisatie, productie, vormgeving, maar ook de volledige planning op zich nam tot en met de zondagse montage. Alleen daardoor konden zij ook zonder regisseur werken; alleen daardoor kon de serie worden zoals hij zich had voorgesteld.

 

KRITIEKEN

‘Stel, Freek de Jonge werkt aan een nieuwe voorstelling: De Vergrijzing. Het deel na de pauze staat al helemaal vast. In dat stuk, De Sterfscène, zien we een acteur aan het einde van zijn loopbaan in grimmig, maar toch liefdevol gesprek met zijn zoon. Theo Maassen speelt de zoon. Hij is zowel ernstig als geestig en een van de weinige cabaretiers voor wie De Jonge waardering kan opbrengen. Dat tweede uur van De Vergrijzing zit dus gebeiteld.
Het deel vóór de pauze ziet er nog wat chaotisch uit. De cabaretier heeft meer dan tien uur semi-autobiografisch materiaal bij elkaar geschreven en zijn hoofd borrelt nog over. Over zijn jeugd in Zaandam, over de tijd dat hij als bleu provinciaaltje aan zijn studentenleven in Amsterdam begon, over zijn Neerlands Hoop-succes met Bram Vermeulen, over de Nederblues, zijn excursie naar de War Zone in Irak. En natuurlijk de extra minuten voor reacties op de actualiteit, zoals de dood van een aansprekend figuur.
Eerst wat try-outs, lekker veel schrappen, de scherpzinnigste wijsheden en pittigste grappen bewaren.
Stel dat het zo gegaan was – dan was De Vergrijzing een van de mooiste, misschien wel de allermooiste voorstelling van de grootste cabaretier aller tijden geworden. Maar De Jonge is een sportman die records wil breken. Eén record stond sinds 1999 op zijn eigen naam, toen hij de tiendelige serie De Grens in één jaar speelde. Dus bedacht de zestigjarige De Jonge een indrukwekkend cadeautje voor zijn fans en vooral voor zichzelf. Als aftrap de novelle Door de knieën. Vervolgens dertien shows van een uur, een muziekprogramma en een speelfilm en dit alles zowel in het theater als op de televisie, binnen een tijdsbestek van vier maanden.’ (Patrick van den Hanenberg in de Volkskrant, 23 december 2004)

SPEELDATA

Van 12 t/m 28 augustus probeert hij materiaal uit met vier keer twee voorstellingen in kleine theaters in Arnhem, Den Bosch, Den Hoorn en Nieuw- en Sint Joosland.
Aflevering 1 t/m 13 speelt hij van 31 augustus t/m 27 november 2004 in het Compagnietheater in Amsterdam.
Aflevering 14 speelt eenmalig: op 14 december 2004 in Paradiso te Amsterdam.
Aflevering 15 – de speelfilm De Kerst van een clown – neemt hij op in acht draaidagen: op 27 oktober, 30 november, 1 t/m 3 december en 6 t/m 8 december 2004.

SPEL

Freek de Jonge en (in aflevering 11) Theo Maassen. Met gastbijdragen van Robert Jan Stips (9, 10, 12 en 14) , Cok van Vuuren (9, 12 en 14), Jan de Hont (12 en 14), Rob Kloet (12 en 14) en Daniël Lohues (9 en 14). Andere muzikanten werken eenmalig mee: Gert-Jan Blom (12), Henk Hofstede (14), Bart de Ruiter (12) en Rob Wijtman (12). Een aantal zangers werkt mee aan het eerbetoon aan Bram Vermeulen (aflevering 12): Jenny Arean, Frank Boeijen, Stef Bos, Boudewijn de Groot, Thé Lau, Huub van der Lubbe en Bart Peeters.

MUZIEK

Robert Jan Stips, tenzij anders vermeld.

DECORBOUW

Peter de Bruin, Tom Telman, Jos den Brok, Karel van Egten en (in 1) Koos Leeuwenburgh.

PUBLICATIES

Tekst

Freek de Jonge’s televisiemarathon DE VERGRIJZING
Boekuitgave in beperkte oplage t.g.v. de afsluiting van De Vergrijzing in het Ketelhuis in Amsterdam op 23 december 2004 (2004).
De teksten van de nieuwe liedjes uit deze serie zijn opgenomen in Leven na de dood (2004), uitgezonderd Op zoek naar mijn gevoel (4) en Jonas (5). Het betreft: De beer is los (9), De ganse schepping (= Er zal nooit iets veranderen) (1), Pak ze aan die provincialen (3), Quarantaine (10), Vadermoord (= Papapa) (2) en Vergeet mij niet (10).
In Wees niet bang staan De ganse schepping (= Er zal nooit iets veranderen), Quarantaine, Vadermoord (= Papapa) en Vergeet mij niet. En ook Srebrenica (14), een nieuwe tekst op Bob Dylans North Country Girl. Het krijgt daar abusievelijk als bronvermelding de Nederlandse Veteranendag (29 juni 2005).
In Leven na de dood (en alle andere liedjes) ontbreken het laatste couplet en refrein van Vergeet mij niet. In Wees niet bang (mijn 101 mooiste liedjes) staat wel de volledige tekst van het lied.
Het kernverhaal van de vierde aflevering is als Ik drijf af opgenomen in De Toeschouwer (2006). Die bundel bevat ook De loods. Hierin komen de andere twee verhalen van deze aflevering terug: over Neerlands Hoop in Zeeland en over het loodsen van het schip.
Het voorstellingsverhaal van aflevering 5 is, onder de titel Jonas, opgenomen in De Toeschouwer (2007), zij het zonder de vermelding dat deze serie de bron is.
De tekst van aflevering 6 staat, als Monoloog van de dementerende man, afgedrukt in De Toeschouwer (2006). In de voorstelling declameert hij zijn liedtekst Eeuwige jeugd, eerder gezongen in Parlando.
De (in aflevering 10) in passages voorgelezen tekst over de moord op Theo van Gogh staat, onder de titel Theo van Gogh is dood, integraal afgedrukt in De Toeschouwer (2006). Dat geldt ook voor de volledige tekst van aflevering 11: De Sterfscène.

Geluid

Eén lied is niet van Freek de Jonge. Stan Meyers Blues, gezongen in aflevering 9, is een lied van Daniël Lohues. Het is verschenen als bonustrack op zowel de cd-single Daor Knap Ie Nie Van Op (2003) van Lohues & The Louisiana Blues Club als de cd-single Grachten Van Amsterdam (2004) van Skik. Opmerkelijk feit: het is niet met de Louisiana Blues Club opgenomen en ook niet met Skik, maar in een studiosetting met vooral veel Lohues. Het nummer is geïnspireerd op de film Van God Los (2003).
De nieuwe liederen Quarantaine en Srebrenica verschijnen in 2007 op de 2cd De toehoorder.
Op De toehoorder staat ook Wees niet bang op de nieuwe melodie van Robert Jan Stips. Helaas meldt de cd zelf dat het hier de oorspronkelijke melodie van Henk Hofstede betreft.
De ganse schepping (Er zal nooit iets veranderen) staat ook op de studio-cd Van A naar Z, die in 2010 verschijnt. Dan met weer een nieuwe titel: Reikhalzend verlangen.
Dat was de werktitel van de roman Zaansch Veem (1987).
Ook Op zoek naar mijn gevoel staat op Van A naar Z, hier onder de titel Kraak me.

Beeld

3DVD-box De Vergrijzing. Augustus t/m december 2004. Deel 1 t/m 15 (2005).
Met naast de 15 afleveringen drie ‘toegiften’: afzonderlijke interviews van Matthijs van Nieuwkerk met Hella de Jonge (vijftig-minutengesprek, maart 2005) en Freek de Jonge (zeventig-minutengesprek, januari 2005) en (acht) ‘Extra liedjes’:
Na afloop van elke voorstelling zongen Freek en Robert Jan meestal nog een aantal liedjes, waaronder altijd een dat speciaal voor de desbetreffende afleveringen geschreven werd. Als toegift bij deze dvd-box een aantal van deze liedjes.
Dat zijn: De ganse schepping (= Er zal nooit iets veranderen), Vadermoord (= Papapa), Op zoek naar mijn gevoel, Gods lied, Jonas, Wees niet bang (op een nieuwe melodie van Robert Jan Stips), Vergeet mij niet en Waarom (= Doodgewoon).

 

2002 – Parlando

Freek de Jonge probeert van 30 mei tot 2 juni 2002 vier keer uit in de grote zaal van Theater Bellevue. Het zijn inspeelvoorstellingen van Parlando, zijn programma met het Metropole Orkest. Hij zal het vanaf 24 augustus 14 keer spelen. Het orkest en de cabaretier hebben een paar keer in het theater samengewerkt, zoals in Het Gala van het Nederlandse lied. In dit samenwerkingsverband van Radio 2 en Conamus treden verschillende zangers op met het Metropole Orkest. Toen is het idee ontstaan iets samen te gaan doen. Dat wordt deze kleine tour.
Parlando zal alleen te zien zijn in Theater Carré en het Nieuwe Luxor Theater en eind mei probeert hij daarvoor in zijn eentje al wat materiaal uit. Dat is dan alweer ingehaald door de actualiteit, want op 6 mei is Pim Fortuyn vermoord. Op televisie, bij Barend & Van Dorp, heeft Freek de Jonge zich kritisch uitgelaten over de populistische politicus en de volkshysterie die er na diens dood is uitgebroken. Zoals al vaker gebeurde, volgen er direct persoonlijke bedreigingen en het forum op De Jonge’s website stroomt vol met hatemails. Hoewel hij de televisie dat jaar wilde overslaan, besluit hij naar aanleiding van deze commotie een nieuwjaarsconference te maken. De Bedreiging zal die gaan heten. Vanaf eind oktober wil hij ermee gaan optreden, waarna de VPRO die op 1 januari 2003 kan uitzenden. Nu hij zo vlak voor de zomerstop toch weer het theater in gaat, kan hij, behalve voor Parlando, ook voor dat programma wel wat uitproberen.

Het eerste deel van de vier Amsterdamse avonden in Theater Bellevue en de vier die hij er (van 14 t/m 17 augustus) nog aanplakt in theater annex nachtclub Panama bestaan zelfs voor het grootse deel uit materiaal voor de nieuwjaarsconference. Zo komt hij op met een verrekijker om zijn hals en een pistoolholster om zijn middel. Hij fouilleert een man op de eerste rij, want je kunt niet voorzichtig genoeg meer zijn in dit land, dus ‘ik zal nu iedereen even langs gaan’.
Na een half uur zet hij voor de eerste keer de cd-speler aan die hij op het podium heeft staan. Vanaf dat moment wisselt hij gesproken en gezongen materiaal af. Op die cd is de begeleiding van het Metropole Orkest te horen. Maar de uitvoering van dat gezongen repertoire wordt natuurlijk pas echt bijzonder als de cabaretier in Carré en het Nieuwe Luxor staat met die 55 begeleiders achter zich: 51 muzikanten, drie backing vocals en orkestleider Dick Bakker.

Bijzonder, maar daar denkt de Volkskrant toch anders over. Recensent Alexander Nijeboer komt op de eerste Carré-avond kijken. Dan gaat er nog veel mis, niet alleen in de interactie tussen cabaretier en orkest, maar ook op technisch vlak. Toch rechtvaardigt dat niet de bikkelharde kritiek van Nijeboer, die op dinsdag schrijft dat Freek de Jonge ‘een beroerde zanger’ is. Weliswaar is er ‘een enkele scherpe conference’, maar de avond laat zich volgens hem toch het best kwalificeren als: ‘lelijk’, ‘vals’, ‘onverstaanbaar’, ‘gênant’, ‘kitsch’, ‘sentimenteel’, ‘tenenkrommend’, ‘onsamenhangend’, ‘langdradig’, ‘knullig’ oftewel ‘nooit echt leuk’. Hij noemt nog eens de ‘ongekende klasse’ van het Boekenbalprogramma en de laatste oudejaarsconferences en concludeert: ‘Met Parlando maakt De Jonge zijn eerste schuiver sinds jaren.’

Het gebeurde al eerder dat kritiek op de zanger ten koste ging van de publieke belangstelling voor de cabaretier. Ook deze keer laten degenen die nog twijfelen zich leiden door de negatieve Volkskrant-recensie. De kaartverkoop verloopt daardoor moeizaam. Dat is jammer. Want met Freek de Jonge is het niet anders als met bijvoorbeeld Bob Dylan: het gaat niet in de eerste plaats om de zangtechniek, maar om de zeggingskracht van zijn materiaal. Bovendien: het programma wordt dan wel gemaakt met het Metropole Orkest, maar bij Freek de Jonge wordt zo’n avond dan natuurlijk niet vanzelfsprekend een recital, maar eerder zijn Parlando.

Het publiek heeft bij binnenkomst een dichtgeplakt bruin envelopje ontvangen met daarop de tekst: ‘U aangeboden door het ministerie van Volksgezondheid & Cultuur’. In de envelop zitten een kazoo en een brief van professor dr. E. Bomhoff, minister van volksgezondheid en cultuur. Die meldt daarin dat wijlen Pim Fortuyn op televisie heeft beloofd dat hij, als hij minister-president zou worden, zeker iets zou doen aan de gebrekkige kennis van het Wilhelmus bij met name de aspirant-Nederlander. In de geest van Pim is daarom van regeringswege besloten voortaan elke theatervoorstelling te beginnen met ons volkslied. Vlak voor aanvang deelt Freek de Jonge nog via de intercom mee: ‘Dames en heren, door een ingreep van onze regering zal het begin van de voorstelling iets anders verlopen dan we ons hadden voorgenomen. U heeft, als het goed is, een bruin envelopje ontvangen. Controleert u daar even de inhoud van, leest u de brief en test u even het bijgesloten instrumentje. Dan kunnen we zo snel mogelijk met de normale voorstelling beginnen. Dank u wel.’
Intussen kijkt het publiek naar een indrukwekkende foto op canvas die over de hele breedte van het podium het voordoek vormt. Daarop staat een grote groep Chinezen, waarmee ook meteen een toon voor de avond gezet is. Er zijn twee soorten ‘tonen’, zo vertelt Freek zijn publiek na de gezamenlijke kazoo-uitvoering van het Wilhelmus: de autochtonen (‘Wij dus’) en de allochtonen. Daarmee doelt hij op zijn muzikanten. Hij roept hen in drie achtereenvolgende groepjes op het podium. Zogenaamd drie verschillende volkeren uit het verscheurde Joegoslavië. Ze blazen (op onder meer sax, trompet, trombone en tuba en de niet-blazers op kazoo) elk het volkslied van hun deelrepubliek en daarna maken ze er gezamenlijk één geheel van. Omdat ‘integreren arrangeren’ is, klinkt daar vervolgens ook nog het Wilhelmus doorheen. De muzikanten dragen verschillende kleuren fleurige bloezen en gekke hoofddeksels, maar allemaal dezelfde Hollandse klompen. Al die paren klompen zijn daarna onderdeel van het decor als de muzikanten ze ophangen bij hun plaatsen.

De act met de muzikanten doet meteen terugdenken aan Stroman en Trawanten. Ook het gekke begin en het prachtige toneelbeeld met die Chinese foto vol symboliek passen helemaal in de theaterstijl van Freek de Jonge. Een voorstelling met het Metropole Orkest is dan ook gewoon een voorstelling van Freek de Jonge waarin het muzikale aandeel groter is door de aanwezigheid van die prachtige grote begeleidingsband.
Die maakt door de arrangementen van onder anderen Bob Zimmerman en dirigent Dick Bakker juweeltjes van De Jonge’s mooiste nummers: energieke up tempo-uitvoeringen van Dankzij de Dijken en Tem me dan en breekbare ballades als Nu het nog kan en een prachtig nieuw lied, getiteld De vondeling van Ameland. Het lied geldt, mede door de krachtige melodie van Boudewijn de Groot, als een van zijn mooiste:

op het strand van Ameland was hij als zuig’ling aangespoeld
overboord gegooid op een reddingsboei gebonden
hij had zich op de golven als in de baarmoeder gevoeld
en schreeuwde tot hij door een jutter werd gevonden

Ameland sprak schande van de jutter
een zonderling die leefde van de wind
die al de raarste dingen had gevonden
hoe kwam die jutter nou weer aan dat kind
als hij er daags op uit ging om te jutten
moest de zuig’ling altijd met hem mee
en toen die na een jaar begon te praten
was zijn eerste woordje zee

op het strand van Ameland speelde de zuig’ling jarenlang
de jutter was zijn meester die hem wijze lessen leerde
hij stond wijdbeens in het zand was voor de woeste zee niet bang
schreeuwde net zo lang tot het tij zich keerde

Ameland sprak schande van de kleuter
die vondeling die spotte met de wind
hoe was het in vredesnaam toch mogelijk
dat de zee zich terugtrok voor een kind
wat hij riep zou niemand kunnen zeggen
dat was uit de verte moeilijk te verstaan
toen ze het de jutter vroegen zei die
volgens mij roept hij: ik kom eraan

(…)

op het strand van Ameland stond hij als knaap in de avondzon
hij zei geen woord begon zich langzaam uit te kleden
de vloed kwam hem tegemoet hij zag alleen de horizon
draaide zich nog eenmaal om en liep de zee in

Ameland sprak schande van de jongen
die naakte zonderlinge wonderling
men had zich bovenop de duinen verzameld
omdat men voelde dat er iets gebeuren ging
toen begon hij plotseling te schreeuwen
zo hard tot het tot aan de duinen klonk
even zag men hem op het water lopen
voor hij in de diepte zakte en verdronk

Het orkest is dienend in Freeks bewerkingen van bekend internationaal repertoire. Zo vertolkt hij, naast Tem me dan (als Que je t’aime een hit van Johnny Hallyday), onder meer Jacques Brels Les paumés du petit matin (De nuttelozen van de nacht), James Browns It’s a man’s world (Mannenwereld), Bob Dylans Tweeter and the Monkeyman (Libelle en Mug), Procol Harums A Salty Dog (bewerkt tot En ik was dood) en Als je me nu nog niet kent (If you don’t know me by now, het bekendst in de uitvoering van Harold Melvin & The Blue Notes). En het orkest is aanvullend in de acts die het opluistert met reclametunes, filmmuziek en klassieke motiefjes. Ook is het tegenspeler als er iets moet worden uitgebeeld en bovenal is het zeer betrokken. Het is bijzonder aangenaam te zien met hoeveel plezier de leden van het Metropole Orkest de conferences en rare acts van hun voorganger volgen, waaruit blijkt dat de voorstelling tijdens die korte tournee ook is blijven groeien en veranderen.

Freek de Jonge zingt, hij zing-zegt, hij vertelt (lange conferences, korte anekdotes) en hij grapt (‘Weet u wat er zo leuk aan mij is? Ik ben altijd zo gewoon gebleven. Gewone mensen staan niet in Carré. Nee, die zitten in Carré’). En Freek de Jonge entertaint (met hoepels, als messenwerper, als schimmenspeler in Het Kistje, uit De Openbaring, als rock ’n roller, compleet met outfit). Kortom: het is een Parlando.
Ook heeft hij Hella opnieuw in de gelegenheid gesteld haar kunstenaarschap tot uiting te brengen in de vormgeving. Zoals met die imposante Chinese foto als voordoek en met het Hollands Glorie van al die afzonderlijke klompen en één grote klomp, die voorbijkomt als het dodenschip A Salty Dog. Maar ook met vallende doeken die haar portret tonen als hij een liefdeslied voor haar zingt: Brels La chanson des vieux amants, in Freeks bewerking een ode aan de monogamie:

verliefdheid is louter begeren
van vrouw en man dus man en vrouw
roepen om hun twijfel te bezweren
‘ik hou van jou blijf eeuwig trouw’
maar eenmaal goed en wel gehuwd
is de verliefdheid snel geluwd
komt er een eind aan alle dromen
maar onze droom bestaat nog steeds
en onze liefde raakt niet sleets
mijn lieveling hoe zou dat komen?

dat komt door jou
mijn motor muze minnares en vrouw
en een heel klein beetje door mijn hondentrouw
maar toch vooral door jou mijn vrouw mijn liefste

(…)

natuurlijk hebben wij geleden
maar zonder schuld en zonder spijt
wij hebben het cliché gemeden
van zelfbeklag en zelfverwijt
het wrede lot kreeg ons niet klein
en hoewel niet zonder pijn
kwamen wij ons verdriet te boven
jij kwam er uit op eigen kracht
en ik heb het zover gebracht
door in jouw liefde te geloven
ik geloof in jou
mijn motor muze minnares en vrouw
en een heel klein beetje in die hondentrouw
maar toch vooral in jou vrouw liefste

Overigens: als Parlando eind augustus in Carré speelt, heeft hij inmiddels besloten dat het aangekondigde programma De Bedreiging niet doorgaat. Het eerste kabinet-Balkenende is in juli 2002 gevallen. Er komen nieuwe verkiezingen eind januari 2003. Hij besluit daarom een verkiezingsconference te maken. Die gaat De Stemming heten. Vanaf eind oktober – anderhalve maand na Parlando – gaat hij daarmee alweer het land in.

COULISSEN

Freek de Jonge: ‘Een merkwaardige tekortkoming die er bij mij ingeslopen is, is dat ik niet meer kan repeteren. Met Bram heb ik van september 1967 tot en met juli 1968 zes uur per dag, zeven dagen per week gerepeteerd. Daarna eigenlijk nooit meer zo intens. Muzikanten weten het na een of twee keer doorspelen wel. Ik voel me al heel snel lastig en roep: we gaan het niet doodrepeteren. Dus tijdens de voorstelling moet het goed komen. En dat doet het meestal ook wel. Behalve bij Parlando, toen de pers de eerste avond in de zaal zat en er heel veel, ook technisch, misging.
Zelf heb ik, en ik weet ook de mensen van het Metropole Orkest, Parlando (…) als een hoogtepunt in mijn theaterloopbaan ervaren.” (In gesprek met Bert van de Kamp in Wees niet bang, 2007)

Na de samenwerking met het Willem Breuker-collectief (Stroman en Trawanten, 1984), met de Nederlandse popformatie de Nits onder de naam Frits in Dankzij de Dijken (1995) en met Nits-voorman Robert Jan Stips in Gemeen Goed (1997) is Parlando het vierde muzikale project van Freek de Jonge.
‘Ik voel me net een beperkte voetballer die in de voorhoede van het Nederlands elftal mag meespelen. Het geeft een kick om met zo’n geoliede machine te werken. Je zet die muzikanten noten voor hun snufferd, de dirigent telt af en het klinkt meteen. Fenomenaal!’ (In gesprek met Merijn Henfling voor Het Parool, 4 juni 2002)

‘Het publiek prikkelt mij (…) niet meer tot het uiterste te gaan. Men vindt al heel gauw iets heel goed. Het eerste kwartier besteden toeschouwers als een hond die in zijn mand gaat liggen na een dag buiten snuffelen. Plekje zoeken in de zaal, nog even nadenken hoe je je auto hebt weggezet, hoe de werkdag is verlopen. Toen we met Neerlands Hoop de eerste voorstellingen speelden in het Shaffy Theater, dat was een zaal vol verwachting, zinderend, op het schreeuwerige af. (…)
Wat ik doe blijft waardevol, omdat het mijn leven zin heeft gegeven. Ik heb ook een veel hogere pet op van de individuele luisteraar dan van het publiek als collectief. Ik krijg brieven en reacties van mensen waarvan ik denk: het is blijkbaar toch aangekomen. (…)
Het publiek heeft ten opzichte van mij ook genoeg relativering, en terecht. Maar ik heb ook nooit gepretendeerd dat ik het heil zou brengen. Ik kon het alleen maar laten zien. Intussen heeft het publiek mij rijk gemaakt en ben ik niet als asceet in een plaggenhut op de hei gaan zitten. Ik heb wel degelijk de prettige kant van het rijk worden gekozen. In verhouding leef ik natuurlijk extreem decadent. Ik kan die keuze nu nog maken: ik doe een rugzak om en trek de wijde wereld in. (…)
Natuurlijk kun je je dan afvragen hoe authentiek je woede en je cabaret nog is. Ik maak me kwader over een verkeerd geslagen bal tijdens het golfen, dan over de politiek.’ (In gesprek met Altan Erdogan voor de Volkskrant, 24 augustus 2002)

‘Mijn (…) show Parlando is zuiver entertainment. Het is een stijlfiguur, ik heb me ooit voorgenomen alle facetten van de showbizz een keer te belichten en daarbij hoort ook optreden met een orkest van 55 muzikanten. (…)
Ik vaag in wezen het orkest weg. Zelfs als ze op volle kracht spelen en ik onversterkt ben, dan ga ik als een zuigeling krijsen. Ik heb op het toneel zo veel krediet; het publiek wil mij altijd als winnaar zien.’ (In gesprek met Altan Erdogan voor de Volkskrant, 24 augustus 2002)

In 2002 werkt hij ook mee aan de cd De sterren van de hemel, waarop onder anderen Willeke Alberti, Boudewijn de Groot, en Youp van ’t Hek liedjes zingen met Kinderkoor Prettig Weekend. De opbrengst van de cd komt ten goede aan Unicef voor hulp aan de kindsoldaten in Soedan.
Freek de Jonge zingt op de cd het titellied: De sterren van de hemel op muziek van Nard Reijnders. Hij schreef het lied eigenlijk voor een ander goed doel: Funpop, het jaarlijkse openluchtfestival voor verstandelijk gehandicapten.
In 2006 verschijnt het ook op cd-single t.g.v. het tienjarig bestaan van Funpop, samen met het lied Dollen met de dieren, eveneens op muziek van Nard Reijnders en met medewerking van Kinderkoor Prettig Weekend. Het cd’tje wordt uitgereikt aan alle bezoekers.

Freek de Jonge: ‘Ik kan gerust zeggen dat ik meer aandacht heb gehad voor m’n werk dan voor m’n gezin. Daar ben ik niet trots op, maar dat was mijn lot. Als het erop aan was gekomen, en dat is nooit het geval geweest, dan had ik uiteindelijk voor mijn werk gekozen. Is dat menselijk? Ik weet het niet. Ik heb natuurlijk geluk gehad met Hella: mijn motor, muze, minnares en vrouw. Dat is het wonder van mijn leven.’ (In gesprek met Altan Erdogan voor de Volkskrant, 24 augustus 2002)

‘Mijn vader is al op 53-jarige leeftijd gestorven, natuurlijk sta ik iedere dag dat ik langer leef daarbij stil. Maar ik leef zo gezond dat ik misschien wel tot mijn tachtigste op het podium kan staan.’ (In gesprek met Altan Erdogan voor de Volkskrant, 24 augustus 2002)

Over die vader gesproken: Freek de Jonge is de initiatiefnemer van de Dag van het Domineeskind die op zaterdag 26 oktober 2002 plaatsvindt in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Trouw en de NCRV tekenen voor de organisatie. Ruim duizend domineeskinderen nemen eraan deel, onder wie Louis van Dijk, Jacobine Geel, Geert Mak, Harmen Siezen, Jan Terlouw en Michaël Zeeman.

‘Het verbaast Freek de Jonge allerminst dat de manifestatie in de Amsterdamse Nieuwe Kerk onmiddellijk was uitverkocht. De initiatiefnemer wist, zegt hij, dat het onderwerp leefde. Hoe gaan die dingen? “Als mensen me tegenkomen, melden ze zich bij me af. In het buitenland spreken ze je aan met: ik ben óók Nederlander. Hier overkomt het me vaak dat ze zeggen: ik ben óók domineeskind. En dan is er in no time veel herkenning, in de goede en de slechte dingen. Ik dacht: daar broeit iets. En niet alleen nostalgisch, maar ook als bron van ideeën. Sociologisch en filosofisch is het interessant om die mensen bij elkaar te brengen.”
Het liefst had hij de toogdag in de Nieuwe Kerk Het kind en het badwater genoemd. “We zijn steeds horizontaler gaan leven, het verticale is volstrekt geridiculiseerd. Maar wat er allemaal met het badwater is weggegooid! Neem de gemeenschapszin, dat je bij elkaar komt op zondag. Dat missen domineeskinderen het meest: dat je te midden van mensen staat en op jouw manier iets doet. Ik heb dat nu in het theater, mijn substituut voor de kerk”.’ (In gesprek met Elma Drayer voor Trouw, 24 oktober 2002)

‘Met de dag in de Nieuwe Kerk wil Freek de Jonge niet minder dan “eerherstel” – voor zijn vader en diens collega’s. Hij herinnert zich een voorval uit zijn studententijd, jaren zestig: “Ik zat met vrienden bij ons thuis aan tafel, mijn vader leefde nog. Ineens zei een van hen, het gebed voor de maaltijd was net met een amen voltooid: Ik kan me niet vóórstellen dat iemand dominee is. Er viel een ijzige stilte.” Jazeker, zegt hij, dat trok hij zich erg aan. “Omdat ik het met de strekking van die opmerking eens was en het tegelijk een enorme belediging vond van mijn vader. Domineeskinderen waren een soort NSB-kinderen. De oorlog is voorbij, God is dood en wij waren lid geweest van de foute partij.”
Dominees, zegt hij, gelden tegenwoordig als the cause of all evil, als belachelijke figuren. “Volkomen onterecht.” Als je iets mag toeschrijven aan dominees, zegt hij, is het wel hun taak om te troosten. Grijns: “Ik heb mijn vader ooit de broodtrooster genoemd.” Weer ernstig: “Over troost lees ik in deze tijd niet zoveel. Ik lees veel over slachtoffers, over claimen, over schadevergoeding. Maar de eenvoudige troost? Het offer en de troost, die twee zijn weggegooid met het badwater. Daardoor zijn we in de knoei gekomen. Wij kunnen onze schuld niet meer vereffenen”.’ (In gesprek met Elma Drayer voor Trouw, 24 oktober 2002)

‘Freek de Jonge prijst zijn vader als een ouderwets spirituele man. “Pas om zes uur zaterdagavond begon hij aan zijn preek. Hij had een enorm vertrouwen in de Heilige Geest, die zou hem wel helpen. Dat herken ik wel: de Geest wordt vanzelf vaardig”.’ (In gesprek met Elma Drayer voor Trouw, 24 oktober 2002)

‘Niet zelden wordt de theatermaker, onder verwijzing naar zijn afkomst, een moralist genoemd. De kwalificatie beledigt hem allerminst. “Moralist heeft dezelfde negatieve ondertoon als: hij is maar een dominee. Degenen die daar aanmerkingen op hebben, zijn mensen die niet werkelijk bevrijd zijn. Als je naar eigen inzichten leeft, van welke moralist zou je je dan wat aantrekken? Een moralist heeft een schitterende functie in de samenleving. Ik houd van verhalen met een ondertoon. Waarom doen we wat we doen en hoe kunnen we het verantwoorden? Ik wil dat mijn boodschap troostend en verhelderend is. Fantastisch toch, als je dat weet te bereiken in je leven?” Het zou aardig zijn, zegt hij, als die bijeenkomst in de Nieuwe Kerk gevolgen kreeg. Niet meteen, maar op de lange duur. “Natuurlijk worden er oudewijvenpraatjes uitgewisseld. Maar ik wil dat het ook inspirerend is. Het zou toch mooi zijn als we gingen nadenken over de vraag: is er tòch een nieuwe moraal mogelijk?” Weer die grijns: “Ik wil dat er boven die hoofden vlammetjes gaan branden”.’ (In gesprek met Elma Drayer voor Trouw, 24 oktober 2002)

‘De ochtend eindigt in, hoe kan het anders, orgelmuziek. De doffe geluiden van de demonstratie tegen de oorlog in Irak, buiten op de Dam, dringen de kerk binnen; ze verstoren het spel van kosterszoon Louis van Dijk. Het lijkt de bezoekers niet te deren. Na de lunchpauze krijgen het jongste én het oudste aanwezige domineeskind een exemplaar aangeboden van de bundel Van de Kansel, verhalen over de pastorie. Van het jongste kind blijkt eindelijk eens de moeder de dominee. (…)
Journalist Agnes Amelink: “Freek de Jonge zegt dat wij God hebben verloren en dat we moeten zoeken naar een manier om de resten van het christendom te bewaren. Dan zeg ik: laten we die God eerst eens gaan zoeken.”
De moeder van Freek de Jonge wordt de hele dag op de hoogte gehouden. Een van zijn zussen belt haar vanuit de kerk regelmatig op. In de kerk zitten méér boodschappers die verslag moeten doen. (…)
Het slotprogramma heeft de trekken van een liturgie. Met credo van Jacobine Geel, met psalmgezang, een indrukwekkend ‘gebed’ van publicist Michaël Zeeman, een collecte voor War Child, pepermunt èn met de Preek van Freek.
Hij loopt rond met een opengeslagen laptop die hij af en toe raadpleegt. De vrijmoedigheid waarmee deze dag het woordje God wordt gebruikt, stemt hem verheugd. Want als er iets mis is, is het wel de taboeïsering van dat woord.
Freek preekt over Abraham en Isaak, over vaders en zonen. Zoon Sjaak, een hedendaagse Isaak, dreigt met zelfmoord om de aandacht van zijn vader, de dominee, te trekken. Die grijpt niet in omdat God dat wel zal doen. “Ik heb niet geprobeerd,” zal Freek na afloop zeggen, “om mijn vader te overtreffen.”
“Dit was de laatste keer dat je zo iets kon aantreffen in Nederland”, zegt Michaël Zeeman, die sinds kort vanuit standplaats Rome verslag doet van het Italiaanse leven. De domineeszoon zag één dag een wereld die niet meer bestaat. “De wereld van aardige en betrouwbare mensen. Van mensen die elkaar vertrouwen. Van mensen die weten dat zelfbeheersing een voorwaarde is voor fatsoen. Aan deze mensen is de LPF voorbijgegaan”.’ (Trouw, 28 oktober 2002)

‘De ongeveer duizend domineeskinderen deden bij elkaar 2834,76 euro en wat varia in de collectezakjes. Onder varia verstaan we in dit geval specifiek: 5 dropjes, 2 pepermuntjes, 1 kermismunt, 1 koffiemunt en 11 munten uit Zwitserland, VS, GB, Hongarije en “ouderwetse” guldens. De euro-opbrengst gaat geheel naar War Child Nederland.’ (Trouw, 28 oktober 2002)

KRITIEKEN

‘Het moet maar eens worden gezegd: wat is Freek de Jonge eigenlijk een beroerde zanger. Zo lang de cabaretier zich opwerpt als vertellende zanger weet hij de pathetiek, waarvoor zijn stem zich zo prachtig leent, treffend neer te zetten. (…) Als De Jonge aanzet om echt ingetogen te gaan zingen, kraakt zijn stem in de melodie, klinkt het lelijk schel en zijn de valse uitschieters niet op een hand te tellen. Het slechte geluid op de premièreavond maakte de teksten vaak onverstaanbaar en hielp het laatste restje muzikaliteit om zeep. De schitterende muzikale arrangementen en begeleiding van het Metropole Orkest ten spijt. Een van de gênante dieptepunten is De Jonge’s ode aan zijn vrouw op muziek van Jacques Brel. “Ik ga de zaal verdelen”, had De Jonge in zijn aankondiging van het nummer gezegd. “De mannen zullen het niets vinden, de vrouwen vinden het fantastisch.” Hij kreeg gelijk. Mijn vrouwelijke metgezel vond de ode prachtig en romantisch, in mijn opschrijfboekje verdwenen de steekwoorden “romantische kitsch”, “bombastisch” en de passage “Ik geloof in jou, mijn motor, muze en vrouw” als toppunt van sentimentele relatiepoëzie. Freek de Jonge is als zanger in Parlando vaak tenenkrommend slecht. Iemand met minder aanzien dan hij was ongetwijfeld van het podium van Carré weggehoond. Zo kritisch is het theaterpubliek al lang niet meer, weet ook De Jonge en hij houdt het publiek een spiegel voor: “Het publiek heeft twee smaken. Het hoeft niet mooi te zijn als het maar leuk is. En als het mooi is, dan het liefst niet te lang.” Afgezien van een enkele scherpe conference, zoals over de nieuwe minister van economische zaken, Herman Heinsbroek, over de formatie van de Lijst Pim Fortuyn en over achterkamertjespolitiek in een ‘voorsprongswijk’, is Parlando nooit echt leuk. Daarvoor hebben de liedjes al te zeer de overhand.
Ook de schoonheid valt niet mee. De voorstelling is onsamenhangend, soms langdradig. Parlando lijkt bij vlagen nog op een try-out. De uitvoering van sketches als de messenwerper en de verbeelde parabel van de houtsnijder is ronduit knullig en weinigzeggend. De prachtige vormgeving kan het gebrek aan inhoud in Parlando niet verhullen.
Freek de Jonge heeft zich de afgelopen jaren op glad ijs begeven met gewaagde en ambitieuze voorstellingen en bleef glorieus overeind. De oudejaarsconferences De Gillende Keukenmeid (2000) en Het Laatste Oordeel (2001) en de voorstelling voor de Boekenweek, De Conferencier, Het Boekenweekgeschenk en De Leugen (2000), waren van ongekende klasse.
Met Parlando maakt De Jonge zijn eerste schuiver sinds jaren.’ (Alexander Nijeboer in de Volkskrant 27 augustus 2002)

‘Geslaagd? In allerlei opzichten wel. Herhaaldelijk gaan de cabaretier in zijn ceremoniemeesterskostuum en het orkest met de Parlando-logo’s op de borst wonderwel samen. Als de muziek de illustraties levert bij een verhaal, bijvoorbeeld het themaatje van Paris s’éveille als het over een vroege ochtend in Parijs gaat, een Peter en de wolf-achtige soundtrack bij een als schimmenspel opgevoerde parabel, of het massaal uitgespeelde This is a man’s world van James Brown bij een opzwepende vertelling over een jongetje dat door zijn vriendjes als kop van Jut wordt gebruikt. En ook maakt Freek de Jonge volop gebruik van het orkest om te zingen wat hij eerder al eens heeft gezongen (Dankzij de Dijken) en wat hij graag nog eens wilde zingen. Soms barst hij uit in de geëxalteerde declamatie waarin hij excelleert, en soms is hij de serieuze chansonnier – niet in alle nummers even geslaagd, omdat zijn zangstem over een beperkt aantal expressiemogelijkheden beschikt. Maar af en toe is het raak. Zoals in een scabreuze versie van het Brel-chanson De nuttelozen van de nacht en een lieftallige, nadrukkelijk aan zijn vrouw Hella opgedragen bewerking van Je t’aime tant, eveneens van Brel, begeleid door een teer gestemd strijkkwintet uit het orkest. Hella de Jonge, wier portret tijdens dat nummer wordt geprojecteerd, is ook ditmaal verantwoordelijk voor de vormgeving: verrassende attributen, passende aankleding en visuele effecten die Parlando opfleuren. De opzet – de conferences als aanloop naar de liedjes – maakt het Freek de Jonge echter moeilijk de boog een avond lang gespannen te houden. Grap op grap stapelen, zoals in zijn reguliere programma’s, is lastig. Hij kan niet te lang blijven doorpraten. Een paar keer stuwt hij de voorstelling op met oude moppen en nieuwe verhalen, en ook fantaseert hij er vindingrijk op los over de wijze waarop tegenwoordig politici worden geworven. Maar het orkest kan niet te lang werkloos blijven, de muziek wacht, de conferencier moet afronden en voert dan maar een futloos messenwerpersparodietje op, omdat daarbij muziek kan worden gemaakt.
Parlando is zodoende lang niet de beste voorstelling die hij in die 34 jaar heeft gespeeld, maar dat is, denk ik, ook nooit de bedoeling geweest.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 26 augustus 2002)

‘In de kranten verschenen deze week bespiegelingen over de zangkwaliteiten van Freek de Jonge in zijn programma Parlando. De cabaretologen vonden het niet goed. Vreemde stukken. Je kunt net zo goed eisen dat Joe Cocker, Tom Waits, Bob Dylan, David Bowie (vindt zelf dat hij niet kan zingen) onmiddellijk met knoeien moeten stoppen.
Freek de Jonge zingt morgenavond voor het laatst met het Metropole Orkest in Carré. (Er schijnen nog kaartjes voor deze extra voorstelling te zijn.) Ik ben er geweest. Wat een zanger! Jammer dat hij als virtuoos cabaretier tussen de nummers door meende te moeten praten. De fantastische verhalen aan het adres van de samenleving, de LPF en consorten waren weliswaar onnavolgbaar, maar ze verstoorden het eigenlijke repertoire. Freek is een originele stemkunstenaar, geen gewone vocalist, cantor, charmezanger, minstreel, troubadour of – lelijk woord met betrekking tot Freek de Jonge – bard. Het swingt. ’t Is rock ´n roll. (Maar hij kan dus niet zingen.) Je moet De Jonge zien zingen. Fraaie, intense stijl. Ironie en cliché worden niet aangewend om een vers te ondermijnen, zucht, grimas of loopje maken het juist voller.’
(Jan Mulder in de Volkskrant, 31 augustus 2002)

SPEELDATA

30 mei t/m 2 juni 2002 in de grote zaal van Theater Bellevue en 14 t/m 17 augustus 2002 in Theater/Nachtclub Panama. Hij speelt deze voorstellingen nog zonder Metropole Orkest en met ook materiaal voor zijn nieuwjaarsconference. 24 augustus t/m 1 september (acht keer) in Theater Carré in Amsterdam en van 3 t/m 8 september 2002 (zes keer) in het Nieuwe Luxor te Rotterdam.

MUZIEK

Jacques Brel, Bob Dylan, Boudewijn de Groot (Eeuwige jeugd en De vondeling van Ameland), Henk Hofstede en Robert Jan Stips (Dankzij de Dijken en Nu het nog kan) e.v.a.

AANKLEDING

Hella de Jonge (kleding), Peter de Bruin en Tom Telman (decorbouw), Marijke Otten (hoedjes) e.a.

PUBLICATIES

Tekst

De conferences Jacques Brel, Mannenwereld en Salty Dog staan afgedrukt in De Toeschouwer (2006).
Vijf liedteksten staan afgedrukt in zowel Leven na de dood (2004) als Wees niet bang (2007), namelijk: Eeuwige jeugd, En ik was dood (A Salty Dog), Libelle en mug, Lied van de oude geliefden en De vondeling van Ameland.

Geluid

2CD Parlando (2002).
De platenmaatschappij is zo slim geweest voor deze gelegenheid muziek en conferences te ontkoppelen en op twee gescheiden schijfjes uit te brengen. (Hoestekst)

Beeld

DVD Parlando (2002).

In tegenstelling tot de 2cd is dit wel een chronologische ­registratie van de voorstelling.
Op de dvd staat ook een making of, die bestaat uit een interviewtje met Matthijs van Nieuwkerk, inclusief beelden van onder meer repetities, en enkele korte gesprekjes met leden van het Metropole Orkest en met Hella de Jonge.

 

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

Hoewel het moeilijk is om in de voorbereidingsfase waarin het programma zich bevindt nu al in detail te treden over repertoire en uitvoering, belooft de samenwerking tussen Freek de Jonge en het Metropole Orkest één van de hoogtepunten van het komende theaterseizoen te worden.

Het unieke van de samenwerking is dat Freek nog nooit eerder een avondvullende voorstelling met een groot orkest (75 muzikanten) heeft gemaakt en dat het Metropole Orkest nog nooit eerder een serie theatershows met één artiest heeft gedaan.
Een serie van twaalf voorstellingen die zich zal beperken tot twee theaters: het Koninklijk Theater Carré in Amsterdam en het Nieuwe Luxor Theater te Rotterdam.

Het repertoire zal zoals de titel al doet vermoeden een mengeling zijn van woord en muziek waarin de specifieke mogelijkheden van een groot amusementsorkest door rasartiest De Jonge optimaal benut zullen gaan worden.
Naast klassieke variété en vrolijke verhalen worden oude en nieuwe liedjes gepresenteerd waarbij (knipoog) de nadruk op het sentiment zal komen te liggen. Na Neerlands Hoop Express een doorbraak in de Nederpop, Stroman en Trawanten met het Willem Breuker Kollektief, een verrassende combinatie van jazz en cabaret, Frits de veelbejubelde samenwerking van de Nits en Freek en de samenwerking met Robert Jan Stips in Gemeen Goed met de nummer 1 hit ‘Leven na de Dood’ dus nu: Freek de Jonge met het Metropole Orkest o.l.v. Dick Bakker. Een nieuwe mijlpaal in het muziektheater in Nederland.

[Tekst: Pascal Klaassen]