2016 – Dit is geen oudejaarsconference

2011 – Lone Wolf

Van 8 t/m 15 augustus 2011 speelt Freek de Jonge op De Parade in Amsterdam (en ook twee keer in Eindhoven) alweer een nieuwe voorstelling, getiteld Lone Wolf. Het zijn de eerste uitprobeeravonden voor zijn nieuwjaarsconference, gewoontegetrouw uit te zenden door de VPRO.

Aan deze Late Night-optredens (van 22.45 tot circa 23.30 uur) is nauwelijks ruchtbaarheid gegeven. Voor veel Parade-bezoekers is zijn aanwezigheid dus een grote verrassing. Freek de Jonge loopt zelf rond op het festivalterrein om zijn kaarten te verkopen. ‘Een les in nederigheid’, zo noemt hij dat, waarmee hij ‘de natte droom’ vervult van Halbe Zijlstra, die als strenge staatssecretaris voor cultuur immers meer eigen initiatief van hedendaagse kunstenaars verwacht.

Freek de Jonge heeft de beschikking over een grote tent. Goed voor tweehonderd bezoekers, maar elke avond zitten er veel meer, want hij mag ook steeds rekenen op aanloop van collega-bespelers en medwerkers van het zomerfestival. De belangstelling is enorm, zeker doordat hij, gewapend met een geldkistje en een Albert Heijn-tas vol toegangsbewijzen, de beschikbare plaatsen à slechts acht euro per stuk aan de festivalganger brengt. Freek de Jonge: ‘Nee, mevrouw, fout, fout, fout! U denkt nu dat u leuk tegen mij moet doen. Maar dat hoeft echt niet! Het is juist de bedoeling dat ik straks leuk tegen u ga doen!’

Lone Wolf is een voorstelling die is opgebouwd zoals het eerste deel van Neven, waaruit hij een aantal fragmenten overneemt. Zo begint hij ook nu aan de piano met Leven na de dood, steeds onderbroken door actuele grappen en anekdotes, zoals over de val (letterlijk en figuurlijk) van de Nederlandse renners in de Tour de France, de schandpaal-hesjes voor de taakstraffers van de reclassering en veel, veel meer. Hij laat zich leiden door zijn iPad, die hij enkele keren inzet als visueel wapen.

Maar nu al komt er lijn in de voorstelling. Lone Wolf dus. Niet het verhaal over neef Fred en Freeks foute ooms, uit Neven, maar een verwijzing naar al die zo eenzame wolven in deze maatschappij. Ja, natuurlijk Damschreeuwer Adam H, waxinelichtgooier Erwin L, girls-killer Joran van der S., Naald-botser Karst T en Alphen-schutter Tristan van der V. En bovenal rechtsstaat-slachter Anders B.

Freek de Jonge: Hoed u voor eenzame wolven, de schijnheiligheid regeert, want hij zal ten hele dwalen die niet ten halve keert.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

2010 – Het verlossende woord

In oktober 2010 werkt Freek de Jonge mee aan een programma rond Toon Hermans, die tien jaar eerder overleed. Op 13 oktober vertelt hij in de collegezaal van de Universiteit van Maastricht waarom hij Toon Hermans als zijn grote voorbeeld beschouwt. Hij laat beeldfragmenten zien en legt aan de hand daarvan uit wat Hermans’ kracht was. Ook laat hij zich door dichter en hoogleraar letterkunde Wiel Kusters bevragen over de essentie van het werk van Hermans en over zijn betekenis voor de Nederlandse theatergeschiedenis. Maar ook over het literaire gehalte van zijn ‘versjes’ en de indruk dat het hem allemaal kwam aanwaaien.
Na deze ode aan de kunst, bindt hij de strijd aan tegen de afbraak ervan:

cultuur is voor onnozele malloten

en dan wat is cultuur nog in dit land
een snel gevulde kinderhand
met klodders verf en pepernoten
de lange leegte ik kan er niet tegen
de domheid die de wedstrijd won
het lamlendig gekuier in de zon
het mierenneuken op te weinig wegen
ik had van dit leven meer verwacht
een homo ludens zonder zorgen
in schoonheid tot zijn volle recht
dit alles heb ik bij mij zelve overdacht
ik zag ons land op weg naar morgen
doodongelukkig op de laffe weg

Freek de Jonge’s variant op het beroemde gedicht Domweg gelukkig in de Dapperstraat van J.C. Bloem. Hij leest het voor aan het begin van Leve de Beschaving. Die manifestatie heeft plaats op 22 november 2010 in de Heineken Music Hall en wordt rechtstreeks op televisie uitgezonden door de gezamenlijke publieke omroepen AVRO, EO, NTR, VARA en VPRO. Ook radioprogramma’s als Kunststof en Giel besteden veel aandacht aan de avond, die Freek de Jonge dan ook presenteert samen met 3FM-dj Giel Beelen.

Het gaat niet goed met ons land, vindt Freek de Jonge. De voorgenomen bezuinigingen van maar liefst 220 miljoen op kunst en cultuur noemt hij stuitend. En een ieder die vindt dat hij ertoe doet in dit land, zal zijn verantwoordelijkheid moeten nemen. Hella en Freek de Jonge nemen daarom het initiatief tot deze cultuurmanifestatie. FNV-KIEM, de vakbond voor leden die werken in Kunsten, Informatie-industrie, Entertainment en (Multi-)Media, zegt medewerking toe. Die vakbond kwam al eerder met acties onder de titel Stop de Culturele Kaalslag.

Leve de Beschaving is een manifest, geen actie. Freek de Jonge (in NRC-Handelsblad): ‘Staken is voor onze sector geen passend middel. We springen niet op de bres, maar tonen wat voor belangrijke kunst er in Nederland is en wat er gebeurt als dat wordt afgeknepen. Dit doe je gewoon, het is een grote noodzaak. De aanleiding voor de manifestatie (…) is in-en-in-treurig. Maar dit wordt geen sombere avond en zeker geen protestavond, zoals veel mensen misschien verwachten. We zullen de inspirerende kracht van de kunst benadrukken. Het wordt een ode aan de cultuur die zo diep geworteld is in onze samenleving dat bezuinigingen erop als een minachtig voor de beschaving worden ervaren.’

De mannen van Niet Uit Het Raam proberen het nog even tijdens een van hun opkomsten. Met Gijs Scholten van Aschat moeten ze vanavond Richard III spelen. Dit om aan te tonen hoe dat eruit gaat zien in de nieuwe tijd, waarin subsidies verdwijnen en sponsoring nodig zal zijn. En dus draagt Scholten van Aschat een Unox-muts in plaats van een kroon. De verplichtingen leveren de nodige conflicten op. Tussen de cabaretiers en de acteur onderling en tussen dit collectief en de organisatie van de avond. Als hun duidelijk is gemaakt dat ook de taal voor het grote publiek begrijpelijk moet zijn, heeft NUHR-lid Viggo Waas nog wel een leuk idee. Shakespeare leent zich uitstekend voor een verwijzing naar het foute PVV-Kamerlid Eric Lucassen, zegt hij. Freek de Jonge: ‘O nee, die kant van wij-tegen-hun gaan wij dus niet op vanavond. Geen PVV-dingen. We protesteren niet. Dit is een manifestatie.’

Geen protest, maar een staalkaart. De avond begint veelbetekenend met een optreden van Leerorkest Zuidoost. Het zijn kinderen die muziekinstrumenten krijgen en er op leren spelen. Dat demonstreren ze, daarin bijgestaan door zanger Ernst Daniël Smid. Dit Leerorkest uit de Bijlmer is een van de stimuleringsprojecten die de Stichting Freek & Hella de Jonge financieel ondersteunt. In die stichting komt sinds 1997 al het geld terecht dat beiden verdienen met schnabbels en met boeken en andere inkomsten die niet voortvloeien uit theaterwerk.

Na deze opening volgt veelzijdige moderne muziek van Acda & De Munnik, Giovanca, Ruth Jacott, Kyteman, Moke, Nits, Waylon en Wende. En de viool van Liza Ferschtman, de kazoo van Brigitte Kaandorp, de bandoneon van Carel Kraayenhof en de pauken van Cesar Zuiderwijk. En toneel door Hans Kesting en Halina Reijn namens Toneelgroep Amsterdam, dans van Introdans en van twee dansers van het NDT (Nederlands Danstheater) die een gedicht van Gertrude Stein verbeelden. En Ramsey Nasr, dichter des vaderlands, leest zijn gedicht voor met als motto: We hebben barbaren als leiders.

kunst is maar een bijproduct
zij is niet nodig om te kunnen
eten, neuken, ademen
maar één ding kan ze
zij kan vechten waar ik vlucht
zij kan, met haar ene giftand
zij het voor een kort moment
mij redden van de eeuwigheid
en dit verlammend gat verlammen

Ook zijn er optredens van de tachtig leden van het koor van de Nederlandse Opera en van het volledige eerste studiejaar van de Kleinkunstacademie. Die studenten voeren met Freek de Jonge zijn conference De een en de ander (uit De Stemming) op:

Het gaat niet goed met dit land, zegt de een.

Daar moet iets aan veranderen, zegt de ander.

Ja, maar wat?, vraagt de een.

In totaal ruim vijfhonderd mensen werken belangeloos – nou ja: gratis, maar met belang – aan de avond mee. Ook het -Metropole Orkest, dat iedereen begeleidt. Het wordt zelf eveneens met opheffing bedreigd.

‘Weinig speeches, veel optredens’, was Freek de Jonge’s uitgangspunt. En dus zijn er alleen maar even korte gesprekjes met betrokkenen. Onder hen filmer Eddy Terstall, die uitlegt dat film meer geld genereert dan kost. Subsidie is dus niet de goede naam; het zijn leningen en investeringen.

Aan het slot van de avond, die ruim een half uur uitloopt, citeert Freek de Jonge nog eens uit zijn Kellendonk-lezing, waarin hij zich afvraagt hoe het toch kan dat mensen zo ver van kunst en cultuur zijn komen af te staan. En dan volgt het slotlied, waarin iedereen op tekst van Freek de Jonge een eerbetoon brengt aan de kunst:

je weet niet wat je hoort, je weet niet wat je ziet
je proeft en je voelt het: iets mooiers is er niet
de tranen die je laat, de lach waarin je schiet
je hart is vol, je mond loopt over, iets mooiers is er niet

Twee dagen na de manifestatie Leve de Beschaving treedt hij alweer op met de eerste inspeelvoorstelling van Het Verlossende Woord. Omdat de VPRO die niet op nieuwjaarsdag uitzendt, maar pas op 2 januari, noemt hij het programma een jaarconference. Ook hierin speelt de rigide houding van het kabinet-Rutte ten aanzien van kunst en cultuur een belangrijke rol. Oftewel: de keuze wel extra miljoenen in de zorg te stoppen, maar tegelijk stevig te bezuinigen op kunst en cultuur. Freek de Jonge (in NRC-Handelsblad, 29 december 2010): ‘Het lichaam is voor deze politici belangrijker dan de geest. Als je de cultuur aanvalt, bedreig je de geestelijke gezondheid. Wat er op kunst wordt gekort, komt ons in de zorg duur te staan.’

Rode draad is de daadwerkelijke verhuizing van zijn moeder van een Zeeuws verpleegtehuis naar een tehuis vlakbij Muiderberg. Gaandeweg de voorstelling komt hij uit bij het gegeven dat in ons land de fundamentele discussie woedt dat je moet kiezen voor zorg of cultuur, lichaam of geest. En natuurlijk wakkert het populisme het sentiment aan dat je niet moet streven naar balans, naar evenwicht, maar moet kiezen vóór de zorg en tégen kunstenaars zoals hij. Rutte heeft beloofd ‘het land te heroveren op de hufters’. Maar wie zijn die ‘hufters’? Zijn dat werkelijk de buitenlanders en de kunstenaars? Of zijn het de brievenbuspissende PVV-politici en de graaiers bij de banken? Hoe zeer het evenwicht zoek is, demonstreert hij door in dat verpleegtehuis een expositie te openen. De verpleging is niet aanwezig, want ook zij veronderstelt dat deze investering in kunst ten koste gaat van hun zorg. Op verkeerde gedachten is de mens zo makkelijk te brengen. En ook de journalisten heulen mee. Eentje komt langs om aan te tonen dat mensen houden van een huilend zigeunerjongetje en niet van deze abstracte shit.

Het podium staat vol met rollators. Freek de Jonge vertelt dat hij vooraf vreesde dat je daar niet zo gemakkelijk aan geraakt. Maar er blijken loodsen mee vol te staan, want de ziektekostenverzekering vergoedt de aanschaf, dus niemand kiest voor tweedehands. Een mooie tegenhanger voor de vermeende geldverspilling in de kunsten. En een knipoog naar de opinie dat hij te oud wordt voor dit vak: ‘rollatorcabaretier’ dus.
En hij voert een ‘technorollator’ op. Met een slag van een drumstokje laat Freek de Jonge quotes uit 2010 produceren, want een jaarconference – of het nou oudjaar of nieuwjaar is – behandelt de actualiteit van het jaar. We horen kardinaal Simonis opnieuw zijn ongelukkige uitspraak Wir haben es nicht gewusst doen. Evenals Maxime Verhagens geacteerde Ik hou van deze partij tijdens het CDA-congres. Uiteraard komt ook Louis van Gaal voorbij. En natuurlijk zijn er grappen over de documenten van Wikileaks, het besluit om 130 kilometer te mogen rijden op sommige snelwegen, het aftreden van Camiel Eurlings, de beet van Ajax-voetballer Luis Suarez en het kindermisbruik op een Amsterdams kinderdagverblijf.
Aan het slot van de voorstelling siert de afbeelding van het huilende zigeunerjongetje het decor. Dat is wat ons bedreigt. Maar uiteindelijk klinkt toch Het Verlossende Woord. Het publiek hult zich op zijn verzoek in paarse en witte kazuifels. Een lekker goedkoop gospelkoor, waar geen cent subsidie voor is aangevraagd. Het brengt een ode aan… de liefde!

COULISSEN

Leve de Beschaving speelt voor bijna drieduizend mensen in een uitverkochte Heineken Music Hall. Maar naar de televisie-uitzending kijken er nog geen vierhonderdduizend.

De melodie van Iets mooiers is er niet, het slotlied van de manifestatie Leve de Beschaving, is geschreven door Maurice Kuyten. Freek de Jonge had de tekst al klaar en riep mensen op een compositie in te sturen.

Behalve in de zaal van de Heineken Music Hall was er ook van alles te beleven in de ruimtes er omheen.
Caspar de Kiefte, bestuurder van FNV-KIEM: ‘Kunst en cultuur zal die avond niet alleen op het podium uitgedragen worden. Ook de entree en de foyer van de Heineken Music Hall zullen bol staan van wat Nederland aan kunsten te bieden heeft. Er worden onder meer filmpjes vertoond met korte statements van bekende Nederlanders die ook vinden dat er niet zo veel bezuinigd mag worden.’

‘Uw nieuwjaarsconference is verschoven naar 2 januari. Waarom?
“Dat had met de tv-programmering te maken. Op 1 januari hadden ze al een nieuwjaarsconcert. Mij erbij vonden ze dan te veel. En ik zou dan tegenover Boer zoekt vrouw geprogrammeerd staan.”
Maar ‘Boer zoekt vrouw’ is juist op 2 januari, tegelijk met uw show.
“Inderdaad, dat bleek later.”
Dat programma trekt vier miljoen kijkers.
“Blijven er nog twaalf miljoen over voor mij”.’ (Interview Wil-fred Takken voor NRC-Handelsblad, 29 december 2010)

Op 17 december 2010 staat Freek de Jonge voor de tweede keer dat jaar in HP/De Tijd. Het interview in maart was de goedmaker voor een bedenkelijk artikel van januari 2009. Nu wordt hij uitgebreid geïnterviewd in het kader van de reeks Succes: Nederlanders van naam over hun welslagen, geschreven door Sara van Gorp. ‘Is het voor De Jonge mogelijk om te stoppen? Hij kondigde het door de jaren heen al een paar keer aan, maar begon toch steeds weer opnieuw. Kun je wel stoppen als je de wereld om je heen zo lang hebt vertaald in voorstellingen?
“Nee, dat kan inderdaad niet en dat wil ik ook niet. Ik wil de wereld vanuit mijn leeftijd bekijken. Ik ga in elk geval door tot het niet meer om aan te zien is. Of, nou ja, ontdaan is van alle franje, zoals de laatste platen van Johnny Cash. Zo zal dat met die programma’s van mij ook gaan, als ik daar als murmelende tachtigjarige zit. Ik heb er nog altijd ontzettend veel lol in en ik vind ook dat ik moeiteloos hoor bij het beste wat er op cabaretgebied in Nederland te krijgen is. Nummer één, ja. Als ik om me heen kijk, is wat ik doe nog steeds heel erg goed, heel erg doordacht. Maar het bepaalt m’n leven niet meer zo allesoverheersend als het was. De laatste vijf jaar is het niet meer zo absoluut, zoals Neerlands Hoop absoluut was. Dat was een wedstrijd tussen ons en de rest van het cabaret, de rest van de showbusiness. Die konden er allemaal niks van, vonden wij. Daarom heb ik uiteindelijk ook weinig contact met collega’s gekregen. Als je die allemaal verwees naar een amateurstatus, is dat niet zo raar”.’

Voor de Volkskrant zetten Patrick van den Hanenberg en Merijn Henfling op 31 december 2010 alle conferences op een rijtje en ze geven cijfers. Erik van Muiswinkel krijgt een 9- (‘Hoge amusementswaarde en veel diepgang’), Guido Weijers een 8+ (‘Zet een creatieve stap voorwaarts en durft zijn publiek te laten wankelen’) en Freek de Jonge slechts een 8- (‘Behoudt het overzicht, benadrukt wat van belang is’).

‘”Dat de jonge generatie publiek en recensenten voor nieuwe cabaretiers valt, vind ik wel logisch. Hans Teeuwen, Theo Maassen – dat zij me qua populariteit inhalen, zoals Bram en ik destijds over twintig anderen heen liepen. Maar in artistieke zin heb ik zeker niet het gevoel dat ze me inhalen. En qua continuïteit ook niet. Ik sta al veertig jaar aan de top, in de schijnwerpers. Ik vind het wel jammer dat de parochie steeds kleiner wordt. Ik heb het idee dat jongeren nog heel veel plezier aan mijn werk zouden kunnen beleven.”
De teneur in de media is: Freek de Jonge heeft afgedaan. “Hou toch eens op”, wordt er dan geschreven. Is dat niet een oorzaak van het verbolgene dat hij heeft?
“Ik ben helemaal niet verbolgen. Ik ben juist nog altijd ontzettend enthousiast. Heb ontzettend veel zin om nieuwe dingen te maken. Men wil me in die hoek drijven. En ja, die sfeer is in de media ontstaan, maar die wordt niet beantwoord door de publieke belangstelling en ook niet door de kijkcijfers. Mijn verkiezingsconference begin dit jaar had ruim een miljoen kijkers. Vind ik genoeg. Ik zou wel dolgraag mijn imago willen bijsturen, dat wel. Dat ik gezien zou worden als iemand die toch wel een ongelooflijke bijdrage heeft geleverd aan de Nederlandse cultuur na de oorlog in plaats van dat stempel van een ouwe zeur. Ik heb – vind ik – nogal dingen gedaan, heb ongelooflijk veel succes gehad tot in Knoxville en Toronto. Ik heb een schitterende film gemaakt, De Illusionist, die bekroond is met een Gouden Kalf. En ga zo maar door. Ik vind het wonderlijk dat ik in de situatie terecht ben gekomen dat ik mezelf moet verdedigen voor zuurheid, boosheid. Met angst en beven zie je dan je dood tegemoet, dat er in de kranten staat: hij wou z’n leven lang de beste zijn en begon daarom een beetje jaloers te worden. Als je het zaakje bij elkaar harkt, is het tachtig procent lachen geweest. Lachen, lachen, lachen. Ik ben nu in een stadium gekomen dat ik tegen mezelf op moet boksen”.’ (Interview Sara van Gorp voor HP/De Tijd, 17 december 2010)

KRITIEKEN

‘Een avondje Freek stijgt nog altijd uit boven een avondje met de meeste cabaretiers. Hij kan na een zijweg nog immer meesterlijk oppakken waar hij gebleven was (…) en heeft zijn fysiek perfect in balans met zijn woordenstroom.’ (Joost van Velzen in Trouw, 31 december 2010)

SPEELDATA

Leve de Beschaving: maandag 22 november 2010 in de Heineken Music Hall.

Het Verlossende Woord: 24 november t/m 30 december 2010 met een serie in het Amsterdamse Compagnietheater vanaf 14 december. De tv-uitzending heeft plaats op 2 januari 2011.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

2009 – Volendam

Het jaar 2009 begint met een stoot onder de gordel. Het weekblad HP/De Tijd wijdt op 30 januari een groot artikel aan Het verval van Freek de Jonge. Een vermoeide, ongeschoren Freek de Jonge op de cover en in de tekst veel (nogal oude) bij elkaar geraapte citaten van collega-cabaretiers. Dit alles om toch vooral de suggestie te wekken dat het gedaan is met die chagrijnige zeurpiet, hork, moraalridder en betweter. Tijd om te stoppen dus.
Stoppen? Het wordt het jaar van zijn theatrale invulling van de jaarlijkse Kellendonk-lezing (februari), maar nog meer van een voorstelling rond Neerlands Hoop (juni en oktober) en bovenal van allerlei activiteiten in het kader van de tentoonstelling die het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (van juni t/m oktober) wijdt aan zijn oeuvre. Dit ter gelegenheid van het feit dat hij op 20 juni veertig jaar in het theater werkt en op 30 augustus 65 jaar zijn leven leeft.
Vervolgens maakt hij ook nog vier cabareteske documentaires voor de VPRO en het digitale kanaal Holland Doc 24. Daarin keert de 65-jarige terug naar de plaatsen uit zijn jeugd om herinneringen op te halen en om op te treden. Deze Cabadocu’s, zoals hij ze noemt, worden gevolgd door inspeelvoorstellingen van de nieuwjaarsconference Volendam. Als die wordt uitgezonden is het inmiddels 2010.

 KELLENDONK-LEZING

Freek de Jonge’s Kellendonk-lezing heeft plaats op 16 februari 2009 in Concertgebouw De Vereeniging in Nijmegen en is getiteld Komt u volgend jaar maar terug. Uit de flaptekst van de uitgave van de Radboud Universiteit blijkt waarom men Freek de Jonge heeft gevraagd:

Bij zoveel aandacht voor zijn theaterwerk vergeet men vaak dat De Jonge eind jaren tachtig, begin jaren negentig, ook als romancier actief is geweest: ‘Zaansch Veem’, ‘Neerlands Bloed’, ‘Opa’s Wijsvinger’. Over deze romans is gezegd dat de thematiek verwantschap vertoont met die van auteurs als Oek de Jong, Andreas Burnier, Gerard Reve én Frans Kellendonk. Wat deze auteurs met elkaar gemeen hebben, aldus menig literatuurbeschouwer, is dat zij in hun werk op zoek zijn naar een nieuw godsbeeld, onder het mom van, om zo te zeggen, ‘als ik hem zoek, dan moet hij toch bestaan’. In dit verband is het volgende citaat uit ‘Opa’s Wijsvinger’ illustratief en tekenend voor De Jonge’s literatuur- c.q. kunstopvatting: ‘Faust gaat over de vraag hoe het is te leven zonder religie; wij dienen ons zo langzamerhand af te vragen hoe het is te leven met religie. Daar zou kunst over moeten gaan!’

Freek de Jonge leest van papier. Aanvankelijk vooral zittend in een fauteuil, die naast een tafeltje met zijn laptop staat. De laptop staat aan, maar hij gebruikt die niet. Halverwege de lezing, die ruim een uur duurt, stuurt hij even aan op een -applaus: ‘In het theater klinkt dan een applausje en dat is niet zo zeer bestemd voor de artiest, maar meer voor het publiek om even een punt ergens achter te zetten. Gaat uw gang! Want je gaat toch op de een of andere manier steeds meer verkrampen tijdens zo’n toespraak…’

Het is een lezing in negen bedrijven, te beginnen met twee filosofische verhandelingen over onder meer religie. Die worden gevolgd door afwisselend vier liedteksten die hij declameert (Reikhalzend verlangen, Vaders stem en Wees niet bang en een nieuwe tekst: Kraak me) en drie verhalen. Vooral staand en lopend vooraan op het podium illustreert hij daarin zijn opvattingen uit de eerdere verhandelingen. En hij past ze toe door ze volledig en steeds humoristischer op zichzelf te betrekken: ‘De wat jongere cabaretier zocht, omdat hij zich aan hem schatplichtig voelde, contact met een wat oudere cabaretier, een gewezen wereldverbeteraar. (…) Laten we die wat oudere cabaretier voor het gemak maar even “ik” noemen.’
Enkele van de verhalen komen in december terug in Freeks Nederland en het titelverhaal zal terugkeren in de voorstelling Volendam.

De organisatie van de Kellendonk-lezing is gewend al op de avond zelf een boekje met de tekst uit te geven. Freek de Jonge heeft geëist eerst zijn lezing te kunnen houden en pas daarna de tekst in te leveren voor uitgave ervan. Dat boekje verschijnt later in het jaar. Op de achterkant heeft hij het thema van zijn lezing in woorden proberen te vangen:

Met de vraag ‘Wat wil ik zeggen en waarom?’ houdt Freek de Jonge zich al meer dan veertig jaar bezig. Het ‘waarom’ evolueerde in die vier decennia van blinde ambitie via hoogdravend wereldverbeterend idealisme tot het berustende: van thuis zitten word je ook niet vrolijk.

Het ‘wat’ maakte de ontwikkeling door van onbewuste absurditeit via pretentieus zelfonderzoek naar… ja, naar wat?

Het antwoord geeft hij hier niet, maar zit vervat in de titel en in het laatste verhaal: Komt u volgend jaar maar terug. De lezing is bovenal een ode aan het geduld:

Nog drie keer ben ik gegaan, steeds met een andere vraag. Steeds luidde het antwoord: ‘Komt u volgend jaar maar terug.’ En als ik ongeduldig begon met ‘ja, maar’, fluisterde de meester: ‘Geduld.’ En opeens (…) had ik het door. (…) ‘Geduld’, dat was het antwoord. Dat was het antwoord op alle vragen. Wat is de sleutel tot verantwoord leven? Geduld. Is er leven na de dood? Geduld. Wat is het eeuwige leven anders dan een kwestie van geduld. Duurzaamheid, het modewoord van deze tijd, geduld. ‘Geduld’ is de voltooide tijd van ‘dulden’. Wie kan ‘dulden’ heeft ‘geduld’. Wie kan ‘dulden’ wordt ‘geduld’.
Ik was overtuigd van mijn inzicht. Na een jaar ging ik terug en zei tegen de meester: ‘Ik ben hier voor de laatste keer. Ik heb het begrepen. Het antwoord op alle vragen is geduld.’ (…) Wat zei de meester? ‘Kom volgend jaar maar terug.’ (…) Toen wist ik het zeker en ben gaan mediteren. Mediteren? Ja, dat is een ander woord voor ‘geduld oefenen’.

TENTOONSTELLING ‘KIJK! DAT IS FREEK’

Als dat boekje verschijnt, is in het Hilversumse Mediapark de voorbereiding van de tentoonstelling Kijk! Dat is Freek al in volle gang. In deze overzichtstentoonstelling blikt het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid vier maanden achtereen – van eind juni tot eind oktober 2009 – terug op zijn veertigjarige theatercarrière. Een lange videowand projecteert een tijdsbalk met niet alleen zijn leven en werk, maar ook de belangrijkste gebeurtenissen van het desbetreffende jaar. En er zijn jukeboxen en kijkdozen met materiaal. De circuspiste geeft toegang tot vier verschillende paviljoens. In Het Liedjespaleis staat de muziek centraal, in De Freak de entertainer, in De Grote Mond de conferencier en in De Blaaskaak de cabaretier in zijn omgang met de media. En wie goed kijkt, ziet dat er grappen zijn toegevoegd. Zo ziet de bezoeker van De Freak een videopresentatie met Freek als kassajuffrouw met grijze pruik, knalroze jurk en vlinderbril en verveeld bezig met lippen stiften, nagels vijlen en in boekjes bladeren. Het is een van de ideetjes waarmee zoon Jelle de Jonge zijn stempel op het geheel heeft gedrukt.
In totaal bestaat deze multimedia-expositie uit zo’n 27 uur bewegend beeld, gepresenteerd tussen veel foto’s, decorstukken uit voorstellingen en andere bezienswaardigheden. Bij de toegang tot het gebouw staat een mozaïek van twintig vierkante meter opgesteld, getiteld Water en vuur. Twintig panelen vol geweld van de natuur (de tsunami) en mensenhanden (de brandende Twin Towers), maar met in het midden een grote Boeddha. Die staat er als symbool van rust en balans, als teken van het feit dat te midden van de chaos altijd de mogelijkheid bestaat om te ontsnappen. Hella en Freek de Jonge maakten het mozaïek speciaal voor deze gelegenheid. Ook de tentoonstelling stelden ze voor het grootste deel zelf samen, aangezien er bij Beeld en Geluid niemand was met overzicht op de hele carrière. En dus maakten ze, geadviseerd door Jelle, zelf een selectie uit het materiaal. Freek de Jonge: ‘Wat op zichzelf niet het allerleukste werk is: ik maak liever iets nieuws dan dat ik iets ouds bekijk.’

Het Eerste Uur

Tijdens de tentoonstelling geeft Freek de Jonge ook enkele optredens en masterclasses, zoals een cursus liedjes maken voor dertienjarige scholieren. Jelle de Jonge filmt het, zodat andere jongeren de les op een later tijdstip kunnen zien op de website van het instituut.
Dan heeft Freek de Jonge ook alweer een paar optredens in het land gegeven. Het Eerste Uur noemt hij de optredens, in juni 2009, in het Koningstheater in Den Bosch en in de Stadsschouwburg Haarlem. Dat Haarlemse optreden heeft plaats op 20 juni, precies veertig jaar na het eerste optreden, op diezelfde plaats, van de Dutch Music & Comedy Show Neerlands Hoop in Bange Dagen.
Het Eerste Uur is een terugblik op Neerlands Hoop en bestaat uit liedjes als Bello de hond, Elsje (Hopsi-Topsi-land), Kijk dat is Kees en Opa en conferences als Whiskey en een gespeeld telefoongesprek met het koninklijk huis, al kan dat nu niet meer met koningin Juliana of prins Bernhard en dus kiest hij ervoor zogenaamd prinses Máxima aan de lijn te hebben.
De avond herhaalt zich in oktober nog een keer in Theater Carré, dan onder de titel Neerlands Hoop Solo.
Als toegift vertelt hij nog een laatste anekdote over Neerlands Hoop. Om eraan toe te voegen dat het zijn verhaal is en dat Bram misschien een andere versie had. ‘Dat is het probleem met geschiedenis: die wordt door de levenden verteld.’

FREEKS NEDERLAND

Zijn persoonlijke levensgeschiedenis gaat hij ook vertellen. Dat doet hij in een vierdelige documentairereeks die hij ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag maakt voor de VPRO en het digitale kanaal Holland Doc 24. Die mondt uit in de nieuwjaarsconference Volendam: eigenlijk dus de vijfde aflevering. Hella de Jonge is verantwoordelijk voor de samenstelling en regie van de serie, inclusief Volendam. In twee keer 45 minuten keert Freek de Jonge vier decemberweken achtereen terug naar de plaatsen uit zijn jeugd om herinneringen op te halen en om op te treden.

De eerste 45 minuten zendt de VPRO uit als aflevering 1A t/m 4A. Voor het B-gedeelte kunnen de kijkers direct na de televisieuitzending naar internet: op Holland Doc 24 gaat hij dan verder op de materie in.

Freeks Nederland omschrijft hij zelf als Cabadocu’s. En alle vier de afleveringen krijgen als motto mee: ‘Hoe het was, is en wordt.’ Die titel ontleent hij aan een boekje over Zaandam. Dat heet Hoe het was, is en wordt in Zaandam. Zaandam staat centraal in de derde aflevering. De eerste handelt over Westernieland. In dat Groningse dorpje met slechts zo’n 250 inwoners woont hij tot hij anderhalf is. Daarna verhuist het gezin naar Workum (aflevering 2), Zaandam (aflevering 3) en ten slotte naar verschillende plaatsen in Zeeland (aflevering 4).

Aan Westernieland heeft hij natuurlijk geen tastbare herinneringen:

Terugkeren naar plaatsen van herinnering en het verschil ervaren tussen kijken in onwetendheid en het kijken met kennis; kijken vanuit horen-zeggen, je afvragen of wat je hoorde waar was en waar je was toen je het hoorde. En kijken vanuit kennis, beperkte kennis; je kunt niet alles weten, je kunt niet alles zien. (…) Ik keerde terug naar de plek waar mijn leven begon. Nieuwsgierig naar wat ik nog wist en vooral: naar wat ik nooit geweten heb. Ik zocht een zaaltje in de buurt om herinneringen op te halen, mijn geheugen op de frissen en te horen of het publiek mij wijzer kon maken.

Zo zijn alle afleveringen opgebouwd: hij brengt bezoeken aan het huis waar hij woonde, de kerk waar zijn vader dominee was en de mensen die hij kende en hij geeft informatie over de plekken die van grote invloed zijn of zijn geweest voor het dorp, de stad of de streek. In de eerste aflevering is dat onder meer de Zeehondencrêche in Pieterburen, met een langer gesprek met Lenie ’t Hart in de B-aflevering. En in Westernieland zelf is het Kamp De Slikken, waar arbeiders in het kader van de werkverschaffing de latere Linthorst Homanpolder indijkten en waar na de oorlog NSB’ers werden geïnterneerd. In de B-aflevering gaat hij ook daar uitgebreider op in.
Freek de Jonge wisselt sfeerbeelden af met gesprekken met buurtbewoners en deskundigen en hij treedt op in de culturele centra en theaters. Die optredens leveren het mooiste materiaal op, omdat zijn publiek bestaat uit de personen met wie hij optrok en de generatie van de tijd waarover hij spreekt. Vaak betrekt hij hen ook bewust in de voorstelling. Zo komen humor en geschiedenis prachtig samen. Per aflevering gaan de opnamen van het optreden een grotere rol spelen en zo werkt de serie ook op die manier toe naar de nieuwjaarsconference Volendam.

De tweede aflevering gaat over Workum, waar hij woont tot aan zijn zevende. Hij heeft veel kritiek op de stad nu. De bevolking keek Jopie Huisman met de nek aan, maar heeft nu wel Jopie Huisman-gebak om een slaatje uit hem te slaan. En neem het Jopie Huisman Museum: het bestaat bijna 25 jaar en zou de trots van de stad moeten zijn, maar ook dat is een speelgoedje van de middenstand. Freek de Jonge: ‘Wat laten jullie allemaal gebeuren hier? Waar is de geest van Workum gebleven?’
Tijdens zijn optreden in cultureel centrum De Klameare vertelt hij over zijn jeugd. Zoals over hoe hij tegen de wereld aankeek met de verkeerde bril die hij op kreeg. Die werd abusievelijk verwisseld met die van een andere slechtziende domineeszoon. En het gaat over de inwijding van de Sint Gertrudiskerk, waar hij als kind niet bij mocht zijn. Hij zingt De stem van vader, maar dan in het Fries.
Ook vertelt hij het verhaal dat al onderdeel uitmaakte van zijn Kellendonk-lezing. Dat gaat over de middag waarop hij een boek uitreikt dat verschijnt in het kader van het Friese Merenproject. De gasten bezoeken die avond een locatievoorstelling van het Friese theaterfestival. Na afloop lijken sommigen van slag, omdat ze niet kunnen vertellen wat ze hebben gezien:

Hoe is het mogelijk, vroeg ik mij af, dat mannen die geen enkele moeite hebben met de absurditeit van hun bestaan, de idiotie van hun beleid, de waanzin van hun prioriteiten, hun noodlottige gevangenschap in de economische doctrine, door drie kwartier abstractie zo van de kaart zijn? Wat is er met hun onschuld en vermogen tot verwondering gebeurd? Waarom is begrijpen voor de mens het hoogst haalbare geworden? (…) Wat is er gebeurd tussen de oerpolder met zijn eenvoudige bevolking, die angst bezwoer met groteske verhalen en deze chique ambtenaren die hun angst wegbluffen met megalomane projecten en gesubsidieerde festivals? Het mysterie is een probleem geworden.

De laatste uitspraak ontleent hij aan de Vlaamse filosoof Herman De Dijn, hoogleraar in Leuven.

De mensen zijn met een andere bril gaan kijken, zo vertelt hij, waarmee hij terugkomt op dat verhaal van die verkeerde bril die hij droeg. En hij eindigt vanaf deze tweede aflevering steeds met een sonnet, waarin alle onderwerpen uit de uitzending nog eens terugkomen. Zoals in de tweede aflevering zijn bezoek aan het Eerste Friese Schaatsmuseum met de afgevroren teen van Karst Leemburg, in 1929 winnaar van de vierde Elfstedentocht. Maar ook de dood van zijn broertjes, een tweeling die na drie dagen overleed als gevolg van een negatieve resusfactor:

De afgevroren teen behoort tot het verleden:

buiten schaatsen is een vergane sport.
Toch wacht men hier getrouw op de elfsteden,
terwijl het weer steeds warmer wordt.
Het meeste leed in deze streken is geleden;
het was en is zoals het nooit meer wordt.
De jeugd trekt gretig naar de grote steden;
de middenstand gokt op de watersport.

 

Mijn vader zag Abe van Ajax winnen;

de restauratie was een zaak van jaren;

voor mijn broertjes kwam vers bloed te laat.

 

Je mag wel zeggen dat het gaat zoals het gaat.
Herinneringen kun je niet bewaren.

Ik was een jongen voor wie alles ging beginnen

Waar het dan allemaal begint, is Zaandam, waar hij woont tot zijn achttiende en waar hij anders naar meisjes gaat kijken. Centraal stelt hij de vraag wat er gebeurd is met Zaandam sinds hij is weggegaan. Zaandam werd Zaanstad. Het Zaan-theater kwam, waar inmiddels zijn lied De Zaan in een raam gegraveerd staat.

Ook hier heeft hij veel kritiek op de stad, want in het ooit zo progressieve ‘rode Zaandam’ stemt nu tweeëntwintig procent van de kiezers op de PVV. En het centrum is een en al horeca en snackbar. De nijverheid (de koekjes van Verkade, het hout van Bruynzeel) verdween en in wat de tweede haven van Nederland was, zie je nu alleen nog maar wat protserige jachten.
Hij bezoekt er de grootste moskee van ons land, maar natuurlijk komen ook de onderwerpen aan bod die centraal staan in zijn boek Zaansch Veem, zoals de Paaskerk en de grote brand. In Zaandam had hij een theatertje in de tuin, vertelt een vriend. Freek antwoordt: ‘Hier voelde ik dat dit mijn vak zou worden.’

Zeeland is boven alles mijn provincie. (…) Vanaf mijn vierde kwam ik er. Zo werd de ramp in 1953 behalve een spannend jongensboek ook een klein drama. Misschien wel het vertrekpunt van mijn leven. Waarheid en verzinsels lopen vanaf dat moment door elkaar. In Renesse, Rilland-Bath, Vrouwenpolder, Goes, Kloetinge en Terneuzen. (…) Zeeland blijft de eerste verliefdheid. En toch, ik wilde naar de Randstad…

Per aflevering wordt er dus meer gebruik gemaakt van de beelden uit het theater. Het vierde deel, over Zeeland, bestaat bijna in het geheel uit die registratie. Centraal daarin staat het verhaal rond een aangenomen neef. Het verhaal komt terug in de voorstelling Neven (2011). Eind 1943 is op Schouwen-Duiveland een gevechtsvliegtuig van de RAF, de Royal Air Force, neergestort. Van de zeven bemanningsleden overleeft alleen de boordwerktuigkundige het: een zwarte Amerikaan. Een Zeeuwse boer verbergt hem, diens 17-jarige dochter verzorgt hem. Als de Amerikaan weer weg is, bevalt zij van zijn zoon en ze noemt hem… Raf.
In 1953 pleegt de dochter zelfmoord. Haar ouders zijn zojuist omgekomen bij de watersnoodramp en zij beschouwt die natuurramp en de tragische gevolgen ervan als straf van God voor haar onzedelijk gedrag. Raf wordt geadopteerd door Freeks tante en sindsdien is er veel contact tussen Raf en Freek, want het gezin De Jonge komt er vaak. Zo vervangt zijn vader de dominee van Rilland als die overspannen is.
Als Raf een keer bij hen logeert, komt hij ongelukkig terecht, waarna zijn been geamputeerd moet worden. Bij een volgende logeerpartij komen ze in Westkapelle bij het kamp van de Molukkers.

Dan komt er een tweede, historische verhaallijn bij: die van de Molukkers in Nederland. Bij dat onderwerp staat hij vervolgens uitvoerig stil. Hun geschiedenis raakt hem. De Molukkers zijn schijnbaar gastvrij in ons land ontvangen. Ze worden gehuisvest in de voormalige kampen. Maar als er onvrede ontstaat en er enkele incidenten volgen, komt er prikkeldraad, bewaking, vrijheidsbeperking en zelfs honger. Dat zal in latere jaren leiden tot acties als bezettingen en kapingen. Meteen nadat Raf door een vergissing een nacht heeft moeten doorbrengen in het Molukkenkamp treedt er afstand op tussen de verteller en zijn neef en ze verliezen elkaar uit het oog. Hij ziet Raf in 1972 nog eens na een optreden van Neerlands Hoop, maar spreekt hem niet.

Ook hier heeft hij veel kritiek op dat fantastische Zeeland, dat in de loop der jaren steeds toeristischer is geworden. Maar de hardste kritiek heeft hij eigenlijk op Volendam, waar hij zijn nieuwjaarsconference houdt. Zijn kritiek op de andere plaatsen houdt verband met het feit dat die plekken uit zijn jeugd hem zo dierbaar zijn. Maar Volendam? Na vier interessante plaatsen en regio’s, zo stelt hij, willen de mensen ‘ook wel eens een keer niks zien’. Volendam is de plaats met het hoogste percentage PVV-stemmers bij de Europese verkiezingen en waar je niks hoeft te kunnen om beroemd te zijn: Jan Smit en Yolanthe Cabau van Kasbergen.
Ook nu figureert hij in een filmpje en hij draagt het blauwe retro-trainingsjack van het Nederlands elftal uit 1965. Dat heeft hij aan op alle filmpjes van de vier afleveringen. Hier duurt dat filmpje maar kort. Het dient slechts als bruggetje van de Cabadocu’s naar dit programma. Het vervolg speelt zich geheel af in het Volendamse verenigingsgebouw De Jozef.

Een nieuwjaarconference is oudjaar op 1 januari, heeft Freek de Jonge wel eens gezegd. Meer verschil is er niet. En dus richt hij zich met Volendam op de actualiteit van het jaar. In dit geval zijn dat onder meer het faillissement van Marco Borsato (‘Jan Jaap van der Wal heeft de kroonluchters; ik draag zijn pak’), het drugsgebruik van Yuri van Gelder (‘Geen lijntje, maar een ringetje coke’), de mislukte aanslag op Koninginnedag (‘Het was de eerste ramp waarbij het monument er al stond vóórdat de ramp had plaatsgevonden’), de terechte commotie over het vakantiehuis in Mozambique van Willem-Alexander en Máxima, het kindermisbruik door Benno L. (‘Niet Boer zoekt vrouw, maar Badmeester zoekt zwemmertjes’), het populisme van Wilders (‘We zijn jou spuugzat’), het faillissement van DSB-baas Dirk Scheringa en de Volendamse scheiding van Yolanthe en Jan Smit (‘Dat u dat allemaal weet…’).
Freek de Jonge is in 2009 dus 65 jaar geworden, vertelt hij. Hij zit ingeklemd tussen zijn dementerende moeder en zijn ernstig zieke kleinkind (dochter van dochter Roos) en krijgt dus veel te maken met de verzorgingsstaat. Hij ondervindt dat ook in de gezondheidszorg steeds meer regels komen, alsof ‘we het lot willen uitschakelen’. Hij demonstreert het met een analyse – een procedé dat hij vaker toepaste – van de Grip op Griep-folder en later ook met een andere overheidstekst: die van de vaderlandse rampeninstructie. Hij constateert dat we ons bang laten maken door de overheid van wie we tegelijkertijd willen dat zij elk risico voor ons uitsluit.
Intussen reist hij met de trein van Weesp naar Tilburg, want hij gaat alvast naar de Efteling om in de rij te gaan staan voor zijn kleinkinderen. ‘Wat oma doet weten ze wel, maar wat doet opa?’ Hij verbaast zich ook dan over het feit dat hij nog nauwelijks menselijk contact heeft en alleen maar te maken krijgt met regeltjes en regelaars. Als zijn kleinkind later zijn hand vastpakt, raakt hij ontroerd en constateert: ‘Je kunt wel proberen via intellect tot iemands hart door te dringen, maar dat is wel de moeilijkste weg…’ Onderweg leest hij een boek. Het gaat over de wereldverbeteraar, wiens geduld op de proef wordt gesteld. Het is het verhaal Komt u volgend jaar maar terug, uit de gelijknamige Kellendonk-lezing, waarmee het jaar begon.

COULISSEN

De Kellendonk-lezing is een literaire lezing die sinds 1993 jaarlijks wordt gehouden. Dit gebeurt op uitnodiging van de Radboud Universiteit in Nijmegen ter nagedachtenis aan auteur Frans Kellendonk (1951-1990). Andere sprekers waren onder anderen Patricia De Martelaere (1993), Gerrit Krol (1997), Kees Fens (2002), Arnon Grunberg (2007) en Gerrit Komrij (2011). De Radboud Universiteit geeft als doelstelling:

De lezingen zijn geen van alle literatuurwetenschappelijke verhandelingen over Kellendonks leven en werk – een dergelijke aanpak zou de schrijver zeker niet op prijs hebben gesteld -, maar gaan direct in op vragen en kwesties die Kellendonk opwierp in zijn essays en romans.

Freek de Jonge’s lezing heeft plaats op 16 februari 2009 in Concertgebouw De Vereeniging in Nijmegen en is getiteld Komt u volgend jaar maar terug. Het digitale medium ANSAlgemeen Nijmeegs Studentenblad – bespreekt de avond:

De Jonge presteert het in ruim een uur zijn jeugd in Friesland, het geloof van Andries Knevel, een fictief televisieprogramma, Andy Warhol en het boeddhisme aaneen te rijgen. De rode draad door de voordracht is het spanningsveld tussen het in tact laten van het mysterie en de menselijke neiging alles te willen verklaren. Gezien de vorm van zijn lezing lijkt de cabaretier zelf partij te kiezen voor het mysterie: in afwisselend verhalen en gedichten passeren ontelbare vergelijkingen en verwijzingen de revue, vaak verpakt in bloemrijke beeldspraak. De luisteraar wordt uitgenodigd grote thema’s van zoveel verschillende kanten te bekijken, dat hij het nauwelijks bij kan benen.
De algemene teneur van de rede is somber: ‘Vrijheid en verantwoordelijkheid zijn uit balans. (…) Wij houden van niemand meer, vooral niet meer van onszelf. We zijn overgeleverd aan de waan van de dag.’ Toch ziet De Jonge nog een lichtpuntje, getuige het gedicht dat de lezing afsluit: ‘De zon brak door een donk’re wolk / door nieuw elan gedreven/ Ja we kunnen, zei een volk / en bracht een droom tot leven.’ Er volgt een donderend applaus. Zichtbaar onder de indruk van het verbale krachtsvertoon verlaat het publiek de zaal.

In deze lezing komt hij onder meer terug op de oproep van collega-cabaretier Erik van Muiswinkel, in januari 2008, om de Olympische Spelen in China te boycotten. Op China komt hij ook terug op 20 april 2009, als hij een stuk schrijft voor de Forum-pagina van de Volkskrant. Dit naar aanleiding van de komst van de Dalai Lama naar Nederland:

Nederland heeft meer dan ooit behoefte aan grote spirituele leiders. Weggezakt in een goddeloze poel van hedonisme, vrijheid zonder verantwoordelijkheid en zelfverrijking, zou de ascetische, altruïstische, godvrezende zweep er wel eens overheen mogen. En ziet: de Dalai Lama komt!
Wij goedgelovige – wat weer iets anders is dan goed gelovige – Nederlanders zijn nog altijd overtuigde zwart-wit denkers in de trant van: als China slecht is, moet de Dalai Lama wel heilig zijn. Een soort Nelson Mandela. Een geweldloze, ascetische altruïst, het product van het boeddhisme. Dat is in de ogen van velen een puik godsdienstje van weinig dogma en gebod, van geen enkel aards streven en veel tot niets verplichtende meditatie. Om alle twijfel weg te nemen heeft de Dalai Lama ook nog de Nobelprijs voor de Vrede weten te winnen.
Het spijt me te moeten zeggen dat de Dalai Lama niet heilig is. En ook niet altruïstisch, niet ascetisch, niet democratisch, niet tolerant en niet vrouwvriendelijk. Allerlei stromingen binnen het boeddhisme, waaronder het door de Dalai Lama beleden tantraboeddhisme, vertonen ongekend fanatieke, fundamentalistische en gewelddadige trekjes. Bij de uitreiking van de Nobelprijs voor de Vrede in 1989 werd Tensin Gatso, de veertiende Dalai Lama, op één lijn gezet met Gandhi. En dat terwijl hij in 1959 op potsierlijke wijze, geholpen door de CIA, uit Tibet gevlucht is.
De Dalai Lama is het product van een perfecte public relations-campagne. Gefinancierd door filmsterren op zoek naar zin en nieuwe rijken hunkerend naar Shangri La.
Nu is het niet helemaal verrassend wat ik hier te berde breng. Er zijn veel kritische artikelen gepubliceerd. En helemaal officieel wil onze minister van buitenlandse zaken Zijne Heiligheid ook niet ontvangen, maar de Dalai Lama wordt, tot opluchting van de PvdA zo lees ik ergens, met alle egards binnengehaald. Dat is onnozel.
De Dalai Lama is niet voor scheiding van kerk en staat, niet voor godsdienstvrijheid. En getuige veel publicaties in de media bedreigt en terroriseert hij aanhangers van andere stromingen, onderhoudt hij vriendschappelijke banden met notoire fascisten, doet hij uitspraken over seksualiteit waar de paus heilig bij is en roemt hij een Japanse sekteleider die gifgas in de metro in Tokio laat spuiten uit naam van het boeddhisme.
Ik hoop dat de Kamerleden in hun hunkering China de les te lezen, de moeite willen nemen een paar kritische artikelen op internet door te nemen. (…)
Veel van de theorie van de Dalai Lama ondersteun ik van harte en ik kan hem het recht niet ontnemen aardse macht na te streven, al is dat op grond van zijn boeddhistische overtuiging paradoxaal. Ik wil al helemaal niet de Tibetaanse vrijheidsstrijd frustreren. Ik probeer te voorkomen dat onze brave parlementariërs zich laten misbruiken voor propaganda-doeleinden van een twijfelachtige figuur. De Kamer die de heksenjacht op kwakzalvers legitimeert, mag zich niet blameren door iemand die allerlei prietpraat over reïncarnatie en erfelijke goddelijkheid de wereld in stuurt als held te onthalen. Bevrijd Tibet van de Chinezen en de Lama’s!

Ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van Freek de Jonge maakt Dick Matena een stripversie van De Komiek. Niet tot ieders genoegen:
‘Dick Matena is de beste striptekenaar van Nederland. Hij kan een verhaal in beelden vertellen als geen ander. Ik kan niet genoeg krijgen van zijn sierlijk minimalistische tekenstijl, de bijzondere camerastandpunten en de gelaagdheid van zijn tekeningen, die vaak wel driedimensionaal lijken.
Zijn literatuurverstrippingen trek ik echter niet. Ik ben het niet eens met zijn keuze om de integrale tekst van romans in de strippagina’s te verwerken, waardoor de lezer gedetailleerde beschrijvingen krijgt van handelingen en situaties die hij in één oogopslag voor zich ziet. Zijn versie van Gerard Reve’s De Avonden en Jan Wolkers’ Kort Amerikaans zijn waanzinnig mooi getekend, in een bijna fotorealistische stijl, maar de tekst en de tekeningen zitten elkaar vreselijk in de weg.
In zijn laatste boek, De Komiek, heeft Matena zich nu toegelegd op de verstripping van een theaterstuk van Freek de Jonge. Qua tekenstijl is hij weer teruggekeerd naar het speelse minimalisme uit de tijd dat hij nog echte strips tekende. (…) Maar de tekeningen lijken in grote haast te zijn gemaakt. En Freek de Jonge’s teksten slaan op papier dood. In wezen kijken we 120 pagina’s lang naar een komiek die op een podium zijn teksten staat te schreeuwen. Zijn publiek bestaat uit grote fronsende, eierachtige hoofden en op zeker moment zien we op de achtergrond ook taferelen uit het Nieuwe Testament, maar wat dat te betekenen heeft, is me volstrekt onduidelijk. (…)
Ik wou dat Matena eens ophield met die verstrippingen van literatuur en kleinkunst en weer ging doen waar hij goed in is: stripverhalen maken.’ (Peter Breedveld in Vrij Nederland, 24 oktober 2009)

‘Het is opvallend hoe ontspannen De Jonge op de planken staat: het lijkt wel of hij eindelijk beseft dat hij niets meer te bewijzen heeft. Zou het zijn omdat hij dit jaar 65 is geworden?
Niets blijkt minder waar. “Het belangrijkste is dat mijn bewijsdrift niet meer zichtbaar is. Maar met het ouder worden, voel ik ‘m bijna sterker: de tijd begint te dringen, ik word toch door de dood op m’n hielen gezeten. Ik moet nog twee romans schrijven, ik ga de komende jaren door met mijn serie bij de VPRO en ik breng dit voorjaar een cd met nieuwe nummers uit”.’ (Interview met Merijn Henfling voor de Volkskrant, 30 december 2009)

Brainpower neemt in 2009 samen met Freek de Jonge Wees niet bang op. In zijn versie valt het lied van De Jonge samen met een nieuwe tekst van de rapper.

KRITIEKEN

‘Lang geleden werden de televisie-avonden van KRO en NCRV afgerond met een dagsluiting: een stichtelijk woord voor het slapen gaan van pater Leopold Verhagen of dominee Okke Jager. Het leek er even op dat predikantenzoon Freek de Jonge die traditie in ere zou herstellen.
Het begin van de vierdelige reeks Freeks Nederland (VPRO) bestond uit beelden van Noord-Groningen, begeleid door de stem van de cabaretier die zinnen met zalvende infinitieven uitsprak: “Terugkerend naar plaatsen van herinnering en het verschil ervaren tussen het kijken in onwetendheid en het kijken met kennis.” Dominee Gremdaat zou op dat moment zijn bril hebben afgezet en recht in de camera hebben gekeken.
Maar het was slechts de valse start van een heel interessant televisie-experiment. (…) Verreweg het beste (en grootste) deel van het programma bestaat uit een soort historische conference voor een publiek uit de betreffende streek. (…) Hij toetst onder het uitleggen zijn bevindingen aan wat het publiek er nog van weet. (…) Het is allemaal vermakelijk en leerzaam en soms betekenisvol. (…)
Digitale zender Holland Doc 24 zou aansluitend aflevering 1B uitzenden, met aanvullende en verhelderende informatie. Althans, dat was aangekondigd. Maar in werkelijkheid werd daar een Profiel van Tariq Ramadan herhaald.’ (Hans Beerekamp in NRC-Handelsblad, 7 december 2009)

‘Freek de Jonge is menigmaal (…) verweten dat hij een belerende toon aanslaat. Des te verrassender is het te concluderen dat deze nieuwjaarsconference ongewoon lichtvoetig is. Geen grote symboliek, geen prangende parabel, maar een fonkelend spervuur van grappen die geregeld tot vrolijkheid stemmen. Soms heeft hij daar niet meer voor nodig dan de overheidsfolder Grip op Griep of een reeks instructies hoe te handelen bij rampen, eveneens van hogerhand.
De Jonge hoeft uit zulke teksten alleen maar een paar passages voor te lezen om aan te tonen hoe mallotig ze zijn. En hoe lachwekkend. Op zichzelf is het een beproefd procedé (…), maar zonder het aplomb van de ware komiek zou dat nooit een komisch hoogtepuntje kunnen worden.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 31 december 2009)

SPEELDATA

Kellendonk-lezing 2009: 16 februari 2009 in Concertgebouw De Vereeniging in Nijmegen.

40 jaar Neerlands Hoop: 17 juni (Koningstheater, Den Bosch), 20 juni (Stadsschouwburg, Haarlem) en 15 oktober 2009 (Theater Carré, Amsterdam). De eerste twee onder de titel Het Eerste Uur en de laatste met als titel Neerlands Hoop Solo.

Freeks Nederland, uitgezonden door de VPRO en Holland Doc 24 op vier achtereenvolgende zondagavonden: 6, 13, 20 en 27 december;

Volendam: 14 oktober t/m 30 december 2009, met een serie in het Amsterdamse Compagnietheater (vanaf 1 december) en de afsluiting met tv-opnames op 29 en 30 december in De Jozef in Volendam. De uitzending is op nieuwjaarsdag.

PUBLICATIE

Tekst

Freek de Jonge: Komt u volgend jaar maar terug. Kellendonk-lezing 2009.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

2001 – Het Laatste Oordeel

In april 2001 gaat het persbericht uit van Freeks oudejaarsvoorstelling, die vanaf oktober in de Nederlandse theaters speelt. De titel wordt Het Laatste Oordeel en daarin zal het natuurlijk gaan over de brand op 1 januari 2001 in een café in Volendam. Daarbij komen veertien jongeren om het leven, terwijl enkele honderden anderen ernstig lichamelijk en geestelijk letsel oplopen. En inmiddels heeft koningin Beatrix de verloving aangekondigd van kroonprins Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta. Dat vormt ook een dankbaar onderwerp. Over dit hoofdstuk in het leven van Koningin Haarlak sprak de cabaretier weliswaar al in De Gillende Keukenmeid, maar het feit dat ons land geen consequenties trekt uit het foute verleden van Máxima’s vader, zit hem erg dwars. En dus heeft hij nog wel wat kruit te verschieten op de Oranjes: ‘Van huis uit terroristen; daarom pappen ze aan met de junta.’
En wat de wereldpolitiek betreft: George Bush is in 2000 gekozen als nieuwe president van de VS en slaat ferme taal uit tegen terroristische regimes en tegen landen die terroristen onderdak bieden. Andere gebeurtenissen: in januari vindt in India een aardbeving plaats die tienduizenden mensen het leven kost en in februari breekt mond- en klauwzeer uit onder runderen in Engeland en Frankrijk. Eind maart wordt duidelijk dat Nederland niet gespaard blijft: vanaf april zal er in ons land een kwart miljoen gezonde koeien preventief worden uitgeruimd. Als in juli Herman Brood zelfmoord pleegt door van het Amsterdamse Hilton Hotel te springen en Nederland zich begin september niet weet te plaatsen voor het WK voetbal van 2002, krijgt de oudejaarsavond er alweer wat grappen bij. En dan wordt het september.

Waar was u op 11 september 2001? Goede vraag, dames en heren. Ik zat in Frankrijk en ik werkte aan dit programma. Je kan nergens beter dan vanuit Frankrijk over Nederland oordelen. (…) Opeens zegt mijn vrouw: ‘Kom even naar beneden. Kom even kijken.’ Ik ga naar beneden toe en ik ga zitten op de bank. En ik kijk naar de televisie en ik zie daar een vliegtuig het World Trade Centre binnen vliegen! Ik vraag aan mijn vrouw: ‘Is dit echt?’ ‘Nee,’ zegt zij, ‘het is een herhaling.’ Ik vraag: ‘Maar het is wel echt gebeurd?’ ‘Ja’, zegt zij. En werkelijk: ik zal niet zeggen dat mijn hart stil stond, maar ik had een soort orgastische ervaring. Dat je even geen verleden en geen toekomst hebt… U weet wel, dat subtiele, dat kleine religieuze moment dat wij nog hebben in ons leven. Ik zei ook direct tegen mijn vrouw: ‘Ik hou van je.’ Ja, dat ben ik gewend… Ik meende het ook… Ik was een beetje onthecht… ‘Ik, ik, ik hou van je.’ En onmiddellijk dacht ik aan mijn oudejaarsprogramma. Toen zag ik die twee torens zo instorten en toen dacht ik: stof genoeg! Maar ik dacht ook meteen: kan ik dat wel zeggen straks, op 31 december? Maar wat blijkt: ik kan het op 13 december al zeggen…

Er is ongelooflijk veel gebeurd in korte tijd. Weet u dat we nog geen jaar geleden doodsbang waren voor de Hell’s Angels? Nou, daar lachen we nu om! (…) Weet u nog de Bijlmerramp? Dat vonden we verschrikkelijk. Dat El Al-toestel dat in dat flatgebouw was gedoken. Slachtoffers, mensen getraumatiseerd die nog dagelijks bij de psychiater lopen. Die psychiater laat ze nou dat filmpje uit New York zien en zegt: ‘En nou heel snel wegwezen!’

Net zoals in De Gillende Keukenmeid, zijn oudejaarsconference van een jaar eerder, kiest Freek de Jonge voor een sober decor, met in het oog springend slechts achter zich een meubel waarin de landelijke dagbladen naast elkaar hangen in krantenstokken. Geen liedjes, geen clownerie, geen attributen – alle aandacht voor de kracht van het gesproken woord en zeker ook de veelzijdigheid daarvan. Dit in tegenstelling tot de beperktheid van stand-uppen. Nu dat genre zo populair is, geeft hij graag het goede voorbeeld.
Het Laatste Oordeel is een aaneenschakeling van losse grappen (bondscoach Louis van Gaal ‘weet wel wat Afghaan is’), anekdotes, verhaallijnen, uitweidingen – bijzonder humoristisch, maar met groot persoonlijk en maatschappelijk engagement. Vooral rond 11 september dus en dan met name de gevolgen van die aanslag. Zoals het islam-fundamentalisme (hij is voor dit programma in de ‘moslimhumor’ gedoken, want ‘Imam moet het doen’ en ‘Dat viel nog niet mee: alle bakken hebben een baard’), de strijd in Afghanistan en de jacht op Osama Bin Laden, het gedachtengoed van Pim Fortuyn (‘Pim Geluk’) en zelfs de aandacht voor de islam in het theater. Tegenover de Vaginamonologen van de Amerikaanse schrijfster en feministe Eve Ensler, die in 2001 ook in Nederland te zien zijn, plaatst hij zijn eigen Lulverhalen, waarvoor hij zogenaamd citeert uit de kranten die er hangen om tot de conclusie te komen dat dat soort humor na 11 september toch echt niet meer kan!

De grote kracht van Het Laatste Oordeel is dat Freek de Jonge er opnieuw voor kiest als cabaretier niet alleen met humor en engagement te reageren op de aanslagen en de gevolgen ervan, maar zelf in de vuurlijn gaat staan door standpunten in te nemen, hoe gevoelig dat op dat moment ook ligt in de wereld, in ons land en zelfs in de zaal. Mohamed Rabbae, Kamerlid voor Groen Links, heeft de oproep gedaan aan de ‘beroepshumoristen’ om geen grappen te maken over moslims.
In een van de vier interviews die aan de dvd-registratie van de voorstelling zijn toegevoegd, zegt Freek de Jonge dat hij niet wil kwetsen of ophitsen, maar dat zijn vak hem wel verplicht zich alles te permitteren. Tegen sommige bedreigingen, zoals een jaar eerder dus vanuit de Hell’s Angels, kun je je wapenen of je legt ze naast je neer. Tegen deze niet, weet hij, al zal pas de jaren daarna blijken hoe veel gevaar het vrije woord ook in ons land loopt met de moord op Pim Fortuyn (2002) en Theo van Gogh (2004).

Dat persoonlijke karakter dankt de voorstelling aan de verhalen over zijn eigen jeugd en hoe verdraagzaam toch zeer verschillende geloven – katholieken en protestanten – toen met elkaar omgingen. Hij introduceert daarvoor jeugdvriend Engel Hart. Die is niet alleen in zijn naam vredelievend, maar ook in daad en woord, met uitspraken als ‘Na de dood gaan we rechtstreeks terug naar de harten van onze geliefden’ en ‘Uiteindelijk moet je bereid zijn het leven van je vijand te redden’. Engel Hart opereert als een Deus Ex Machina als uiteindelijk de schakel naar recente gebeurtenissen en ontwikkelingen moet worden gelegd, waarna als eindconclusie rest: ‘Als mensen bereid zijn meer offers te brengen zullen er minder slacht-offers vallen.’ De cabaretier blijft dicht bij zichzelf als hij schijnbaar terloops zegt dat hij niet in God gelooft, maar er wel veel aan denkt. In zijn kringen wordt hem dat niet in dank afgenomen, al is hij daardoor meer gaan twijfelen over die kringen dan over zijn gedachten. Voor hem is God geen doekje voor het bloeden, maar Het Woord.

De vrijheid van het woord staat centraal in alles. Hij toetst historische kennis (kruistochten, Luther, Willem van Oranje…), want zo vaak roepen we van alles zonder de feiten te kennen, zonder verbanden te leggen, terwijl die er heus wel zijn. Bovendien, zo houdt hij zijn publiek voor: ‘U vindt het misschien raar om al die jaartallen nou zo op te rakelen. Maar misschien hebben we over twee jaar een totaal andere cultuur en dan is het toch lekker om nog even…’
Hij laakt de radio- en televisieprogramma’s waarin de mensen op straat zelfs om die mening wordt gevraagd:

De gemiddelde Nederlander voor de microfoon. Alles wat hij geleden heeft in zijn leven, heeft hij geleden onder zijn vrienden en zijn familie. Zijn vrouw heeft hem misschien in de steek gelaten. Zijn ouders willen maar niet doodgaan. Zelf heeft hij er een hekel aan om ouder te worden. Zijn kinderen willen niet volwassen worden. Hij heeft niet in Nederlands-Indië een bajonet in de maag van een plopper gestoken. Hij is niet ter meerdere glorie van Joseph Luns in de bossen van Nieuw-Guinea achtergebleven. Hij is niet in Vietnam geweest. Hij was niet in Srebrenica toen de mannelijke moslimbevolking werd afgevoerd.
En deze man moet mij gaan vertellen wat hij van de bouwfraude vindt.
– Meneer, wat vindt u van de bouwfraude?
– Ja, wat vind ik van de bouwfraude? Ik vind dat de onderste steen boven moet komen.
Ja, ja. Dat zei Osama Bin Laden ook en die dacht laat ik eens middenin beginnen.

Gaandeweg de voorstelling vlecht hij steeds meer verhalen in verhalen, vol symboliek over ‘de vijand’. Daarin legt hij niet alleen verbanden tussen vroeger en nu, maar hij speelt ook een geraffineerd spel met werkelijkheid en fantasie. Terwijl velen op dat moment waarschuwen voor de schade die het woord kan aanrichten, toont hij, met diezelfde taal als zijn enige wapen, aan wat de kracht ervan is.

COULISSEN

‘Toen Neerlands Hoop in het voorjaar van 1978 opriep tot een boycot van het wereldkampioenschap voetbal, wisten Bram en ik nauwelijks wat zich in Argentinië afspeelde. Die waanzin werd ons gaande de actie stukje bij beetje duidelijk tijdens ontmoetingen met bannelingen en Dwaze Moeders. Toch wisten we op het moment dat we de actie begonnen genoeg om te kunnen zeggen: hoe kun je aan een wereldkampioenschap voetbal meedoen dat moet dienen ter meerdere eer en glorie van een regime dat systematisch martelt en moordt?
Ik had al vrij snel in de gaten dat die boycot er niet in zat. Uit discussies na afloop van de voorstellingen van Bloed aan de Paal bleek dat een deel van het publiek ons niet radicaal genoeg vond. Op internationale bijeenkomsten waren de Argentijnse vluchtelingen sterk verdeeld over de boycot als wapen. Respectabele politici, vakbondsleiders, sportbestuurders en diplomaten, een enkeling uitgezonderd, weigerden hun positie op het spel te zetten door zich solidair te verklaren. Koning Voetbal bleek de baas.
Het ging ons natuurlijk niet om die boycot. Het ging in de eerste plaats om de erkenning van de stuitende – ik kan sinds die tijd het woord flagrant niet meer uit mijn bek krijgen – schending van mensenrechten. Zelfs dat was te veel gevraagd. Het heeft tot ver na het WK geduurd voor er van officiële zijde werd toegegeven dat er wantoestanden in Argentinië heersten. Intussen werd ons opportunisme, hypocrisie, bemoeizucht, aandachttrekkerij en weinig verstand van zaken verweten. De discussie ging meestal niet over de zaak: hoe ernstig de situatie in Argentinië was en hoe je die kon veranderen, maar altijd over of het wapen van de boycot wel terecht was, of je het de voetballers die het ook niet konden helpen zoiets mocht aandoen en waar je je als de Argentijnen er zelf niet om vroegen mee bemoeide. Bij kwesties heb je in Nederland namelijk altijd twee dingen. De zaak en de discussie over de zaak.
De zaak is nu dat onze kroonprins wil trouwen met een jonge Argentijnse vrouw wier vader als lid van de regering heeft gewerkt voor een abject regime. De onvermijdelijke publieke aanwezigheid van een fascist in de rol van schoonvader tijdens de bruiloft vervult een groot deel van ons volk met afschuw. Men roept op, uit solidariteit met de slachtoffers van de Argentijnse junta, die aanwezigheid te voorkomen. Immers, hoe kunnen wij oprecht feest vieren en blij zijn met de keuze van onze kroonprins als wij door de aanwezigheid van zijn schoonvader voortdurend herinnerd worden aan het feit dat er Argentinië nog steeds geen recht gedaan is aan de slachtoffers van de junta?
De discussie is inmiddels traditiegetrouw met de zaak op de loop gegaan. Die gaat over of wij niet beter het koningshuis zouden opdoeken. Of de motieven van de tegenstanders van Zorreguieta’s aanwezigheid wel zuiver zijn. Of dat we er alleen maar op uit zijn onze arrogante koningin dwars te zitten. En of het niet hypocriet is om, nu er niets hoeft te worden ingeleverd, een moreel oordeel te vellen over iemand die waarschijnlijk niet actief betrokken is geweest bij de verschrikkingen. En waar we ons mee bemoeien als de Argentijnen kennelijk zelf geen behoefte hebben hun kwelgeesten te vervolgen. En of we de zonden van de vader op de dochter mogen verhalen. Er wordt intussen door politici gesuggereerd dat Máxima’s vader op de trouwdag maar een griepje moet voorwenden. Er wordt achter de schermen gesleuteld aan een diplomatieke oplossing. Keurige Eerste Kamerleden gewagen van een list die verzonnen moet worden.
Ik wil omwille van de zaak de zaak maar even de zaak laten en me in de discussie storten. Onze minister-president die de zaken ook liever boven de discussie stelt, de definitie van poldermodel, heeft om geduld en vertrouwen gevraagd. Begrippen waarmee nog nooit een steigerend paard is beteugeld, maar wel menig keffertje het blaffen vergaan. Rosenmöller let op uw zaak! Mogen we de zonden van de vader op de dochter verhalen? Daar gaat het niet om. Zorreguieta komt officieel in beeld en hij heeft een besmet verleden.
Is Zorreguieta minder aan te spreken op de wandaden van het regime-Videla omdat hij misschien niet persoonlijk doodvonnissen getekend heeft, maar de beulen ongehinderd hun vuile werk liet opknappen? Nee, wie de hand schudt van de beul krijgt het bloed niet meer van zijn vingers. Is de coup in Argentinië te rechtvaardigen door het feit dat het land op de rand van de afgrond balanceerde? Nee, de bevoorrechten hadden genoeg van het gelazer en vervingen het anarchistische kwaad door een strak georganiseerd kwaad. Doet het er toe of zij die vinden dat Máxima’s vader fout geweest is hypocriet zijn? Nee, want de vraag is niet minder hypocriet en het doet niets af aan de zaak. Mogen wij met onze beboterde hoofden een moreel oordeel vellen? We zijn zelfs verplicht ondanks de doem van de erfzonde elkaar en onszelf moreel aan de kaak te stellen. Een ouder voedt toch ook in het volle bewustzijn van zijn eigen onvolmaaktheid zijn kinderen op. Mogen wij ons bemoeien met een interne Argentijnse zaak? Ja, Leo Platvoet had gelijk toen hij stelde dat Pinochet ook zonder bemoeizucht van het buitenland nooit zou zijn aangepakt in eigen land (Forum, 5 februari). Doet het er toe dat als Willem-Alexander niet op Máxima gevallen was, wij ons nooit om de streken van de heer Zorreguieta bekommerd hadden? Nee, de geschiedenis hangt nu eenmaal van toevalligheden aan elkaar.
Laten we niet weer, zoals in 1978, verdrinken in de discussie, maar recht op ons doel af gaan en voorkomen dat de heer Jorge Zorreguieta straks al zwaaiend van het bordes ongehinderd de binnenkant van zijn vuile handen mag tonen. Wij burgers moeten ons vorstenhuis voor deze schande behoeden. Want traditiegetrouw hebben we van die zijde in moreel opzicht weinig te verwachten.
Ik heb al eens beweerd dat de constitutionele monarchie zich verhoudt tot het klassieke koningschap als Shakespeare tot Privé. Met andere woorden: we hoeven van Willem-Alexander geen dramatische monoloog te verwachten waarin hij het fout-zijn of niet-fout-zijn aan de orde zal stellen. Hij zal zich beperken tot het theater van de glimlach. Ik ben er zeker van dat als onze kroonprins door de streken van Cupido op het pad van de dochter van een prominent lid van een linkse terreurbeweging was gezet er helemaal geen discussie zou zijn gekomen. Alleen een zaak. Die snel door onze vorstin beklonken zou zijn. Beatrix greep in het geval Emily ook kordaat in omdat de vader haar niet aanstond. Dat vader Zorreguieta haar wel bevalt, geeft evenveel te denken als dat ze haar ski’s in Oostenrijk laat staan.
Nu nog even de zaak. Het gaat erom Zorreguieta buiten de deur te houden om de slachtoffers en de nabestaanden van de slachtoffers van een verderfelijk regime een steun in de rug te geven in het strijd om gerechtigheid. Het huwelijk zal een miljoenenpubliek trekken. Het beeld van Beatrix’ huwelijk dat de wereld is over gegaan was dat van een in rook gehulde gouden koets in de Raadhuisstraat. Het is nu aan Kamer en kabinet of de geschiedenis zich zal herhalen. Want in een democratie heeft de koning gelukkig niks te zeggen. De politiek zal zich bewust zijn van haar taak in de strijd tegen afkalvend norm- en waardebesef. Of is ze erop uit te bevestigen dat de begrafenis van Sam Klepper door het centrum van Amsterdam geen incident was in het gedogen van eerbetoon aan geboefte, maar beleid?’ (Opinie Freek de Jonge in de Volkskrant, 12 februari 2001)

Dat hij boos is over het feit dat ons koningshuis geen afstand neemt van Jorge Zorreguieta, de toekomstige schoonvader van de kroonprins, blijkt overtuigend in De Gillende Keukenmeid, in Het Laatste Oordeel en in bovenstaand opiniestuk in de Volkskrant.
Naar aanleiding van de verloving van Willem-Alexander en Máxima, maart 2001, is de Stichting Nationaal Geschenk Mensenrechten Argentinië opgericht. Samen met advocate Britta Böhler en oud-ambassadeur Coen Stork vormt Freek de Jonge daarvan het Comité van Aanbeveling.
Als Het Laatste Oordeel wordt uitgezonden, zijn we nog maar een maand verwijderd van 2 februari 2002, oftewel 2-2-2. Het is de huwelijksdatum van de kroonprins. Dat betekent dat hij ook in de periode tussen zijn oudejaarsconference en het huwelijk veel in het nieuws is.

Harm Ede Botje en Thijs Broer interviewen Böhler, Stork en De Jonge voor de Vrij Nederland-editie van de huwelijksdag:
‘De uitspraken van Willem-Alexander en Máxima tijdens hun televisie-interview zijn het drietal danig in het verkeerde keelgat geschoten. Eerst deden de aanstaande echtelieden het rapport-Baud af als “een mening”, vervolgens sloten ze zich aan bij Jorge Zorreguieta’s bewering dat hij niets van de verdwijningen tijdens de dictatuur geweten heeft. “Aanvankelijk,” zegt De Jonge, “vroegen we ons in Nederland af of de Oranjes zich wel moesten verbinden met een meisje uit een milieu waar we eigenlijk niets mee te maken willen hebben. Maar nu conformeert de aanstaande koning zich zo aan zijn aanstaande vrouw dat ze ons beiden zitten voor te liegen.”
VVD-leider Hans Dijkstal zei (…) dat het afgelopen moet zijn met het hypocriete gezeur en dat het nu tijd is voor feest.
De Jonge: “(…) Hoe durft hij die woorden in de mond te nemen. (…) Waarom mogen wij geen kritische kanttekeningen plaatsen? Vroeger keken we de andere kant op als er joden uit hun huizen werden gehaald. Nu kijken we weer de andere kant op. Het sprookje kan kennelijk niet naast de nachtmerrie bestaan. De vraag is waarom. Er kan feestelijk getrouwd worden en daarnaast kunnen we met open vizier praten over wat er gebeurd is tijdens de dictatuur.”
De afgelopen weken werd de opnieuw oplaaiende kritiek “politiek correct” genoemd en “gelegenheidsengagement”.
De Jonge: “Dat kregen wij in 1978 ook te horen. Waar het hier om gaat, is: waarom kan Nederland in deze situatie, nu we door toeval opnieuw geconfronteerd worden met de mensenrechtenschendingen in Argentinië, niet een ferm standpunt innemen en zeggen: wij gaan er alles aan doen de Argentijnen te helpen met het verleden in het reine te komen. Laten we tegen onze koningskinderen zeggen dat ze hun kop dicht moeten houden, trouwen en hun handjes dichtknijpen. Laten we vaststellen dat vader hier de rest van zijn leven niet welkom is. En uitspraken over het regime, of het wel of niet deugde, neemt de Nederlandse overheid wel voor haar rekening. (…)
Het traditionele idee is dat een vorst boven de partijen staat. Dat hij het volk een spiegel voorhoudt, die laat zien wat goed en slecht is. Maar nu wordt het voorbeeld gesteld door een kroonprins die een opportunist is, die ons voorliegt als het hem uitkomt. Straks gaat Willem-Alexander kersttoespraken houden. Dan neemt hij morele standpunten in, gaat hij praten over vrede op aarde. Maar op het moment dat die vrede op aarde hem niet uitkomt, maakt hij even een bocht. Daar is hij de afgelopen weken toe bereid gebleken. (…)
Alles wat Willem-Alexander een Máxima doen, is haar vader uit de wind houden. Waarom laten ze niet zien dat ze echt mededogen hebben met de slachtoffers van het regime? Dan is het klaar! Ze moeten zo snel mogelijk met de Dwaze Moeders in gesprek gaan. Dat hadden ze veel eerder kunnen doen, maar die kans hebben ze nog steeds”.’ (Vrij Nederland, 2 februari 2002)

Op verzoek van het actualiteitenprogramma NOVA maakt Freek de Jonge een videobrief voor het bruidspaar, die een dag voor het huwelijk wordt uitgezonden. In 1978 voert hij protest tegen de dictatuur van Videla en roept het Nederlands elftal op het WK voetbal te boycotten en thuis te blijven. En nu mijdt hij het Nederlandse feest door… naar Argentinië te gaan. Op uitnodiging van NOVA reist hij daar acht dagen heen: tot en met de feestelijke dag. Hij is er voor het eerst, samen met NOS-correspondent Twan Huys. Die houdt zijn Dagboek Buenos Aires bij op de site van NOVA.

‘Een week lang op pad in Buenos Aires met Freek de Jonge op zoek naar de leugens uit het verleden en de geschiedenis van Jorge Zorreguieta. Het is een van de mooiste reizen van mijn leven. Begin januari vraag ik Freek of hij mee wil naar Argentinië in de week voorafgaand aan het huwelijk van prins Willem-Alexander en Máxima. Zijn verleden met dit land is inmiddels bekend. De mislukte boycotactie tegen deelname van Nederland aan het WK in 1978 en zijn steun aan de Dwaze Moeders. Freek hoeft niet lang na te denken over ons verzoek, bovendien wil hij het Oranjefeestgedruis liever ontvluchten. Hij is niet gecharmeerd van de overdreven aandacht voor het huwelijk, maar bovenal vindt hij dat Máxima en prins Willem-Alexander de waarheid over de geschiedenis van Argentinië geweld aan doen.
In Buenos Aires hebben we afspraken met voor- en tegenstanders van het Videla-regime, met komiek Enrique Pinti en we dringen binnen bij het zomerpaleis van president Eduardo Duhalde. Terwijl we rondreizen in de stad zijn er her en der demonstraties van de bevolking tegen zijn bewind. Meer dan 35.000 mensen gaan afgelopen maandag de straat op en slaan op potten en pannen, ook in Nederland inmiddels een bekend protestmiddel. Gedurende de week ontpopt Freek zich als een uitstekende verslaggever, ondanks zijn gebrekkige kennis van de Spaanse taal.’ (Twan Huys: Dagboek Buenos Aires, februari 2002)

‘Iedere dag zijn er hoogtepunten. Soms vrolijk, soms melancholisch en vaak dramatisch. De binnenkomst in het totaal verlaten voetbalstadion waar ooit de finalewedstrijd Argentinië-Nederland werd gespeeld, is enorm indrukwekkend. Op steenworp afstand van het stadion werd Miriam Lewin gemarteld, zij was politiek gevangene tijdens het Videla-regime en hoorde vanuit haar cel de kolkende massa’s in het stadion. Het maakt eens te meer duidelijk hoe weerzinwekkend de toenmalige politieke en vooral militaire klasse omging met de idealistische jeugd. De generatie die toen werd vermoord en verbannen, had nu een oplossing kunnen zijn voor de gigantische economische problemen van het land.
’s Avonds laat spreken we in restaurants over de opnamen van die dag en natuurlijk wordt er veel gelachen. Freek de Jonge is ook naast het podium de leukste man van Nederland. Fragmenten van zijn shows, vermakelijke anekdotes en scherpe observaties leiden in veel gevallen tot lachkrampen. Een heerlijke ontlading na een lange dag van opnamen in de stad.’ (Twan Huys: Dagboek Buenos Aires, februari 2002)

‘Gedurende de week ontwikkelt zich bij ons langzaam een idee voor de vorm van de reportage. Na drie dagen staat vast dat de NOVA-reportage Freeks huwelijkscadeau moet worden aan het bruidspaar. Zijn mening wordt verpakt in beelden en interviews. De reacties naar aanleiding van de uitzending zijn overweldigend. Veel mensen reageren positief op Freeks videobrief. Via zijn website en ook bij NOVA stromen lovende reacties binnen. Zijn boodschap aan Máxima en prins Willem-Alexander aan het slot van de uitzending raakt bij veel mensen een snaar. In Freeks woorden: “Een koning die de leugen uit het verleden laat voortleven, zal in de toekomst door de waarheid onttroond worden”.’ (Twan Huys: Dagboek Buenos Aires, februari 2002)

‘De kroonprins en zijn aanstaande bruid hebben geen enkel gebaar gemaakt naar de slachtoffers. Ze hebben geen enkele daadwerkelijke solidariteit getoond met de nabestaanden van de vermisten. Ze blijven met grote stelligheid tegen beter weten in volhouden dat vader c.q. schoonvader van niks wist. Ze liegen ons willens en wetens voor. Sterker nog, ze maken van slachtoffers, onderzoekers en historici leugenaars. Deze twee mensen worden straks onze koning en koningin. En de meerderheid van het volk vindt het prachtig. Het is weerzinwekkend.’ (Freek de Jonge tegen Twan Huys in de VARA-gids, mei 2002)

Het excuus van Willem-Alexander en Máxima aan het Argentijnse volk maakt hij in 2003 onderwerp van zijn bewerking van Shakespeare’s Midzomernachtsdroom.

Freek de Jonge mag zich vanaf 5 mei 2001 – een half jaar na zijn besluit te stoppen bij Het Parool – alweer columnist noemen, maar nu van het gesproken in plaats van het geschreven woord. Elke zaterdagavond vult hij, onder de titel Vijf voor Freek, de laatste vijf minuten van het dagelijkse Radio 1-programma Met het oog op morgen.
Uit het persbericht van de NOS: ‘In Vijf voor Freek laat Freek de Jonge zijn licht schijnen over de actualiteit(en) van de afgelopen week. Een nieuw podium en een nieuw medium: na het theater, de televisie en het papier, vertoont hij in Met het oog op morgen voor het eerst zijn kunsten op de radio. De vorm waarin De Jonge zijn column giet, is vrij. Hij zal, zoals we dat van hem gewend zijn, afwisselend preken, zingen, dichten en fulmineren.’
Dat Freek de Jonge dan al zo’n 25 jaar zeer actief is als medewerker aan radioprogramma’s van eerst de VARA en later de VPRO is de NOS klaarblijkelijk volledig ontgaan.
In februari 2002 verhuist Freek de Jonge naar de donderdagavond en gaat Erwin Kroll op zaterdagavond de laatste vijf minuten vullen met informatie over het weer.

Het Laatste Oordeel is zijn laatste oudejaarsconference:
‘Volgens De Jonge is de datum ontheiligd en de ooit door Wim Kan ingezette tv-traditie danig gedegradeerd. “Het zwembad wordt mij te vol”, is zijn toelichting in het Algemeen Dagblad. “Laat de derde hond er maar met het been vandoor gaan.”
Vanuit zijn jeugd is oudejaarsavond met magie omgeven. In zijn herinnering ziet Freek nog hoe zijn vader bij de radio ging zitten om naar Wim Kan te luisteren; dat had in ons calvinistische landje ook iets van een biecht in zich. Dat directe gevoel van verantwoording afleggen, boetedoening is weggevallen. Oudjaar heeft wat dat betreft zijn functie verloren.
De oudejaarsconference is volgens De Jonge te gewoon geworden. De spanning heeft plaats gemaakt voor verzadiging, verveling. “Toen ik met Neerlands Hoop begon, was het voor het publiek een sensatie om daar bij te zijn. Dat was een opwinding op zich en dat gebeurde ook met mijn eerste solovoorstellingen en dat was met De Openbaring ook. Dat element is gaandeweg totaal verdwenen uit de oudejaarsconference. Komt ook misschien omdat ik het zelf te veel gedaan heb. Youp is er beter in om zijn geduld te bewaren en heeft bijvoorbeeld een plan van eens in de drie jaar. Maar daaromheen zijn er zoveel mensen gekomen die het ook doen dat er automatisch iets van vervlakking zijn intrede doet.”
Iedere kneus die roept dat hij cabaretier is, mag tegenwoordig op de buis, zegt hij. De Jonge ergert zich aan de vele voorgebakken komische cabaretprogramma’s. Het is alleen nog maar hela-hola op tv, is zijn kritiek. Voor de echte concentratie is volgens hem nog maar een klein publiek over. Daarbij gaat ook zijn leeftijd tellen, geeft hij eerlijk toe. “Ik zoek nu andere momenten. Ik heb de verkiezingsconferences, de sportconference gedaan. Dat zijn ook wel verkapte oudejaarsconferences eigenlijk”.’
(Peter Voskuil in De Koning is dood, Leve de Koning! De geschiedenis van de Oudejaarsconference (2009)

‘Hoe toepasselijk kan een titel zijn? Met Het Laatste Oordeel is voor Freek de Jonge de cirkel rond van oud en nieuw. Op een bepaalde manier maakt hij nu mee wat Wim Kan twintig jaar geleden overkwam, vertelt hij. “Dat je bij wijze van spreken merkt dat je aan je nagels aan een rotswand hangt”, verduidelijkt hij. “De vraag is dan of je nog mans genoeg bent het tij te keren. Wat Kan altijd heeft geroepen over: als het niet goed is, moet je het niet uitzenden, vergat hij in 1982 uit te voeren en dat was natuurlijk sneu. Ik heb die fout niet willen maken en gezegd: ik doe geen oudejaarsconferences meer”.’
(Peter Voskuil in De Koning is dood, Leve de Koning! De geschiedenis van de Oudejaarsconference (2009)

Ruim twee weken na de laatste voorstelling van Het Laatste Oordeel, op woensdag 16 januari 2002, speelt hij een compilatie in het Duits in Berlijn: ‘De paar honderd toeschouwers in het nieuwe Berlijnse theater Tempodrom reageren enthousiast op de Duitse uitvoering van Freeks oudejaarsshow, al zijn er ook enkelen die zichtbaar geërgerd in rap tempo wegbenen. “Het was voor ons doen zeer harde humor”, verklaart een jonge Berlijner. “Jullie Nederlanders zijn veel toleranter. Daardoor kunnen jullie ook harde grappen maken over moslims. Wij moeten daar nog wat aan wennen.”
De Jonge is een van de tweehonderd internationale cabaretiers die deze week optreden op het Berlijnse festival van de woordkunst Maulhelden. Freek treedt voor het eerst op in het Duits, wat hem goed afgaat: “Ik heb mezelf ingeprent dat ik vooral niet moest twijfelen over de naamvallen, want dan ga je dingen omkeren en dan betekent het iets totaal anders.”
Speciaal voor het Duitse publiek heeft hij een uur durende samenvatting gemaakt van zijn oudejaarsprogramma, dat hij wel enigszins heeft aangepast, vertelt hij: “We hebben erg getwijfeld over de grappen over de negers, de moslims en de joden. Men kent hier in Duitsland niet de techniek van een verhaal dat zich ontwikkelt. Men is hier gauw bang dat het politiek-incorrecte opmerkingen betreft. En dat merkte ik ook wel aan de reacties in de zaal.”
Inderdaad valt op dat het Duitse publiek wat ongemakkelijk op de stoelen schuift als de joden ter sprake komen. De ontlading komt pas bij de pis- en penisgrappen. Freek: “De thema’s die ik aansnijd, heb ik nog niemand horen behandelen op dit festival. Het is hier toch wat burgerlijk. Bovendien is hier nog een echte authentieke verbazing die in Nederland niet meer bestaat, omdat men daar weet wat ik doe.” Sommige gevoelige opmerkingen, zoals die over de 350 miljoen moslims die “ons” de strot willen afsnijden, zijn geschrapt. (…)
Voor een prolongatie van zijn eerste Duitstalige show is Freek wel te vinden. “De sfeer was goed en de mensen hebben zich uitstekend geamuseerd. (…) Als men graag wil dat ik dit in Duitsland ga spelen, vind ik dat zelf ook erg leuk. Eerst maar even afwachten of er reacties komen”.’ (Het Parool, 17 januari 2002)

Als de populaire rechtse politicus Pim Fortuyn op 6 mei 2002, negen dagen voor de voorspelde verkiezingsoverwinning van zijn partij LPF (Lijst Pim Fortuyn) wordt vermoord, besluit Freek de Jonge een nieuwjaarsconference te maken. Die gaat De Bedreiging heten. Juni 2002 is hij er al mee aan het try-outen, hoewel die voorstellingen eigenlijk de voorbereiding zijn van Parlando, het programma dat hij in augustus en september opvoert met het Metropole Orkest.
Als het eerste kabinet-Balkenende eind juli 2002 valt en er nieuwe verkiezingen worden aangekondigd voor januari 2003, besluit hij niet de nieuwjaarsconference De Bedreiging te gaan spelen, maar een speciale verkiezingsconference, getiteld: De Stemming.

KRITIEKEN

‘Zijn schop tegen 2001 gaat behoorlijk hard aankomen. Voor moslims (“niet alle moslims, alleen die 350 miljoen die ons de strot willen afsnijden”), christenen (“als iemand moslims heeft geleerd hoe je een strot moet doorsnijden, zijn wij dat wel”), Máxima-aanbidders (met een verwijzing naar de rol van haar vader in de Argentijnse junta: “Legitieme regimes hebben altijd nog oneindig meer bloed aan de handen dan alle terroristen bij elkaar”), het Nederlands elftal en Louis van Gaal, Leefbaar Nederland, fans van Herman Brood. Het Laatste Oordeel is al geestig, hilarisch, grof en soms uiterst scherp. Maar ver boven alle kwalificaties uit steekt “meedogenloos”. Voor omzichtigheid is (…) vaak geen plaats. Voor politieke correctheid in de zaal evenmin. Hij “discrimineert” er op weergaloze wijze lustig op los. (…) Goed voor een groot aantal ouderwetse “ai’s” en ingehouden lachen. De vrijheid van meningsuiting wordt op het toneel zo krachtig uitgeoefend dat zijn aansporing – “Lach gerust! Het zou wel eens de laatste keer kunnen zijn!” – bevrijdend mag heten.’ (Ruud Buurman in de GPD-bladen, 14 december 2001)
‘Deze tiende moet voor hem ook de moeilijkste zijn geweest. Vorig jaar had hij het, grappend over de dreiging van de Hell’s Angels, over de vrijheid van meningsuiting. Dit jaar is die vrijheid een des te beklemmender onderwerp. De vraag is alleen wat een cabaretier nog over zo’n onderwerp kan zeggen zonder zijn lachlustige publiek te verliezen. Het moet wel leuk blijven.
De Jonge heeft het, zoals hij wel vaker deed, gezocht in een gelijkenis. Hij vertelt over de vreedzame manier waarop katholieken en protestanten in zijn jeugd samengingen en hij introduceert een vriend van vroeger wiens huidige gedrag alles met de actualiteit te maken heeft. Met de islam bijvoorbeeld, maar ook met Herman Brood (want diens naam kon evenmin ontbreken). Dat is niet om te lachen, maar de vele zijpaden zijn dat weer wel. Bij de inspeelvoorstelling die ik vorige week zag (…) viel in elk geval veel te lachen.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 29 december 2001)

SPEELDATA

17 oktober t/m 30 december 2001, waarvan series in Vlaanderen (16 t/m 29 november) en, zoals gebruikelijk, in het Nieuwe De la Mar Theater. Daar speelt hij vanaf 19 december en daar wordt ook de tv-registratie opgenomen.

PUBLICATIES

Tekst

Vier verhalen zijn afgedrukt in De Toeschouwer (2006), te weten: Moslim, Hulp-imam, Straatinterview en Outletstore.

Geluid

2CD Het Laatste Oordeel (2001).
Deze verschijnt, net als de andere geluidsdragers die hij de komende jaren uitbrengt, op het eigen label Cabariolet, de voorloper (in 1967) van Neerlands Hoop.

Beeld

DVD Het Laatste Oordeel (2001)
Opname vanuit de Utrechtse Stadsschouwburg, 13 december 2001.

Met behalve deze registratie ook vier interviews met Matthijs van Nieuwkerk tijdens de inspeelperiode van de voorstelling. Daarin gaat het onder meer over de ramp van 11 september, wat dat betekende voor de inhoud van zijn geplande oudejaarsconference en wat hij met de ramp wil, kan en moet (15 oktober), over het moslimfundamentalisme en de betekenis van het vrije woord (15 november), over het belang van een tournee door Vlaanderen en hoe ver de conference is (29 november) en over de vraag of humor veranderd is na 11 september en de thematiek van de voorstelling (14 december).

Daarnaast bevat de dvd een registratie van de Vlaamse editie van Het Laatste Oordeel en ook de verschillende affiches, aangezien 11 september ook leidde tot nieuwe ontwerpen.
Uit enkele van die ontwerpen blijkt dat de Lulverhalen daar aanvankelijk mede model voor stonden, totdat de combinatie Twin Towers/Vredesteken zich daar bij voegde.

De Vlaamse versie is op 29 november opgenomen in de Arenbergschouwburg in Antwerpen en verschilt op een aantal punten van de Nederlandse. Ten eerste omdat zij twee weken eerder in de inspeelperiode is opgenomen en ten tweede omdat Freek de Jonge ‘Vlaamse onderwerpen’ behandelt als ‘De Rode Duivels’ (wél geplaatst voor het WK voetbal van 2002), politieke partijen en natuurlijk het Belgische koningshuis.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

2000 – De Gillende Keukenmeid

Zelden is er zoveel collectief getreurd en gefeest in ons land als in het jaar 2000. Steeds meer lijkt het menselijk bestaan tot een klucht te verworden waarin de ernst op de lachspieren werkt en het amusement tot diepe droefheid stemt. Na een voor zijn doen lange rustperiode keert Freek de Jonge in de theaters terug om de oudejaarsconference, getiteld De Gillende Keukenmeid, op te voeren. Over de inhoud valt weinig meer te zeggen dan strafschop, vuurwerk, huldiging en bovenal consensus! Op zijn eigen wijze, zonder het experiment te schuwen, zal Freek gedurende vijf kwartier de worsteling tonen van een man die probeert harmonie te vinden in zijn leven, dat uit uitersten bestaat.

Freek de Jonge heeft tussen augustus 1998 en december 1999 elf theatervoorstellingen gemaakt. In februari en maart 2000 treedt hij op met het programma waarmee hij het Boekenbal zal openen en eind februari speelt hij ook nog een gastrol in een opera. Als je dan pas weer een half jaar later, op 1 november 2000, het land in gaat met een nieuw programma, kun je in het hierboven geciteerde persbericht terecht spreken van ‘een voor zijn doen lange rustperiode’.

2000 is, zoals datzelfde persbericht meldt, een jaar van hoogtepunten en dieptepunten. Hoogtepunt is onder meer het resultaat tijdens de Olympische Zomerspelen in Sydney, waar Nederland 25 medailles wint, waaronder 12 gouden. Die gaan naar onder anderen zwemster Inge de Bruijn (3x), wielrenster Leontien van Moorsel (3x) en zwemmer Pieter van den Hoo­genband (2x). Een andere reden om te feesten is het EK voetbal, dat België en Nederland samen organiseren. Nederland haalt de halve finale, waarin het tegen Italië twee strafschoppen mist. Het blijft 0-0, ook in de verlenging. Nederland verliest uiteindelijk, omdat het ook in de noodzakelijke strafschoppenserie volledig faalt en maar liefst drie keer mist.

Het missen van de strafschop is een van de symbolen waarmee Freek de Jonge het thema van de voorstelling duidt. Wie iets doet, maakt zich schuldig; wie niets doet, moet zich schamen. In dit sportgeval: wie de strafschop neemt, loopt het risico te falen en Nederland te laten stranden. Maar wie achteraf schampert, moet zich schamen. Of met andere terugkerende symboliek: ‘Hardrock is schuld; de blues is schaamte, vormgegeven verdriet, de tranen in een lied…’
In zijn oudejaarsconference van 1984, De Verademing, riep hij op een daad te stellen tegen de kernwapenwedloop tussen de VS en Rusland en vóór de vrede: ‘Wij steken vanavond ons vuurwerk niet af (…) Ervaar de stilte.’
Een van de tragedies van 2000 is de vuurwerkramp in Enschede. Op 13 mei vat een opslagruimte van een vuurwerkbedrijf vlam. Er vallen 22 doden, 950 gewonden en 200 huizen worden vernield. Nu vraagt hij, al vrij vroeg in de voorstelling, opnieuw om stilte: ‘Het wordt straks twaalf uur. Steken we wel of geen vuurwerk af, dat is de grote Shakespeariaanse vraag. Zijn er nog mensen die gevoel in hun donder hebben? Die denken: nee, uit respect voor de slachtoffers van die ramp geen vuurwerk. Of kan het ons allemaal geen fuck verdommen en jagen we de hens in alles waar een lont aan zit? Zoals wij hier bij elkaar zitten, wij kunnen dat respect toch wel opbrengen? Wij zijn toch de elite van het land…’
Ook hier geldt dus, zoals hij aan het slot van zijn voorstelling stelt: ‘Wie iets doet, maakt zich schuldig. Wie niets doet, moet zich schamen. Wat kan ik anders doen dan schreeuwen? Schreeuwen om stilte.’

In zijn eerste idee voor de voorstelling staat De Gillende Keukenmeid niet alleen voor het vuurwerk met die naam, maar voor een kantinejuffrouw die hij wil gaan spelen. Die beheert in Enschede het overblijflokaal voor het personeel van twee aangrenzende bedrijfspanden: de vuurwerkfabriek, waar geld verdienen voorop staat, en de kazerne van de vrijwillige brandweer, waar hulpverlening het hoogst in het vaandel staat. Maar na tien keer groots uitpakken met De Grens en daarna ook nog een keer met zijn Boekenbalprogramma in Carré onder de titel De Conferencier, Het Boekenweekgeschenk en De Leugen, kiest hij uiteindelijk toch voor een sober, leeg toneel, zodat mensen zich niet vergapen aan visuele hoogstandjes. Bovendien is Nederland vol lof over de stand-up comedians die de jonge honden zijn van het Nederlandse cabaret. De cabaretier stoort zich aan de oppervlakkigheid van het genre en de beoefenaars en liefhebbers ervan. Hij heeft sterk de behoefte te laten zien wat volgens hem de kracht van het woord is.

Freek de Jonge begint zijn voorstelling met grappen over zaken die dat jaar speelden, zoals in ons land het onderzoek naar het declaratiegedrag van de Rotterdamse burgemeester Bram Peper, de gekkekoeienziekte (BSE) en de kritiek op Foster Parents Plan en daarbuiten onder meer het met naam en toenaam noemen van pedofielen in Engelse kranten, de Amerikaanse presidentsverkiezingen en het voortdurende conflict tussen Israël en de Palestijnen. Via de vraag aan zijn publiek waarom het een opmerkelijke jaarwisseling is, komt hij terecht bij de vuurwerkramp, plaatst zijn opmerking over de mogelijkheid van ervoor kiezen geen vuurwerk af te steken en begint een kostelijk verhaal over de feestartikelen van de heer Slinger, zijn vuurwerkvertegenwoordiger, de heer Lont en het vuurwerkbeleid vroeger in huize De Jonge. Verschillende van deze anekdotes of de aanzetten ertoe kennen Parool-lezers al van zijn dagelijkse column op de voorpagina, zoals deze van 30 augustus:

Het zogenaamde sterretje is het onschuldigste stukje vuurwerk dat er bestaat. Een pyromaan in Pernis kan er nog geen kwaad mee. Het is een soort lont op ijzerdraad. De vonken die eraf spatten vallen onder de paradox koud vuur.
Een keer per jaar kwam er voor de Kerstdagen, bij wijze van tegemoetkoming aan de vuurwerkwaanzin die er over de mensheid kwam rond die dagen, in huize De Jonge een pakje sterretjes. De op de werken van dr. Spock gebaseerde redenatie van mijn ouders was de volgende: als er helemaal geen vuurwerk in ons gezin kwam zouden de jongens, mijn broer en ik, in hun natuurlijke behoefte aan gevaar misschien zelf gaan pionieren of, erger nog, het spul stelen! Een pakje sterretjes bevatte tien staafjes, waarvan het genoegen diende uitgesmeerd over twee Kerstdagen en een jaarwisseling.
Vader ging over de sterretjes, die op de geheimste plek in huis lagen: de bovenste plank van de linnenkast, achter de damesfoundation, op ‘Bob en Daphne’. Vader hield, om ongelukken te voorkomen, het vuurspuwende sterretje vast. Om verantwoordelijkheid te leren, mocht zijn oudste zoon, mijn broer, op Tweede Kerstdag na de bijbellezing een sterretje vasthouden. Tijdens dat ritueel liep de spanning zo hoog op dat van genieten geen sprake meer kon zijn.
Volgens de wetten van de psychologie zou ik door die anti-vuurwerkhouding van mijn vader rijp zijn om op oudejaarsavond een atoombom af te steken. Vuurwerk doet mij echter niets. Zelfs sterretjes zijn in ons gezin nooit ontstoken. En de kinderen talen er niet naar. Om toch niet helemaal nergens aan te doen, roep ik op oudejaarsavond om twaalf uur zo hard mogelijk ‘pang!’, terwijl mijn vrouw met de schemerlamp knippert.

In zijn theaterverhaal krijgen de domineeskinderen een papieren zakje, dat ze mogen opblazen en stukslaan, terwijl moeder met de lampen knippert. Ook de cabaretier werpt papieren zakjes de zaal in (en ze zitten die week ook in de VPRO Gids en later ook bij de eerste dvd-uitgave van De Gillende Keukenmeid), waarna het publiek al begint te blazen en stuk te slaan en de proppen papier hem om de oren vliegen. ‘Wie iets doet, maakt zich schuldig…’

Behalve het opnieuw in grappen, anekdotes en tirades aan de orde stellen van allerlei gebeurtenissen en personen – Klimaatconferentie met Jan Pronk, VN-topfunctie voor Ruud Lubbers, de Olympische Spelen, het EK voetbal, de gezondheidszorg, het koningshuis – is er één afgerond verhaal: dat van de toneelspeler Shota (genoemd naar Ajax-speler Shota Arveladze). Tijdens diens voorstellingen is het volstrekt stil. Hij is een keer bedreigd en uit protest heeft hij sindsdien zijn mond gehouden. Zijn publiek zwijgt ook, waardoor een ieder zijn optredens beleeft als de hoogste vorm van concentratie. Hij verlaat zijn theater nooit. Totdat hij één keer zwicht voor de verleiding van de roem en zich als een held laat onthalen in een andere stad. Daar verloochent hij zichzelf door zich te buiten te gaan aan drank en eten en vrouwen. Als hij wil gaan optreden, is het rumoerig in de zaal. Nu zal hij de concentratie moeten afdwingen. Daarmee is de stilte een kunstje geworden in plaats van een keuze. Hij pleegt zelfmoord, omdat hij zich dood schaamt. Dan stelt Freek de Jonge:

Wij kennen dat niet: de schaamte. Want de schaamte, die is van jezelf. De schaamte is onoverdraagbaar, die raak je niet kwijt. Wij hebben schuld: daar kun je mee schuiven, die kan je aan een ander geven. (…) Wij hebben hier de herrie van het afschuiven van de schuld. De hardrock van: niet ik, maar hij! De heavy metal van: nee nee hij! Daar staat tegenover: de stilte voor de storm van de schaamte. Schuld is hardrock; schaamte is de blues.

Hij geeft overtuigende voorbeelden. Zoals uit de gezondheidszorg: ‘Als je zo graag wilt lachen om gehandicapten, waarom ga je dan niet voor ze zorgen?’ En hij fulmineert tegen de roddelpers, die ‘gluiperige lectuur’, en tegen mannen als Willibrord Frequin: ‘De man die van ijdelheid een eufemisme heeft weten te maken, die op de bodem van de pan van onsmakelijkheid staat te krabben. (…) Er moet een wet komen: dat als er illegalen het land uit moeten nadat ze helemaal zijn uitgeprocedeerd, we die kunnen ruilen tegen een Nederlander van wie we zeggen: opgehoepeld met die vent.’ En hij haalt uit naar het koningshuis, zoals Koningin Haarlak die zonder verantwoording af te leggen de foute vader van de vriendin van haar zoon ontvangt: ‘Zij zit daar niet bij de gratie Gods, maar bij gratie van ons. Dat moet ze beseffen als ze mensen aan tafel uitnodigt die helemaal niet deugen.’ Of naar de kroonprins zelf: ‘Wat is dat nou voor moeite voor onze kroonprins om met dat vriendinnetje van hem naar Buenos Aires naar het Plaza de Mayo te gaan, waar nog elke donderdagmiddag de Dwaze Moeders met God weet wat voor illusies voor hun verdwenen kinderen rondjes lopen op het plein, tegenover deze dappere vrouwen te gaan staan en te zeggen: “Wij schamen ons dood.” Kijk, dan krijgen we straks een koning, nu krijgen we een watje.’

… de worsteling tonen van een man die probeert harmonie te vinden in zijn leven dat uit uitersten bestaat, meldde het persbericht. Eén schreeuw is nog niet genoemd, terwijl die de belangrijkste is van de voorstelling. Oktober 2000 stopt Freek de Jonge als columnist bij Het Parool. In februari en maart, tijdens het maken en spelen van zijn Boekenbalshow De Conferencier, Het Boekenweekgeschenk en De Leugen, stonden hem de bedreigingen weer helder voor ogen die hij in 1987 ontving. Een half jaar later, op 18 oktober, schrijft hij in Het Parool deze column:

Na de intocht van Sinterklaas, de Gay Parade en het Bloemencorso weer eens een heel andere stoet in het centrum van Amsterdam. Hell’s Angels escorteerden een vermoedelijk bij een afrekening omgekomen goede bekende van de Amsterdamse politie die naar zijn laatste rustplaats werd gebracht. De knetterende motoren overstemden welhaast het klokgelui van de Oude Wester en de tientallen rouwkransen die op de open laadbak van enkele bestelwagens achter de Korthals XIV aanreden, dansten aan hun haakjes over de hobbelende grachten.
De Hell’s Angels hadden zelf de ordehandhaving op zich genomen. Bij gebrek aan een eigen woordvoerder hadden ze Klaas Wilting geleend. Opgelucht bekende de populaire Amsterdamse politieambtenaar prettig samengewerkt te hebben met deze ruwe bolsters. De politie zelf hield zich nadrukkelijk op de achtergrond. Wel had men alle bewakingscamera’s uit de openbare gebouwen van Amsterdam gesloopt en inderhaast langs de route geplaatst om de komende dagen nog eens op zijn gemak te kunnen bekijken hoe die Hell’s Angels dat nou flikten. En passant gaat men natuurlijk ook kijken wie er allemaal bij de begrafenis aanwezig waren en in welke relatie ze tot de overledene stonden. Niet dan men verder iets aan de beelden heeft, want opnames gemaakt tijdens begrafenissen zijn juridisch genomen volstrekt waardeloos, leert een telefoontje met de heer Moskowicz jr..
In Den Haag demonstreerden huisartsen volgens het vertrouwde recept. Er werd wat gelachen, een beetje gezongen en een petitie overhandigd. Ze willen 1,3 miljard. Mevrouw Borst heeft al gezegd geen cent te betalen. De huisartsen moeten de volgende keer de Hell’s Angels vragen om hun wandeling naar het Binnenhof te begeleiden. Scheelt een slok op een borrel.

Direct ontvangt hij weer bedreigingen. Dit nooit weer. Hij stopt onmiddellijk met zijn column. Hij heeft zich uitgesproken. Hij realiseert zich dat zoiets je duur kan komen te staan. En hij beseft dat opnieuw als op 19 december Frits Barend en Henk van Dorp live voor de camera – Van Dorp met blauw oog – hun excuus aanbieden voor hun opmerkingen over de Hell’s Angels in eerdere uitzendingen. Barend en Van Dorp deden geen aangifte van de klappen en alle dreigementen, maar justitie besluit de zaak op eigen initiatief toch voor de rechter te brengen. Diezelfde Hell’s Angels bedreigen ook Freek de Jonge en later zal blijken dat ze zelfs overwogen hebben naar een voorstelling te komen en hem daar te grazen te nemen. Net zoals ze dat dus met Barend en Van Dorp deden.
Wat kun je nog zeggen? Maar mag je je de mond laten snoeren? Het wordt het thema van deze oudejaarsconference. Speelt hij uiteindelijk zelf tenminste toch De Gillende Keukenmeid:

Waarvoor moet ik me schamen?
Wie iets doet, maakt zich schuldig
wie niets doet, moet zich schamen
wat kan ik anders doen dan schreeuwen
om stilte.

COULISSEN

Tijdens het EK voetbal verschijnt er ook een boekje van zijn hand. Freek de Jonge treedt op voor de gasten van Nationale Nederlanden bij Euro 2000 en deze sponsor heeft voor elke genodigde een exemplaar van De bal is vierkant. Het oranje boekje bestaat uit zestien liedjes over voetbal, waarvan enkele op een bestaande melodie (zoals van Louis Davids’ De voetbalmatch). Jan Mulder schrijft het voorwoord:

Mijn eerste Freek-ervaring kwam tijdens een wedstrijd van Herman van Veen-producties. (…) Schitterend voetbalweer. Mevrouw De Jonge verschoonde langs de kant van het veld zoontje Jelle toen de dieptepass van Ben Cramers voet vertrok, toevallig in de richting van de familie-idylle. Freek lag op volle snelheid, zag dat de bal uit ging, maakte een sliding om ’m in te houden, nam vrouw en kind en kinderzitje mee, de poep spatte door de lucht, de bal lag stil in het veld, Freek kwam briesend omhoog, zette strak voor, zag de kopbal in het net vliegen en interesseerde zich pas na langdurig juichen, waarbij hij de doelpuntenmaker honderden meters achtervolgde, voor de schade aan het gezin.

Aan het begin van zijn theatertour, op 4 en 5 november 2000, werkt Freek de Jonge mee aan de viering van het honderdjarig jubileum van de Muiderbergse Muziekvereniging G.A. Heinze. Van de jubileumconcerten verschijnt ook een cd, getiteld De Eeuw. Daarop nummers van deze harmonie en van de harmonie met Freek de Jonge. Op de cd zijn onder meer Dankzij de Dijken en (een Muiderbergse versie van) Leven na de dood te horen. Maar ook zijn Muiderbergs Dorpslied:

Muiderberg, mijn mooie woonplaats
aan de rand van het IJsselmeer
Waar ik ook ben op deze wereld
’k roem uw naam er keer op keer
Als de lente zich gaat tooien
met haar mooie jonge groen
oh wat is ’t dan heerlijk toeven
in Echobos Kocherplantsoen

(…)

En als de winter is gekomen
ga ik winkelen waar ik woon
’k Haal bij de ene bakker bruinbrood
bij de ander een saxofoon
Het is een lust bij Frank en Karin
uren in de rij te staan
Kip koop ik bij Fred of Geerlings
en mijn gereedschap bij De Haan

In Muiderberg daar wil ik leven
en na mijn dood de grond in gaan

Sinds augustus 1997 is Freek de Jonge, als opvolger van Journaille (Jan Vrijman), columnist op de voorpagina van Het Parool. Een aantal van die columns van het eerste half jaar maakt deel uit van deze oudejaarsvoorstelling. Hoewel hij de krant heeft aangegeven zeker tot 1 januari 2001 door te gaan, zal hij er op 31 oktober 2000 dus voortijdig mee stoppen. Als hij op 18 oktober, naar aanleiding van de begrafenis van topcrimineel Sam Klepper, een column wijdt aan de georganiseerde misdaad, ontvangt hij direct bedreigingen. En dus meldt hij in een van zijn laatste columns: ‘Wat stampvoeten links onderop de voorpagina wordt glimlachend gedoogd, maar wil je het grote onrecht aan de kaak stellen, schieten ze je kop eraf. Zo zit de wereld in elkaar en ik wil nog niet dood.’ Hij besluit zijn aandacht volledig te richten op zijn oudejaarsconference en het thema daarin terug te laten komen.

‘In de column suggereert hij dat hij werd bedreigd. (…) Niettemin schrijft hij even verderop dat er niets achter zijn vertrek zit. De Jonge was niet bereikbaar voor commentaar.
Adjunct-hoofdredacteur E. van Gruijthuijsen van Het Parool: “Wij hebben vanochtend staan staren op die column. Er zijn mensen die erin lezen dat hij bedreigd is door de Klepper-bende. Maar ik weet het niet. Ik heb hem niet meer gesproken. Hij meldde ons alleen dat hij te druk is met de oudejaarsconference en dat hij er daarom eerder mee wil ophouden”.’
(Het Parool, 24 oktober 2000)

‘Cabaretier Freek de Jonge is bang tijdens zijn oudejaarsconference grappen te maken over bepaalde groepen uit de maatschappij uit angst voor geweld. “De straat begint te regeren en daar moet je kennelijk heel voorzichtig mee zijn. Ik hoop niet dat ik me inhoud, maar ik pas van tevoren wel degelijk een soort zelfcensuur toe.”
De Jonge doelt hiermee (…) op de bedreigingen die door Hell’s Angels werden geuit tegenover het RTL 4-presentatorsduo Barend & Van Dorp. (…)
De cabaretier vindt het een slechte ontwikkeling dat hij de politiek en het Koninklijk Huis zonder problemen aan de kaak kan stellen, maar dat hij bij bepaalde groepen uit de samenleving eerst moet nadenken. “Tot nu was er geen moed voor nodig om over wie dan ook grappen te maken, omdat er geen repercussies waren. Dat recht wordt je nu met geweld betwist. De vraag is, hoever moet je gaan. Ik weet niet of ik mijn vingers wil branden”.’ (Trouw, 27 december 2000)

‘In de aanloop naar de grote strafzaak tegen de Hell’s Angels zijn Frits Barend en Henk van Dorp eerder deze week verhoord over de inval die de Hell’s Angels in 2000 in hun studio deden, waarbij vooral Van Dorp klappen kreeg. Het is een stokoude zaak inmiddels, maar toch wel eentje die de Hell’s Angels behoorlijk dwarszit: de inval die een ploegje Amsterdamse Hell’s Angels op 19 december deed in de studio waar Frits Barend en Henk van Dorp zich voorbereidden op de uitzending van hun praatprogramma. Zij hadden de club in de ogen van de Hell’s Angels beledigd na de moord op aspirant-lid Sam Klepper, die de Angels met veel vertoon ten grave hadden gedragen. De kwestie is door justitie na al die jaren alsnog in het dossier van strafzaak Acroniem gestopt, de zaak tegen de Nederlandse Hell’s Angels als criminele organisatie. De mishandeling van met name Henk van Dorp mag dan niet de zwaarste zaak zijn in het dossier, het is voor de Hell’s Angels wel een vervelende, omdat half Nederland zich nog de beelden herinnert van Van Dorp met een blauw oog achter de interviewtafel. Daar boden hij en Frits Barend live excuses aan voor hun bejegening van de Hell’s Angels in eerdere uitzendingen. Barend en Van Dorp deden geen aangifte van de klappen en alle dreigementen, maar justitie besloot de zaak op eigen initiatief toch voor de rechter te brengen.
Dinsdag werd het tweetal in de Amsterdamse rechtbank verhoord bij de rechtercommissaris; Frits Barend ’s morgens om half tien, Henk van Dorp ’s middags om half twee. In het rechtszaaltje onder de rechtbank zagen ze zich gesteld tegenover zo’n twintig advocaten. Bram Moszkowicz, die het duo namens gewezen “vice-president” Harrie Stoeltie van de Amsterdamse Hell’s Angels had opgeroepen, wilde van hen weten of ze wellicht zijn cliënt herkenden als betrokkenen bij de inval. Stoeltie zegt die avond niet mee naar de studio te zijn geweest. Nee, Barend noch Van Dorp herkende hem. Van Dorp vertelde nog eens hoe hij die avond door in elk geval twee “grote” Angels uit de schminkstoel was geslagen met een paar harde klappen: een stomp onder zijn oog en een klap tegen zijn oor.
Behalve hun globale herinneringen aan die bewuste avond, konden de presentatoren de rechter-commissaris niet veel specifieke details vertellen. Ze wisten niet precies wie hen belaagden en het was ook alweer zesenhalf jaar geleden. Ze konden wel bevestigen dat de Hell’s Angels na het incident via een tussenpersoon nog een poging hadden gedaan een verzoeningsgesprek te arrangeren in het Amstel Hotel, maar daarvan is het nooit gekomen. Blijft over de geluidsband uit de camera die al draaide toen de groep Hell’s Angels de studio bestormde. Daarop zijn flarden te horen van de dreigementen, die vrij weinig aan duidelijkheid te wensen overlieten, plus de eis dat Barend en Van Dorp in de uitzending hun excuses zouden aanbieden. Een paar quotes: “We zijn een motorclub en we doen gotver…” “Nee, ik hou niet op, anders trap ik je helemaal in elkaar.” (…) “Hou nou even je mond en voor de camera ga je zeggen dat dit niet de bedoeling was ja!” “Dat gezeik, die vragen en die criminele organisatie, dat hele gezeik.” (…) “Dat weet je donders goed, dat gezeik moet nou een keer over zijn.” “Waar je woont, dat weten we”.’ (NRC-Handelsblad, 9 november 2006)

‘Dinsdagavond stapten Hell’s Angels de studio van Barend & Van Dorp binnen om excuses te eisen over “foutieve berichtgeving”. De presentatoren hadden kennelijk geen zin in een leven met politie-escorte en gingen, zichtbaar aangeslagen, op de eis in. “Zij willen benadrukken dat de Hell’s Angels uitsluitend een motorclub is”, zei Van Dorp. “Zij zijn het zat dat er – ook in dit programma – allerlei verdachtmakingen over hen worden geuit.” Onschuldig motorclubje? Blijkt toch mooi van niet. Barend en Van Dorp ferme journalisten met duidelijke standpunten over zaken die niet deugen? Dinsdagavond niet. Misschien kwamen ze er gisteravond – toen dit stukje al naar de krant was – op terug. Ik begreep hun angst, maar ik zou niet op de eis zijn ingegaan. Niet omdat ik zo’n held ben. Maar omdat intimidatie niet moet worden beloond. Hadden de Hell’s Angels de RTL-studio maar verbouwd. Dan had iedereen kunnen zien waartoe eigenrichting leidt.
Eerder dit jaar eisten ze excuses van Jack Spijkerman omdat een mopje hun niet beviel. Bij wie gaan ze binnenkort eens langs? Bij Witteman? Knevel? Bij Freek die in zijn oudejaarsconference een grap over het motorclubje durft te maken?’ (Cornald Maas in de Volkskrant, 21 december 2000)

‘Vorige week dinsdag viel ik van mijn stoel. Het was nog vroeg en des te harder was de val. Op de voorpagina van De Telegraaf stond een grote foto van Freek de Jonge. Het bijbehorende bericht meldde dat Freek (…) een speciale voorstelling heeft gegeven voor VIP-gasten van het Stan Huygens-Journaal. Na afloop had hij zich gesierd met een grote button met daarop een foto van Máxima en Alexander en de tekst Ik ben een fan van Oranje. Verderop in de krant deed Stan Huygens verslag van het optreden. Freek was briljant geweest, begreep ik daaruit en dat verbaasde me dan weer niet. Wat zou Freek anders moeten zijn? (…) Wat gaat er door Freek heen als hij zo’n domme button opspeldt en de fotografen snellen toe? Je vraagt het je af, maar veel kan het niet zijn. (…)
Ik ben er nooit achter gekomen waarom hij ineens opstapte als columnist van Het Parool. Het gerucht ging dat hij naar aanleiding van een column over Sam Klepper en het klokkenluiden van de Westertoren bedreigd was door Hell’s Angels. Zelf suggereerde hij dat ook, in een van zijn laatste columns, maar ernaar gevraagd ontkende hij het in alle toonaarden, wat logisch is. Toch denk ik dat het zo is en ik vind het niet erg. Ook Freek de Jonge mag voor zijn gezondheid vrezen.
Na zijn vertrek bij de krant werd het even stil rond Freek, maar toen de kwestie-Zorreguieta zich aandiende, begon hij zich weer te roeren. Op het hoogtepunt van de discussies kon je de televisie niet aanzetten of De Jonge verscheen wel ergens in beeld. (…) Zijn woede en opwinding maakten een oprechte indruk, al viel het wel op dat hij zo graag aan het woord was. Maar goed, voor Freek bestaat de wereld nu eenmaal niet als Freek zijn zegje niet kan doen.’ (Martin Bril in Vrij Nederland, 21 april 2001)

‘Freek de Jonge is (…) de man die een hele generatie aan het denken heeft gezet en kon laten lachen. Hij is en blijft de komiek die de waarheid kan spreken. Dat hij nu van Oranje houdt en volgende week weer niet, kunnen we hem makkelijk vergeven. (…)
Een paar dagen na de zwarte dinsdag maakte de NOS bekend dat Freek de Jonge vanaf 5 mei een wekelijkse column in het radioprogramma Met het oog op morgen zal hebben. Iedere zaterdagavond van vijf voor twaalf tot twaalf uur zal Freek het volk toespreken. Vijf voor Freek heet het hoekje heel toepasselijk. Freek mag preken, zingen, dichten en fulmineren. Ach God.
Vijf minuten op zaterdagavond. Is het niet heel treurig? Is er nou werkelijk geen krant die Freek op zaterdag met Youps column in NRC-Handelsblad wil laten concurreren? Zelfs De Telegraaf niet? De grootste komiek van het land moet zich behelpen met vijf armzalige radiominuten. Is het zijn eigen schuld of is zijn licht zo verblindend geworden dat wij hem niet meer zien staan? Ik weet het niet, ik hou mijn hart vast. Een held glijdt af, help!’ (Martin Bril in Vrij Nederland, 21 april 2001)

Tijdens de inspeelperiode van De Gillende Keukenmeid wordt half december, slechts twee weken voor de tv-opname, zijn laptop gestolen. Van zijn aantekeningen en aanwijzingen voor dit programma heeft hij geen kopie. Er is geen andere keus dan door te spelen en met z’n allen goed op te letten of er niets ‘kwijt’ is.

Freek de Jonge: ‘Dit is de meest klassieke conference die ik ooit heb gedaan. Recht toe, recht aan. Ik had in mijn laatste shows wat aankleding betreft nogal uitgepakt, dus ik wilde weer iets sobers. Bovendien wilde ik aan de nieuwe generatie stand-up comedians laten zien hoe het moet. En dat het niets nieuws is wat zij doen. Dat het gewoon de oervorm van cabaret is. Wim Kan deed het al. (…)
De alleenheerser, zoals Kan dat was, ben ik (…) niet; het koninkrijk van Kan is uiteengevallen in allemaal kleine rijkjes: je hebt Youp van ’t Hek, Seth Gaaikema, Lebbis & Jansen. We hebben allemaal ons eigen gebied. Kan trok rustig acht miljoen kijkers, dat bestaat nu niet meer. Nu ik in het Nieuwe De la Mar in Amsterdam speel, voel ik de geest van Wim Kan door het theater waren. En ik merk dat het publiek dat ook voelt. De manier waarop ze om bepaalde grappen lachen, om een bepaalde intonatie van mij die aan Kan doet denken.’
(Interview Wilfred Takken voor NRC-Handelsblad, 29 december 2000)

Freek de Jonge: ‘Ik schrijf niets op, hoogstens wat trefwoorden. Ik ga er niet apart voor zitten, ik begin gewoon met try-outen en bedenk van tevoren ongeveer waarover ik het wil hebben. Hoe dat precies ontstaat, weet ik niet precies. Het moet eruitzien alsof je het ter plekke bedenkt. Dat is de kunst.
Ik heb veel routine, dus het komt nooit voor dat ik echt niets meer weet. Vroeger wel. Met Neerlands Hoop gingen we ooit try-outen in Beverwijk. De liedjes hadden we gerepeteerd, maar ik had nog geen idee wat ik tussendoor zou zeggen. Eenmaal op het podium dacht ik: als de dood nu opkomt en zegt “Ga je mee?”, dan zou ik zeggen: “Graag!” Ik zag hetzelfde later bij Paul de Leeuw gebeuren. Diezelfde keiharde grappen, het schofferen van gasten en van het publiek; dat komt allemaal voort uit pure doodsangst. Als je die eenmaal kwijt bent, word je vanzelf milder. (…)
Door die doodsangst kon ik op het podium ook een goddelijke ingeving krijgen, de “orewoet” zoals Hadewych dat noemt, waardoor ik de meest waanzinnige wendingen kon nemen. Die wonderen blokkeer ik nu. Maar het werkt wel prettiger zonder angst. Ik kan het vak beter relativeren. Vroeger dacht ik dat er niets anders bestond op de wereld.’ (Interview Wilfred Takken voor NRC-Handelsblad, 29 december 2000)

Freek de Jonge: ‘Het publiek is mijn regisseur. Het publiek bepaalt deels de show. Zij geven aan wanneer de spanning eruit is, wanneer het te flauw of te moralistisch is. Ik laat niet het zaallicht aan, zoals veel stand-uppers doen, maar ik hoor alles. Het publiek is een groot lichaam. Ik voel het als dat lichaam het hoofd laat zakken en de concentratie verslapt, of een arm optilt om zich uit te rekken.
Ik heb inderdaad een heftige relatie met het publiek en net als in een huwelijk is dat niet alleen maar liefhebben, maar ook haat, teleurstelling, minachting. Dat laatste ontstaat vooral als mijn liefde niet beantwoord wordt, als het publiek mijn toewijding niet opmerkt. Daar ben ik erg gevoelig voor. Ik heb veel gegeven, ik geef me iedere avond bloot. Als ze dan niet kijken, word ik kwaad. Het is als een stripteaseuse die een act opvoert, en ze hoort een man in de zaal fluisteren: “Ze heeft een wratje op haar schouder.” Op dat moment schaamt ze zich, voelt ze haar naaktheid. Zo ervaar ik dat ook. (…)
Ik dacht dat de relatie met mijn publiek gebaseerd was op dezelfde normen en waarden. Als dat niet meer zo blijkt te zijn, is dat even slikken. (…)
De zalen hebben bij mij altijd vol gezeten, al moest ik op een gegeven moment meer moeite doen om het uitverkocht te krijgen. Maar inderdaad, er was een kentering in de aandacht voor mij. Dat is ook mijn eigen schuld, ik heb te veel programma’s gemaakt. Ik had genoeg van die grote shows, die een heel seizoen meegingen. De laatste jaren maak ik alleen nog maar snelle shows zonder poeha en pretentie, die ik maar twee maanden speel. Vorig jaar heb ik maar liefst tien verschillende shows gemaakt. (…) Voor mij werkt dat het lekkerste, maar commercieel gezien is het natuurlijk stom, ik overvoer mijn eigen markt, ik verg te veel van het publiek. Ik merk vaak dat de publiciteit zich tegen mij keert. Ik stond de afgelopen jaren al iedere dag met een column in Het Parool. De lezers krijgen dan het gevoel: daar heb je hem weer. Wat moet hij nu weer van me?’ (Interview Wilfred Takken voor NRC-Handelsblad, 29 december 2000)

Freek de Jonge: ‘Ik heb de naam ingewikkeld te zijn, dat je moet nadenken. Dat is ook wel zo, maar dat hoeft geen belemmering te zijn. Bij mij word je voor honderd procent opgeëist, je wordt meegesleept, door de concentratie kom je in een soort roes terecht. Maar ik merk dat het vermogen om aandachtig te luisteren bij het cabaretpubliek de laatste decennia is afgenomen. De toeschouwers willen iets makkelijk verteerbaars. Ze willen tussendoor even bijpraten met hun buurman, net als voor de televisie. Mijn shows zijn hoe dan ook paarlen voor de zwijnen. Met Neerlands Hoop hebben we in de jaren zeventig het cabaretpubliek wakker geschud en nu is iedereen weer in slaap gesust. De kijkers worden op hun wenken bediend door gemakzuchtige cabaretiers die vertellen wat ze graag willen horen, die ze met een paar simpele demagogische trucjes inpalmen. Nergens ter wereld heb je zo’n grote diversiteit in humor als in Nederland. Wij hebben literair cabaret, camp, sick jokes, noem maar op. Cabaret is de enige eigen culturele traditie die we hebben. Maar het peil vind ik abominabel. Iedere kneus die roept dat hij cabaretier is, zit meteen in een abonnementje. De zalen zitten toch wel vol.’ (Interview Wilfred Takken voor NRC-Handelsblad, 29 december 2000)

In 1980, tijdens de voorbereiding van De Tragiek, maakte Freek de Jonge kennis met Jopie Huisman. Als die in september 2000 sterft, schrijft de cabaretier-columnist op de voorpagina van Het Parool:

Jopie is dood

De eerste keer dat we elkaar zagen, ongeveer twintig jaar geleden, was er meteen sprake van een ontmoeting. Ontmoeting in de zin van: verplichtingen bij elkaar wegnemen. Ik had iets gelezen in de krant over een Friese voddenboer die heel secuur een vele malen verstelde gebreide onderbroek nauwkeurig had nagetekend.
Hij kwam oorspronkelijk uit Workum waar ik vijf jaar van mijn jongste jeugd had gewoond. Nu zat hij in Herbaijum. We stapten het erf van een Friese boerderij op. Er lag een grote ongeordende partij verroest ijzer. Zijn handel. Ik riep de stal in: ‘Woont Jopie Huisman hier?’ En vanuit het duister hoorde ik mompelen: ‘Oh ben jij het!’ Daar klonk de warme zekerheid in door dat wij elkaar hoe dan ook, waar dan ook, ooit zouden ontmoeten.
Twee weken na die kennismaking werd hij thuis overvallen, bedreigd met een pistool en een paar van zijn doeken werden flink beschadigd. Toen heb ik hem leren kennen als een hele kwetsbare, maar tegelijkertijd onaantastbare persoon. Ervan overtuigd dat geen dief ter wereld het wezenlijke van een mens kan ontvreemden. Daar is hij zijn hele leven mee bezig geweest als hij zijn verhalen vertelde, als hij schilderde en tekende, als hij in het water zat te peuren: authenticiteit. Hij was Fries in hart en nieren, de Markies van de Holle Mar. Groot verteller, groot fantast, groot kunstenaar. Eeuwige worstelaar met de theorie en praktijk van het leven. En daardoor een bewonderenswaardig mens.

‘Op een gegeven moment vertelt u een typische Freek de Jonge-parabel, met een boodschap, over een Japanse stiltekunstenaar die artistiek uitverkoopt en uit schaamte harakiri pleegt. Is dat het stichten waarover u het had?
Freek de Jonge: ”Mensen kunnen niet langer dan een half uur naar mijn geraas luisteren, dus kom ik met een rustiger verhaal. Andersom heb ik het spervuur van grappen nodig om hun concentratie op te bouwen, zodat ze naar zo’n verhaal kunnen luisteren. Mijn show gaat over schuld en schaamte. Ik ben met Ajax in China geweest, waar de spelers nog als godenzonen werden ontvangen. Het was daar blijkbaar nog niet doorgedrongen dat het grote Ajax allang niet meer zo groot was. Toen verloren ze van de Chinezen met 3-1 en werden ze met hoon overladen. In de bus terug naar het hotel begonnen de spelers meteen elkaar de schuld te geven. Dat is onze schuldcultuur. Terwijl in de schaamtecultuur je de schuld zelf op je neemt, en daar de consequentie uit trekt. Schaamte kan tot loutering leiden. We zouden ons meer moeten schamen.
Verder wilde ik met dat verhaal van die Japanner een pleidooi houden voor de stilte, dat sloot ook mooi aan bij mijn oproep om geen vuurwerk af te steken, na de ramp in Enschede. Dat deed ik trouwens ook al in mijn oudejaarsshow van 1984. Je kunt dus niet zeggen dat ik de mensheid niet gewaarschuwd heb”.’ (Interview Wilfred Takken voor NRC-Handelsblad, 29 december 2000)

‘Stel, op 31 december blijft het om twaalf uur helemaal stil op straat. Op 1 januari verschijnt de koningin op televisie en zegt: “Freek heeft gelijk. We moeten ons schamen.” Nederland heeft eindelijk naar u geluisterd. Hoe zou u dat vinden?
Freek de Jonge: “Och, daar gaat het me niet om. Het is allang niet meer de taak van de cabaretier om het regentendom ten val te brengen. En over wat er werkelijk mis is in Nederland, durft geen cabaretier iets te zeggen. Wie zijn twijfels uit over de nieuwe euthanasiewet, wordt al snel voor uiterst-rechtse christen uitgemaakt. Wie zegt dat de georganiseerde misdaad steeds machtiger wordt, kan een kogel door zijn knieschijven krijgen. Daar heb ik ook geen zin in.
Wat ik wil is veel kleiner. Ik stel een vraag, en die moet zich ergens nestelen in de hoofden van de mensen. Als je genoegen neemt met het cliché van het bestaan, dan leg je hem naast je neer. Maar als je dat niet doet, dan denk je er even over na. Meestal duurt dat maar twee tellen, maar dat geeft niet. Ik hoef niet de man te zijn die de wereld veranderde”.’ (Interview Wilfred Takken voor NRC-Handelsblad, 29 december 2000)

KRITIEKEN

‘De afgelopen jaren produceerde De Jonge als een bezetene. Van oudejaarsvoorstellingen, de kwalitatief wisselende programma’s uit de reeks De Grens en de enthousiast ontvangen Boekenweekvoorstelling tot schnabbels. De Jonge schrapte veel van zijn nevenactiviteiten, waaronder zijn dagelijkse column op de voorpagina van Het Parool – bang voor creatieve kaalslag. De opruimwoede heeft Freek de Jonge zichtbaar goed gedaan. In een sober decor toont hij het eerste half uur een stand-up comedian van ongeëvenaarde klasse. Als een ongeleid projectiel – de titel De Gillende Keukenmeid is in dat opzicht op zijn plaats – rent de cabaretier door het afgelopen jaar. Met de grapdichtheid van Lebbis & Jansen. Met politieke analyses à la Seth Gaaikema. Maar vooral met de klasse van Freek de Jonge. (…)
Hoogtepunt is een ingetogen, meeslepend verhaal over een Japanse acteur die op het podium niet voldoende geconcentreerd is en zelfmoord pleegt. “Hij schaamde zich dood”, zegt De Jonge. “Wij kennen geen schaamte meer, maar leven in een schuldcultuur. En met schuld kun je schuiven.” En hij beklaagt zich over het feit dat de jeugd de blues niet kent. “De schaamte is de blues”, stelt hij. “Schuld, de rock ’n roll.”
Freek de Jonge is rock ’n roll. Het wijzend vingertje. Het met tomeloze energie aan de kaak stellen van misstanden. Het zoeken naar schuld. En Freek de Jonge predikt de blues. Ongeëvenaard.’
(Alexander Nijeboer in de Volkskrant, 14 december 2000)

‘Nieuwjaarstragiek. (…) Niet een dag om de oudejaarsconferences van Lebbis en Jansen en Freek de Jonge op de videoband aan een nadere inspectie te onderwerpen. Veteraan Freek de Jonge was op zijn best. Zijn dominee-neigingen had hij in bedwang en hij vroeg zich zelfs af “hoe lang een generatie haar idealisme volhoudt. Ik hecht steeds meer aan waarden en normen en eer en deugd”.
Merkwaardig, twee conferences achter elkaar waar veel van dezelfde onderwerpen passeerden. (…) Hadden Lebbis en Jansen niet een dagje eerder kunnen optreden? Willibrord Frequin staat nu te boek als de grootste schurk van Nederland. Lebbis en Jansen vonden hem ideaal voor een brandweeroefening en De Jonge wilde Frequin graag ruilen met Gümüs.
Lebbis en Jansen waren grappig en onderhoudend. (…) Toch heeft één man meer greep op het publiek dan twee komieken. De Jonge maakte gebruik van hulpmiddelen, speciale belichting, muziektrucs met klappende papieren zakken. Hij gaat achter de piano zitten en het is meteen stil in de zaal. Zo kan hij een land meeslepen in een licht melancholieke eindejaarsstemming. Zijn clowns-charisma heeft te maken met leeftijd. Een oudere cabaretier is door zijn levenservaring herkenbaarder in zijn stemmingen. Freek de Jonge kan aan veel subtiele registerknoppen trekken: droefheid, melancholie, opwinding, vrolijkheid. Wim Kan kon de mensen nog ontroeren toen hij al ver over zijn hoogtepunt heen was.’
(Maarten Huygen in NRC-Handelsblad, 2 januari 2001)

‘In New York hebben de critici de macht van het woord: met puntige, originele woordspelingen, als superlatief of neersabelend. Altijd scherp. Soms dus briljant en vilein. (…) Er valt veel te lachen in kritiekland. Cabaret da’s lachen en kritiek ineen. De cabaretier als nar en wijsgeer. In mijn jeugd nam hij op oudejaarsavond de stem aan van Wim Kan, nu heet hij Freek of Youp. (…) Dit keer had Freek nachtdienst met zijn oudejaarsconference De Gillende Keukenmeid.
Dat, behalve sommige recensenten, ook de koppenmakers eens een bijslijpcursus mogen doen, blijkt wel uit de flauwe, jarenvijftigachtige woordspelingen die er boven de kritieken van De Gillende Keukenmeid staan: “Ongeleid projectiel met tomeloze energie” kopt de Volkskrant. “Freek schiet raak” (Het Parool), “Verbaal vuurwerk van Freek de Jonge” (De Telegraaf), “Appelflappen opzij voor snelle Freek de Jonge” (Trouw).
Bianca Bartels geeft in een heldere recensie in Trouw een kader voor de conference: “De Gillende Keukenmeid is eigenlijk ‘gewoon’ een sterk theaterprogramma dat en passant ook nog subtiel aansluit bij de gebeurtenissen in 2000. Een intelligent spel met het jaar, de wereld, de tijdgeest en het lot van de menselijke ziel.” Unaniem opgetogen is men over de minder moralistische kleuring van De Jonge’s oordelen. (…) Bianca Bartels in Trouw: “Waar hij zijn publiek in het verleden wel eens te hooghartig de les las, zet hier juist zijn persoonlijke betrokkenheid de toon. Wel met een boodschap, maar niet betweterig.”
Alle door mij gelezen kritieken zijn zeer positief over de voorstelling vanwege de inhoud en De Jonge’s mateloze energie. Mooi maar vreemd, want dat zijn twee zaken die dertig jaar geleden ook niet weinig bijdroegen aan het succes van Neerlands Hoop in Bange Dagen, dus waarom dat nu ineens geroemd? En als men zo positief is, waarom het niet krachtiger en kernachtiger opgeschreven?
Over de schuld- en schaamtelijn die De Jonge door zijn teksten heeft geweven, schrijft Alexander Nijeboer in de Volkskrant: “Hoogtepunt is een ingetogen, meeslepend verhaal over een Japanse acteur die op het podium niet voldoende geconcentreerd is en zelfmoord pleegt. Hij schaamde zich dood, zegt De Jonge. Wij kennen geen schaamte meer, maar leven in een schuldcultuur. En met schuld kun je schuiven.” (De Jonge’s punchline dat je schuld namelijk aan een ander kan geven, vergeet de criticus echter te vermelden.) Peter Hoomans in Het Parool: “Jammer is dat De Jonge zich ook de tijd gunt voor een parabel over een Japanse acteur, die een hoekige uitwerking geeft aan zijn moraal van de avond.”
De een zijn hoogtepunt is de ander zijn dieptepunt, zo gaat dat met recensies.’ (Wanda Reisel in de Volkskrant, 4 januari 2001)

SPEELDATA

1 november t/m 9 december in het land en van 12 t/m 30 december 2000 met een serie in het Nieuwe De la Mar Theater, Amsterdam.

TEKST

Freek de Jonge.

MUZIEK

Robert Jan Stips.

TV-REGISTRATIE

Marcel de Vré.

PUBLICATIES

Tekst

Eeuwige jeugd staat afgedrukt in Leven na de dood (2004) en Wees niet bang (2007) en wordt daar toegeschreven aan het programma Parlando (2002), waarin hij het lied zingt op muziek van Boudewijn de Groot.
Een aantal van zijn voorpaginacolums van 1997 t/m 1999 voor Het Parool wordt gebundeld in De Hoekvlag (2000).

Geluid

CD Freek de Jonge speelt De Gillende Keukenmeid (2001).

CD Ik schilder de honden blauw (2000).
Ik schilder de honden blauw is een boek met gedichten van mensen met een verstandelijke handicap. Er verschijnt ook een cd waarop deze gedichten gezongen worden door onder anderen Margriet Eshuijs, Simone Kleinsma, Thé Lau, Liesbeth List, Robert Long, Annet Malherbe en Freek de Jonge.

Beeld

VHS Freek de Jonge speelt De Gillende Keukenmeid (2000).

DVD Freek de Jonge speelt De Gillende Keukenmeid.
Inclusief 74 minuten De Conferencier, Het Boekenweekgeschenk en De Leugen en inclusief een huiskamerinterview over de voorstelling, met Matthijs van Nieuwkerk (2000).

DVD (met Papa-Razzia uit 1997) als de vijfde dvd van zes dvd’s in cassette onder de titel Oudejaarsconferences 1982-2001 (2001).

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

1997 – Papa-Razzia

Er is leven, er is leven na de dood, zingt Freek de Jonge nog tot en met oktober 1997 in zijn theatershow Gemeen Goed. Met de cd-opname van dat lied heeft hij dat jaar onverwacht een groot verkoopsucces. Als hij ruim een maand later start met deze oudejaarsconference, verbindt hij dat lied schijnbaar achteloos met een anekdote over een verkeersongeluk dat hij zogenaamd kreeg. Hij herinnert zich alleen nog dat hij werd achtervolgd door paparazzi en een tunnel inreed. Nu kan het niemand ontgaan waarnaar hij verwijst: het verkeersongeluk op 31 augustus van dat jaar van prinses Diana, die in Parijs achtervolgd wordt door de roddelpers en samen met haar chauffeur en haar vriend Dodi Al-Fayed om het leven komt.

Dit procedé volgt Freek de Jonge veelvuldig, niet alleen nu. Bij andere navolgers van Wim Kan als oudejaarsconferenciers zijn de belangrijkste gebeurtenissen van een voorbij jaar doel op zichzelf (Lebbis & Jansen) of een belangrijk bindmiddel (Youp van ’t Hek). Bij Freek de Jonge daarentegen komen zij steeds naar voren als zogenaamd terloopse invallen binnen een veel breder en filosofischer raamwerk. Geen conferences over politieke namen, maar wel enkele venijnige uithalen naar wie er in zijn ogen recht op hebben, zoals VVD-leider Frits Bolkestein, eerder door hem geprezen, en minister van defensie Joris Voorhoeve:

Srebrenica. Vijftienduizendzeshonderdeenenveertig… Als je dat bord ziet staan, is het niet de afstand van daar tot Srebrenica, maar het aantal moslims dat onder verantwoordelijkheid van de heer Voorhoeve is omgebracht… De heer Voorhoeve staat vijfde op de nieuwe verkiezingslijst van de VVD. Ja, je kan Bolkestein geen groter plezier doen dan eens in de zoveel tijd een paar duizend moslims om zeep helpen. Zulke dingen mag je niet zeggen? (…) Als je altijd zo de mond vol hebt over de oren wassen van ex-communisten en je weet niet eens orde op zaken te stellen in je eigen partij, mag je zelf de oren wel eens gewassen worden.

En geen uitvoerige bespotting van het modieuze Montignac-gedoe, maar wel als decoratie en gebruiksvoorwerp een televisiekeuken à la Joop Braakhekke en zijn televisiekookprogramma Kookgek. Nu is De Jonge zelf de kok, wiens kookkeuzes (‘Bemoei je d’r nou niet mee!’) veelvuldig tot grote hilariteit leiden. Dat beroep is meteen wéér een mooi lijntje naar de bereider van de politieke menukaart: minister-president Wim Kok. Overigens zou Braakhekke wel aanwezig zijn geweest om in te koken, confereert De Jonge, maar Marco Bakker moest het wildseizoen openen van Braakhekke’s restaurant Le Garage en reed zo wild dat hij nu met auto en al in de spoelkeuken staat – een verwijzing naar een dodelijk verkeersongeval dat Bakker recent veroorzaakte. Braakhekke zou papa-razzia komen maken: vaders jachtschotel – in welke woordspeling hij zowel de paparazzi als hun ‘jagen’ vangt. Want er is dan wel geen directe verwijzing naar het ongeluk van Diana, maar wel die verbeelding van zijn eigen ‘fatale ongeluk’ na te zijn opgejaagd door de Story, evenals een ‘sprookje’ over ‘de nieuwsgieren’ en hun onstelpbare honger naar ‘De Koningin van de Jacht’. Beide verhalen waren al te lezen in Het Parool, waarin hij sinds augustus zijn dagelijkse column schrijft op de voorpagina. De laatste column declameert hij bijna letterlijk.

De leeuw is de koning der dieren.
– Dat is toch zo?
Dat zeggen ze maar. Om de nieuwsgierigen in toom te houden.
– Dus het is niet zo?
Het is eigenlijk meer een sprookje.
– Met andere woorden: het stelt niks voor?
Juist wel. Dat is precies wat het koningschap is: een voorstelling.
– Wil de leeuw dat wel? Acteren?
Ook een koning heeft weinig te willen.
– Heeft een koning dan geen macht?
Niet over de sprookjesmakers.
– Wie zijn dat?
De jagers.
– Maar jagers op leeuwen zijn toch altijd slecht?
Niet als koning leeuw zijn onderdanen minacht.
– Maar als de koning geliefd is bij het volk? Wat dan?
Dan spelen leeuw en jager kat en muis.
– Waarom laat de jager de koning niet met rust?
Een jager moet ook leven.
– Waarom hebben nieuwsgierigen behoefte aan sprookjes?
Omdat ze niet kunnen leven bij lijken alleen.
– Dus de zoon van de leeuw is de prins der dieren?
En die kiest een prinses om weer een koning te kunnen maken.
– En als zij hem verlaat?
Dan is de jacht geopend.
– Hoe lopen die sprookjes meestal af?
Iedereen gaat dood.
– Maar wie leven er dan lang en gelukkig?
De nieuwsgieren.
– Hoe heette de godin van de jacht ook alweer?

Ook andere onderwerpen uit Parool-columns komen terug, zoals in een van de vertellingen over hanggroepjongeren van baby tot bejaard (‘Men is pas hanggroepjongere als men zich al vervelende op de hangplek bevindt. Iemand tussen de twaalf en achttien die zich in de huiskamer verveelt, blijven we gewoon een klier noemen’) en binnen een veelzeggend verhaal over De mug, dat hij in oktober ook al heeft gedeclameerd tijdens het Paradiso-concert Rapsodia:

Een boeddhistische monnik in Noord-Vietnam ten tijde van het groot conflict met de Amerikanen heeft zich teruggetrokken in de cel van zijn klooster om op zijn brits te gaan mediteren op het thema oorlog. Hij kan de anders zo snel verworven concentratie niet vatten, gestoord als hij wordt door een rondzoemende mug.
In een bede verzoekt de kloosterling de Allerhoogste de rust in zijn cel te doen weerkeren door het insect ergens plaats te laten nemen. Zijn gebed wordt verhoord. De mug gaat op zijn neus zitten.
De monnik begrijpt de hint en verlaat het klooster om zijn meditatie hoog in de heuvels voort te zetten. Binnen luttele ogenblikken is de benodigde concentratie daar dieper dan ooit tevoren. Zo intens zelfs dat hij het miljardvoudig geronk van God mag weten welke monstermug niet hoort. Als hij zijn meditatie heeft besloten, de oorlog heeft teruggebracht tot de consequentie van het materialisme, aanvaardt hij de terugtocht. Halverwege de heuvels ziet hij hoe zijn klooster is platgebombardeerd door Amerikaanse B-52’s. Hij heeft er vrede mee.

Het conflicteren van het individueel belang met het algemeen belang komt steeds terug, onder meer in De afvalrace (ook een Parool-column), in opmerkingen over die hanggroepjongeren – ‘We helpen ze in plaats van daadwerkelijk iets te doen’ – en over de varkenspest die ons trof, maar ook over de Eurotop die heeft plaatsgehad in Amsterdam:

We hebben de mond vol over het bewaren van onze nationale identiteit binnen het groter geheel van Europa… Er valt alleen aan identiteit van de Efteling en Madurodam niet te tornen en voor de rest leveren we alles in: taal, drugs, abortus, euthanasie, vrijheid van pornografie en – wat hebben we nog meer voor fantastisch in ons land?
Waarom moeten wij in Nederland in dat soort zaken als ‘Europa’ altijd de braafste van de klas zijn op het moment dat de lessen er niet te doen? Nee, wij zijn recalcitrant, kont tegen de krib als het erom gaat… Zodat we op de gang staan als de belangrijke beslissingen genomen worden.

Maar hij betrekt het thema ook zeer nadrukkelijk op zichzelf. Onder meer in een verhaal over een reis in Nieuw-Zeeland met zijn vrouw. Zij moeten te lang (flink gelogen) zoeken naar een restaurant. Op de onheilsplek waar ze uiteindelijk belanden (ook flink gelogen), duurt het allemaal veel te lang, want zij stelt hoge eisen omdat ze lijdt aan een ernstige spijsverteringsziekte (niks gelogen) en hij heeft geen geduld (ook niet gelogen). En dan gaat het mis. En hij huilt tot drie keer toe krokodillentranen, maar heeft uien nodig om zijn traanklieren te laten werken. Ook hier zit weer symboliek achter, want de schellen vallen hem uiteindelijk van de ogen. Maar met geen ander inzicht dan dit:

Ik weet niet waar ik ben. Wel weet ik dat ik steeds verder verwijderd raak van waar ik zou willen zijn. De toekomst is tegenwoordig dichterbij dan het verleden, want draaien op de snelweg is er niet bij. Wie te lang omkijkt is al gauw een spookrijder. Je hoeft niet veel fantasie te hebben om te vermoeden wat ons langs de weg nog allemaal te wachten staat aan mededelingen…

De laatste zin is weer een verwijzing naar een nieuw fenomeen in het wegverkeer, waarmee hij de voorstelling is begonnen: het calamiteitenscherm, wat weer in verband te brengen is met dat ongeluk et cetera. Veel van de zoveel verschillende lijnen van de voorstelling kunnen aan toeschouwers voorbij zijn gegaan. Dit door de kracht die het programma ontleent aan de hoge dosis visuele grappen door die bedrijvige kok vanachter dat keukenaanrecht en eromheen, inclusief verrassende vondsten (zoals een waterkraan die ook bier geeft), clowneske acrobatische capriolen (onder meer met een op Spaanse wijze te braden kippetje en met een sportieve deegklomp), een Snip & Snap-achtige scène rond een in te draaien lamp en de aanwezigheid (aan het begin en slot) van een dakloze, gespeeld door Peter de Bruin. Hij is al sinds 1994 zijn inspeciënt. Freek de Jonge leert hem kennen bij Dankzij de Dijken. Peter de Bruin doet voor de Nits de merchandising. Bij Freek de Jonge ontwikkelt hij zich tot manus-van-alles.

COULISSEN

Als Janis Ian de Engelse vertaling van zijn Slaapliedje opneemt, logeert Freek de Jonge bij haar en hij treedt als haar gast op in Nashville. Daar koopt hij het t-shirt dat hij kort daarna draagt in Papa-Razzia. Het is een fair trade-t-shirt van Bongo Java, met een afbeelding van een kaneelbroodje dat verdacht veel op Moeder Teresa lijkt.

Het is geen directe uitzending, zoals de vorige keren het geval was, maar een registratie van op 29 en 30 december opgenomen voorstellingen vanuit het Amsterdamse Nieuwe De la Mar Theater. De VPRO zendt deze registratie wel op oudejaarsavond uit. De Jonge in de VPRO Gids van 27 december 1997: ‘Ik heb het tot nu toe bijna altijd live gedaan, maar de laatste keren bleek dat weinig zinvol. Er kwam eigenlijk niets meer bij en ik had het gevoel dat de druk veel te veel op die ene avond kwam te liggen. Daarvoor ben ik te oud geworden.’

Dat er ook wat mis kan gaan als het niet live is, blijkt als de opname enkele minuten te vroeg wordt uitgezonden. Het is een fout van de VARA, die die avond de eindregie voert. Ruim vierhonderdduizend kijkers missen daardoor het begin van de conference.

Had het laatste programma, Gemeen Goed, te kampen met matige bezoekersaantallen, voor Papa-Razzia is de belangstelling weer zó groot dat het Nieuwe De la Mar extra voorstellingen inlast.

Sinds augustus 1997 is Freek de Jonge dagcolumnist op de voorpagina van Het Parool. Een aantal van die columns van het eerste half jaar maakt deel uit van deze oudejaarsvoorstelling. Hoewel hij de krant heeft aangegeven zeker tot 1 januari 2001 door te gaan, zal hij er in oktober 2000 voortijdig mee stoppen en zich volledig gaan richten op zijn oudejaarsconference van dat jaar: De Gillende Keukenmeid.

Papa-Razzia speelt dus t/m 30 december. Maar als Theo Maassen zijn programma Ruwe Pit terugtrekt uit De Kleine Komedie omdat het nog niet af is, blijkt Freek de Jonge (zoals al eerder voor het Nieuwe De la Mar) meteen bereid de serie over te nemen. Dat betekent dat hij op 27 en 28 februari (inspelen in Almelo en Hengelo) en van 3 t/m 7 maart 1998 (De Kleine Komedie) alweer optreedt met een volledig nieuwe theaterprogramma. Het komt ‘in plaats van’ en hij noemt het dan ook I.P.V. Het speelt dus maar zeven keer, maar als hij hiermee opnieuw ervaart hoe veel voldoening het hem geeft in een paar weken tijd een nieuwe voorstelling te maken, ontstaat het idee voor zijn volgende project: De Grens, een theater- en televisiefeuilleton in tien delen binnen één jaar tijd.

De VPRO zendt Papa-Razzia in voor het Gouden Roos-festival in Montreux, het Europese festival voor amusementsprogramma’s op televisie. Treurige aangelegenheid, herinnert Freek de Jonge zich, want met een paar mensen zit je dan naar zo’n ondertiteld programma te kijken.
Als hij in Montreux zit te eten met journalist Frans Happel, die hem interviewt voor de Haagsche Courant, komt er een vrouw naar hun tafeltje die zeer hinderlijk overdreven bewonderend gaat staan doen. Even later blijkt dat het een verklede Joop Braakhekke is, die meewerkt aan Ralph Inbars Bananasplit. Tegen de zin in van Freek de Jonge wordt het fragment nog uitgezonden ook. Het maakt zijn herinnering aan Montreux niet vrolijker.

KRITIEKEN

‘Freek de Jonge, die voor de zevende maal in zijn loopbaan met een conference een jaar uitluidde, is er de man niet naar om het publiek louter te behagen met moppen en woordspelingen. De Jonge wil meer. Het publiek aan het denken zetten bijvoorbeeld. Zijn grappen zijn pijlen die gericht zijn op tevredenheid.
Op oudejaarsavond schoot De Jonge tal van pijlen naar de kijkers. Hij schilderde de maatschappij af als een wereld vol gieren, die bij gebrek aan prikkels in het eigen leven loeren naar sprookjesverhalen in bladen. In Papa-Razzia kwam de Nederlander ervan af als een door welvaart blasé geworden wezen dat voor een huilbui eerst een ui moet opensnijden.
Het decor van Papa-Razzia was een keuken van de duurdere soort – zo’n keuken waarin een espressomachine om aandacht schreeuwt en zelfs de pannen volgens de regels van de goede smaak zijn gestroomlijnd. Op die plek – de welvaart in een notendop – evalueerde De Jonge (“Ik sta hier als kok”) het afgelopen jaar. Hij deed dat lichtvoetig, terloops bijna. (…)
De kracht van Papa-Razzia zat in de afwisseling. Tussen de clowneske nummers door speelde De Jonge de rol waarmee hij faam verwierf. Dan bleek hij ook nog altijd de geëngageerde verteller te zijn die meer verhalen naast elkaar vertelt. Verhalen waarin naar de betekenis van het leven wordt gezocht.
Papa-Razzia, een optelsom van grollen en bespiegelingen, was voor de kijker een soort grabbelton – wat er uitkwam, was aardig of lollig of beeldschoon.
Dan weer opende de conferencier de aanval op de prominente plek van minister Voorhoeve op de nieuwe VVD-lijst (“Je kan Bolkestein geen groter plezier doen dan eens in de zoveel tijd een paar duizend moslims om zeep helpen”). Voor een tirade tegen verkeersborden (“U rijdt te hard! Hoezo? Hoe weten zij nou hoe laat ik waar moet zijn?”) maakte hij ruim baan, evenals voor een verslag van een diner in restaurant Het Hiernamaals, waar een verminkte kok zich verschanst in de keuken.
“Ik weet niet waar ik ben, wel weet ik dat ik steeds verder verwijderd raak van waar ik wil zijn”, zei De Jonge halverwege zijn show.
Niet vaak zal een naar de juiste richting speurende artiest zo’n montere indruk hebben gemaakt. De Jonge’s preek is een mop geworden. Een mop met diepte, uitstekend verteld.’ (Ronald Ockhuysen in de Volkskrant, 2 januari 1998)

‘Het beste bewijs voor het meesterschap dat hij in deze Papa-Razzia ten toon spreidde, werd geleverd door het publiek dat in het Nieuwe De la Mar in Amsterdam aanwezig was bij de opname. Zodra de naam van Marco Bakker viel, klonk er al een gulle lach uit de zaal op – zo aanstekelijk werkte het optreden van de conferencier deze keer. “Mensen, laat me nou eerst de grap maken!”, riep De Jonge, en opnieuw lachte het publiek. Wie dat kan – twee keer een lach oogsten zonder een reguliere grap te maken – kan veel.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 2 januari 1998)

SPEELDATA

3 november t/m 30 december 1997, met een serie in het Nieuwe De la Mar van 19 t/m 30 december.

MUZIEK

Robert Jan Stips.

TELEVISIEREGIE

Jop Pannekoek.

PUBLICATIES

Tekst

De conferences Fender Stratocaster en Crèchepuppies en wipkippen staan afgedrukt in de bundel De Toeschouwer (2006). De voor de conference gebruikte Parool-columns Afvalrace, Diana, Hangen, Mug en Story zijn opgenomen in de bundel De Hoekvlag (2000).

Beeld

DVD, met De Gillende Keukenmeid (2000), als de vierde dvd van zes dvd’s in cassette onder de titel Oudejaarsconferences 1982-2001 (2001).

1996 – Het Luik

In een interview in Trouw, gepubliceerd drie dagen voor de rechtstreekse uitzending van Het Luik, vertelt Freek de Jonge opnieuw niet zoveel met politiek te hebben:
‘Dat vind ik ook overbodig. Columnisten vullen hun krantenrubrieken ermee, Van Kooten & De Bie hebben het er wekelijks over, evenals Jack Spijkerman, wat je ook van dat laatste programma mag vinden. Bovendien: politiek is nooit mijn sterkste punt geweest. En als ik, zoals vanavond, zo’n grap maak over dat commissariaat van Bolkestein, pikt niemand dat op. Dat is alweer te lang geleden. Leve de vluchtigheid. Ik kon niet nalaten er even aan toe te voegen: “Geeft niks, dames en heren, u mist niks; de enige die iets mist, ben ik zelf. Bij u!” Trouwens, ik heb nooit gehouden van een cabaretvorm die zulke statements stapelt. Aan veel en goede grappen ontbreekt het nooit bij mij en ook deze keer dus niet. Maar ik houd ervan die in te passen in allerlei verhalen en anekdotes en op die manier verschillende lagen aan te brengen, zoals in een roman.’

De verhaallijn die Het Luik domineert, is die rond de steen des aanstoots. De inloopmuziek is Everybody must get stoned van Bob Dylan. En in de aanvangsscène ontneemt de cabaretier een steen zijn zwaartekracht en stuurt die met zijn hand langzaam de lucht in. Tegen het einde van de voorstelling vertelt hij een parabel.
Nomaden ontdekken bij de monding van drie rivieren een reusachtige steen. Ze besluiten zich te vestigen bij de steen, waarmee hun stenen tijdperk begint. Nu zij niet meer zwerven, krijgen ze te maken met uren waarin niets gebeurt. Die vullen ze met ruziën en roddelen, maar ze voelen toch vooral de ledigheid. En dus zoeken ze houvast bij de steen. Die moet immers ooit uit de lucht zijn komen vallen. De steen is dus het symbool van het machtigste natuurverschijnsel: de zwaartekracht. In de steen, zo geloven ze, huist de ziel van de God van de Zwaartekracht. Om die te dienen, bedenken ze rituelen. Door letterlijk van alles op te werpen eren ze de zwaartekracht, want alles valt. Totdat tijdens een van die rituelen rook ontstaat. En die kringelt juist omhoog. Waar rook is, komt ook vuur, ontdekken ze door kleine stenen tegen elkaar te laten vonken. Het opsnuiven van de rook van gedroogd gras, gaan ze beschouwen als het bedwelmen van kwade geesten. Stoned voelen zij zich licht in het hoofd, maar ook in het lijf, dat lijkt los te komen van de zwaartekracht. Vanaf dat moment noemen ze zich ‘vuursteners’. Dan zien ze iemand die daadwerkelijk geen last heeft van de zwaartekracht, want hij loopt over het water. Die man wil hen verlichten en vertelt dat wie zonder zonden is, de eerste steen mag gooien. De steen die hier ligt, is de eerste steen. En hij? Hij is de zoon van de werper! Zij geloven hem niet en stenigen hem.
Maar al snel komen er anderen, niet met woorden, maar daden. Ze verdrijven de vuursteners en wie het overleeft, wordt verhandeld als slaaf. In de jaren daarop hakken de veroveraars de steen tot gruis, omdat ze geen oog hebben voor de betekenis van de steen, maar voor de edelmetalen, fossiele brandstoffen en andere te exploiteren kostbaarheden. Als van de steen niets meer rest dan stof, vertrekken ze weer. De vuursteners waren verslaafden en kunnen nu weer terugkeren naar hun eigen land, maar… ze kunnen het niet meer vinden, ze zijn hun oriëntatie kwijt…

Ook de mens anno 1996 is zijn oorsprong kwijt. ‘Nederland is één grote Efteling’, stelt Freek de Jonge. Mensen hebben geen rituelen meer. Ze vervelen zich te pletter en weten zich geen raad met hun vrije tijd. Ook hier zijn mensen slaaf geworden van de zinloosheid. Hij demonstreert welke invloed verdovende middelen op hemzelf hebben en refereert aan Amerikaans wetenschappelijk onderzoek naar het gedrag van spinnen. Onder invloed blijft er niets over van hun ingenieuze webben. Dus waar leidt het toe? Verslaafden zeulen met winkelwagentjes en slapen in de kartonnen dozen van de spullen waarmee de welvarenden hun winkelwagentjes vullen. En als je talent hebt, laat je je land in de steek. Wie succes heeft, gaat in België wonen, in Italië voetballen of in Azië werken. De enigen die hier blijven zijn de allochtonen, want die hebben in het buitenland niks meer te zoeken.

Het Luik staat bol van voorbeelden van de ledigheid, van het gebrek aan oriëntatie, van de verslaving die daarmee dreigt, zoals bij plegers van zedenmisdrijven als dan in België, in de buurt van Luik, waar in augustus 1996 Marc Dutroux wordt gearresteerd. Hij blijkt schuldig aan ontvoering, verkrachting en moord op een aantal jonge meisjes. Het Luik staat daarmee niet alleen voor de plaats waar hij dichtbij woont en waar hij zijn slachtoffers ontvoert, maar ook letterlijk voor de scheiding tussen de woonruimte van Dutroux en de kelder waar hij zijn slachtoffers vasthoudt.

Het Luik herbergt een stortvloed aan grappen over opvallende gebeurtenissen uit het nieuws van 1996; belangrijke, zoals bovengenoemde zedenzaak, maar ook veel minder ernstige, zoals rond de van plagiaat beschuldigde psycholoog René Diekstra, het snelle (na enkele maanden) faillissement van de commerciële voetbalzender Sport 7, de uitbraak van de gekkekoeienziekte en de genetische manipulatie van muizen, welk verhaal uitmondt in de conference Bekende Nederlander, die ook deel uitmaakte van de nieuwjaarsconference De Brand.
Naast alle voorbeelden rond de gedesoriënteerde samenleving heeft Freek de Jonge nog een tweede, al net zo sombere verhaallijn gespannen. Daarin maakt hij duidelijk dat de parabel van de steen gezien mag worden als Lang Verhaal. Maar hoe heet de oudejaarsconference? Is zij ook een Lang Verhaal? Of is zij Leuke Anekdote, Flauwe Mop, Modern Sprookje, Scherpe Column, Paarse Troonrede of Oud Liedje? Freek de Jonge’s conclusie: het is het oude liedje. Hiermee stelt hij zijn eigen onmacht centraal. Hij voelt zich een roepende in de woestijn (‘De ene helft regeert in dit land en de andere helft reageert. Maar ageren doet niemand meer’). In zijn slotverhaal, waarin hij zelf wordt gearresteerd omdat ook hij wordt aangezien voor een verslaafde (aan pedofilie), verzucht hij dat het nog altijd beter is onschuldig in een cel te zitten dan schuldig vrij rond te lopen. Niet voor niets bestaat zijn decor uit een grote doos om in te wonen en een luik om uiteindelijk in te verdwijnen. Dan klinken tenslotte nog de laatste strofen uit het lange gedicht Monddood. Met de eerste ervan is hij zijn voorstelling begonnen:

eens nam ik het op voor de vertrapten ook sprong ik voor zwakken in de bres
ik zong van een verloren oorlog en schrik niet ik kreeg succes
toen nam ik het milieu erbij en protesteerde zeer
ik walgde van succes maar verhip ik kreeg nog meer
ik riep het is een schande het publiek gaf mij gelijk
het maakte me monddood zo want het maakte mij zo rijk

nu ben ik monddood mensen monddood ben ik als een slaaf
ja ik ben monddood mensen monddood ingepakt en braaf
ik ben volkomen ongevaarlijk voor een groot publiek
en prima te pruimen als achtergrondmuziek

COULISSEN

Deze keer veel speelbeurten in Vlaanderen, waaronder een week in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg van Brussel.

In Brussel zou hij eigenlijk drie weken spelen en Het Luik zou op 31 december rechtstreeks vanuit de Koninklijke Vlaamse Schouwburg worden uitgezonden door zowel de VPRO als de BRT. Het idee voor deze Vlaamse-Nederlandse samenwerking ontstond toen Freek de Jonge in december 1995 in Brussel optrad met materiaal dat uitmondde in de nieuwjaarsvoorstelling De Brand, van 1 januari 1996.
Het gaat uiteindelijk toch niet door, omdat er binnen de BRT verschuivingen plaatsvinden en andere omroepbonzen liever met de Vlaamse cabaretier Geert Hoste in zee gaan. Er wordt nog voorgesteld Het Luik uit te zenden op de commerciële zender VTM, maar Freek de Jonge trekt het plan terug. De drie weken Brussel worden teruggebracht tot één week, waarna nog een week Schouwburg De Meerse in Hoofddorp volgt en tenslotte een week Theater Bellevue in Amsterdam. Daar houdt hij, op 27 oktober, de allereerste voorleesvoorstelling en daar sluit hij de reeks ook af met de rechtstreekse uitzending voor televisie.

Door het aanvankelijke plan speelt België, dat dat jaar bovendien opvallend in het nieuws was, een grote rol in de voorstelling.

In De Brand stond hij al uitvoerig stil bij het consumptiegedrag van het publiek en de invloed van de televisie. In Het Luik zegt hij letterlijk: ‘De mensen willen alleen nog maar de Efteling.’
Freek de Jonge (in een interview in Trouw, 28 december 1996): ‘Een paar dagen geleden zat er in Alphen aan de Rijn een jongen (…). Die hoorde ik zeggen: “Ik kan mijn poten hier niet eens kwijt.” Op dat moment vloeit werkelijk alle energie uit me weg. Dan denk ik: moet ik me dit na zoveel jaren laten welgevallen? (…) Op zo’n moment voel ik een diepe minachtig voor dat soort publiek. (…)
Je bemerkt elke keer weer verschuivingen in de manier waarop het publiek kijkt. In Vlaanderen ben ik meestal prettig verrast door de wijze waarop de mensen kijken en luisteren. (…) De Vlamingen vormen toch een fijner besnaard publiek. In Nederland is men al te besmet geraakt door de televisie. Mijn generatie zag hoe men het toestel binnendroeg, maar wij hadden gelukkig nog andere, interessantere afleidingen. Deze generatie is opgevoed met de vluchtigheid en oppervlakkigheid van dat medium.
Ook ik ben via de televisie tot hen gekomen en niet via het theater. Dat is een wezenlijk en goed waarneembaar verschil. In Nederland heb ik trouwens toch al het gevoel dat mensen gek tegen me aankijken, of beter gezegd: wéér gek tegen me aankijken. Ik zag vanavond veel jonge mensen. Die komen in twééde instantie naar mij toe.
Ze beginnen bij Youp van ’t Hek en komen dan bij mij. Vroeger was dat andersom. Toen was ik het grote voorbeeld, de maatstaf. Nu krijg je dat ze op een heel andere manier naar mij kijken. Het is gespiegeld aan zoals hij het doet. Dat is toch raar. Ze komen kijken of Freek wel net zo leuk is als Youp. En het valt hen niet eens altijd mee. In elk geval moeten ze hun frequentie daarop afstemmen. Een aantal jaren geleden was ik daar nauwelijks mee bezig; de mensen zaten er en het was goed. Maar plotseling zaten mijn zalen niet meer automatisch vol. Dan merk je dat je een deel van je trouwe publiek bent kwijtgeraakt. Eigen schuld, dikke bult?
Ik deed niet aan een gedegen carrièreplanning, kneep er soms jaren tussenuit en zei zelfs niet meer terug te keren. Ik wil die vrijheid hebben en houden. Maar “ongrijpbaar” maakt ook “onbegrepen”. Mijn fans werden verliefd op andere cabaretiers en vonden dat het tussen ons over en uit was. Af en toe, zoals toen ik in maart in Carré optrad ter gelegenheid van het Boekenbal, komen zij opeens terug en verzuchten dan: ik wist niet dat het nog zo klikte tussen ons. Nou, dat betekent dat we elkaar echt uit het oog verloren waren.’

KRITIEKEN

‘Zijn zesde oudejaarsavondconference was dit en daarmee stevent Freek de Jonge al aardig af op de tien die Wim Kan tussen 1954 en 1982 heeft gemaakt. Maar het effect is totaal anders. Wim Kan was de gemoedelijke oom die het hele volk om zich heen verzamelde en een beetje plagend terugkeek op het oude jaar, in de loop der jaren hoe langer hoe meer leunend op de reputatie die hij had opgebouwd. Freek de Jonge lijkt daarentegen voortdurend met zijn reputatie in gevecht te verkeren; hij speelt (…) in zijn eigen schaduw en hij is naar eigen zeggen “volkomen ongevaarlijk voor een breed publiek” geworden. De ene keer geeft hij die ongevaarlijke lach meer ruimte dan de andere, maar altijd heeft het iets ongemakkelijks: een komiek te zien die zichzelf “monddood” vindt, in de kennelijke veronderstelling dat een komiek eigenlijk gevaarlijk moet zijn en tot taak heeft het volk tot betere gedachten te brengen.
Ook dinsdagavond. In een mooi decor vol verrassingen (want Freek de Jonge is nog steeds de visueelste van alle cabaretiers) zette hij stevig in, en ook daarna bevatte zijn optreden nog heel wat bezienswaardige stroomversnellingen met gehaaide grappen en rake tirades. Maar een echte oudejaarsavondconference, die de losse gebeurtenissen van het afgelopen jaar in één satirisch kader plaatst, wilde het maar niet worden. (…)
De Jonge is steeds bij uitstek de man geweest van de voorstellingen die zichzelf in de staart beten en zodoende een eenheid vormden. Hij is de uitvinder van dat genre – de rode draad – en hij heeft er ook de allermooiste voorbeelden van gegeven. Maar in Het Luik kwam hij niet verder dan het nogal gezochte verhaal over een arrestatie in een Belgisch bos wegens vermeende pedofilie, dat als kop en staart fungeerde. (…)
Het probleem van Freek de Jonge – dat hij zich “ingepakt en braaf” vindt – is alleen zijn probleem. Niemand anders heeft er last van. Ik in elk geval niet; ik laat me graag door hem aan het lachen maken en ik ben ook van harte bereid zijn parabels en cirkelredeneringen te volgen. Meestal loont dat namelijk volop de moeite. Als weinig andere cabaretiers is hij immers in staat symboliek en verbale slapstick te combineren tot iets wat méér te zeggen heeft dan het zegt. Maar nu had ik vaak het gevoel dat hij stond te spelen met een loden last op zijn schouders die hij daar zelf op heeft gedeponeerd.’ (Henk van Gelder in NRC-Handelsblad, 2 januari 1997)

‘De conferences van Freek de Jonge zijn altijd hoogzwanger. Als geen ander kan De Jonge verhaallijnen met elkaar verknopen om uiteindelijk toch met een helder slotakkoord te komen. De Jonge is echter De Jonge niet meer; zijn linkse idealen, zijn geloof in een andere, betere samenleving, zijn bedolven onder het puin van de Berlijnse Muur. Freek de Jonge gaat steeds meer lijken op een gedeprimeerde komediant, die er maar niet in slaagt zijn wrok jegens de hedendaagse scoringsdrift en consumptiezucht weg te schminken. (…) De Jonge gelooft niet meer in grote verhalen met grote gedachten. (…) De woordkunstenaar heeft zich namelijk overgegeven. Aan het publiek. Maar de roem die dit offer bracht, maakt hem allesbehalve tevreden. De Jonge is een nihilist geworden. De vraag “hoe kan ik gelukkig worden?” is ingeruild voor “kan ik de werkelijkheid nog van een kleur voorzien?”.’ (Ronald Ockhuysen in de Volkskrant, 2 januari 1997)

SPEELDATA

27 oktober t/m 31 december 1996.
Rechtstreekse uitzending op oudejaarsavond vanuit de grote zaal van Theater Bellevue door de VPRO-televisie.

MUZIEK

Robert Jan Stips.

VIDEOREGIE

Jop Pannekoek.

PUBLICATIES

Tekst

De volledige tekst van de epiloog Monddood, waarvan in de voorstelling alleen de eerste coupletten worden gedeclameerd, staat afgedrukt in Iets rijmt op niets (uitgebreide heruitgave 1997) en in Wees niet bang. Mijn 101 mooiste liedjes (2007).
Volgens de bronvermelding is de tekst ook op muziek gezet en wel door Robert Jan Stips.
Ik moest een koe gaan slachten zong Freek de Jonge in augustus 1996 al in Langzame Liedjes, maar in Iets rijmt op niets (1997) staat als bron deze oudejaarsconference vermeld.

Geluid

2CD met De Brand, de nieuwjaarsconference voor de VPRO-radio van 1 januari 1996.
Het karton om de cd meldt Het Luik en daaronder als (gedrukte) sticker Inclusief bonus-cd ‘De Brand’. Het Luik en De Brand staan elk op een cd (1997).

Beeld

VHS-uitgave Het Luik. Op de voorkant is een sticker geplakt met de tekst Inclusief bonusvideo ‘De Brand’ (1996).
De achterkant van de videodoos meldt bovenaan Een heel jaar in beeld en vervolgens alle gegevens van beide voorstellingen. Beide programma’s staan op dezelfde videoband.

DVD (met De Brand uit 1996) als de derde dvd van zes dvd’s in cassette onder de titel Oudejaarsconferences 1982-2001 (2001).