Freek interviewt Hella over Hartschade

In ‘Hartschade’ vindt Hella de Jonge zichzelf terug in een ziekenhuis aan de monitor: hartaanval. Als de goede bedoelingen van de specialisten haar tot een gevangene van een systeem dreigen te maken, komt ze in opstand. Ze gaat op zoek naar de oorzaak van haar fysieke problemen en wat haar drijft. Dit leidt tot ontroerende gesprekken met haar dochter, beiden hebben een kind verloren, en soms confronterende, maar ook hilarische bezoeken aan haar vader.

Dit boek getuigt van een gevecht om geen patiënt te worden maar mens te blijven.

Hella signeert en Freek interviewt Hella over haar boek.

 

2004 – Door de knieën

De verteller in ‘Door de knieën’ is uit het lood geslagen door de dood van zijn zoontje. Het verdriet heeft hem en zijn vrouw uiteengedreven: terwijl zij probeert het een plaats te geven in haar leven, is hij ervoor op de vlucht. Zijn bekendheid en roem benauwen hem steeds meer, hij is wanhopig op zoek naar vriendschap. Die denkt hij gevonden te hebben als hij de beeldend kunstenaar Jonas ontmoet, een Zeeuwse zonderling aan wiens eenvoud hij zich wil spiegelen. Lange wandelingen met Jonas’ hond, met een wonderlijke naam, leren hem naar zichzelf te kijken en de wurgende controle over zichzelf op te geven. De vriendschap lijdt een ontluisterende schipbreuk… Dan ontmoet hij Victor, een jongetje met de glimlach van Mona Lisa en een lijfje dat niet meer is dan een in lappen gewikkeld stompje. De verteller wil zijn leven aan hem wijden en reist hem tot in Zuid-Frankrijk na. In Lourdes, te midden van een hysterisch religieuze menigte, vindt de bizarre apotheose plaats.

Aldus Freek de Jonge op de flaptekst van deze roman. Op zijn website voegt hij daar nog aan toe:

Een verhaal over een worsteling met roem, de beknelling van het ego en een hunkering naar overgave – vitaal, surrealistisch en oprecht.

Door de knieën bevat veel autobiografische elementen. De hoofdpersoon is een bekende conferencier. Hij heeft in 2003 zijn eerste verkiezingsconference gehouden en is daar niet tevreden over. Hij heeft de kansen die er lagen niet gegrepen en overweegt nu een punt achter zijn carrière te zetten. Hij gaat op reis en piekert over wat hem dwars zit. Jaren daarvoor hebben zijn vrouw en hij hun zoontje van drie maanden verloren op Texel aan wiegedood. Het heeft hen uit elkaar gedreven en dat ligt aan hem, niet aan haar. De hele familie van haar joodse ouders is door de nazi’s vermoord. Haar ouders zijn erdoor veranderd, maar er geen beter mens van geworden. Zij schrijft hem: ‘Ik vond dat ik aan mijn dode kind verplicht was een beter mens te worden. Anders zou zijn dood zinloos zijn.’ Maar waar zij in die dramatische gebeurtenis een opdracht zag, is hij er juist van weggevlucht, vooral met zijn theaterprogramma’s, waarin hij de woorden sprak die hij thuis niet kon zeggen.
Hij kan zich als geen ander verbaal uiten op het podium, maar daarbuiten ontbreekt het hem aan het communicatieve vermogen zich emotioneel aan iemand te binden, zowel in de liefde als in vriendschappen, zo realiseert hij zich meer en meer. Daarom is hij zo gegrepen door fantast Jonas en ‘esotericus’ Victor, in wie hij zichzelf herkent, maar dat niet alleen. De laatste immers heeft het lijf van een baby en herinnert hem natuurlijk aan zijn gestorven kind. Als hij ermee in zijn armen staat, zegt hij: ‘Mijn kleine jongen, je leeft nog!’
Zelf laat hij, zoals in zijn verkiezingsconference, zijn diepgang en waarheid altijd bijsturen door zijn publiek, dat bovendien verlangt naar oppervlakkigheid en voor de essentie vlucht. Jonas en Victor zijn niet bij machte zich te laten leiden, al zal gaandeweg het boek blijken dat ‘het volk’ hen daarvoor zal laten ‘lijden’. Dat hemzelf die lijdensweg bespaard blijft, is omdat aan het einde van het boek zijn zoektocht ophoudt en zijn schuldgevoel oplost. Hij houdt niet de toespraak die men van hem verwacht, maar hij geeft zich, mede dankzij opnieuw haar inspanning, over aan de liefde voor zijn vrouw.

COULISSEN

Zijn eerdere boeken – van De Komiek (1980) tot De Hoekvlag (2000) – publiceerde hij bij Uitgeverij De Harmonie.
Freek de Jonge: ‘De vorige zomer heb ik vijf losse verhalen geschreven. (…) Daar ging ik niet mee naar De Harmonie, mijn uitgever sinds een kwart eeuw. De magie was daar uitgewerkt. Vroeger verkochten ze veertig-, vijftigduizend exemplaren van mijn tekstboeken, verhalen, columns en romans. De laatste jaren werd er hooguit nog één herdruk gehaald. Oek de Jong (…) bracht me in contact met Tilly Hermans van Augustus, die nu mijn nieuwe uitgever is.’ (Interview met Arjan Peters in de Volkskrant, 21 augustus 2004)

‘Samen besloten we toen een van die vijf verhalen te publiceren, een soort novelle over de autistische en ernstig gehandicapte jongen Victor. Dat vond ik toch wat dun. Daarna heb ik een ander kort verhaal, over de zonderlinge Zeeuwse beeldend kunstenaar Jonas, erbij genomen. Zo is Door de knieën ontstaan. Een roman. Die ik beschouw als iets hogers dan mijn theaterwerk. Sinds mijn jeugd kijk ik tegen schrijvers op. De toewijding van de grote Russen of zo iemand als Philip Roth: fenomenaal.’ (Interview met Arjan Peters in de Volkskrant, 21 augustus 2004)

‘Wat in de roman naar voren komt, is de begrenzing van de verbale vermogens van de hoofdpersoon. Ikzelf heb die ervaren in mijn verkiezingsconference van vorig jaar, De Stemming. Vijf kwartier kreeg ik de unieke gelegenheid ongebreideld mijn zegje te doen, aan de vooravond van de verkiezingen. Het resultaat was acceptabel, maar stelde mij teleur. Dat ik niet echt de diepte in durfde. Voor een deel reken ik dat mezelf aan en voor een deel de teneur in de samenleving, dat we elkaar alleen nog kunnen toespreken op een kinderachtig niveau. We dansen luchtig om de waarheid heen. Religie sterft hier af, het begrip van het hogere is over vijf generaties volledig uit de gedachten van de mensen verdwenen. Door de knieën gaat ook over hoe de mens God mist. Tenminste: ik mis Hem.’ (Interview met Arjan Peters in de Volkskrant, 21 augustus 2004)

‘Het personage Jonas is door het programma Showroom ontdekt, maar zijn vriend, de ik-figuur, maakt hem nog bekender en dat doet hem geen goed. Jonas heeft trekken van Jopie Huisman (1922-2000), de voddenboer uit Workum die een befaamd realistisch schilder werd en in 1986 een eigen museum kreeg – dat werd geopend door De Jonge, oud-inwoner van Workum en vriend van de eigenzinnige kunstenaar. De Jonge: “Dat is waar, al was Jopie een veel warmere man dan mijn Jonas, geen leugenaar, eerder een charmante fantast. Maar inderdaad, tegen de massale publiciteit en roem bleek Huisman niet opgewassen”.’ (Interview met Arjan Peters in de Volkskrant, 21 augustus 2004)

Deze roman ligt ook ten grondslag aan de vijfde aflevering van zijn theatermarathon De Vergrijzing. De hond van Jonas speelde van 28 september t/m 2 oktober 2004.

KRITIEKEN

‘De verteller van de nieuwe roman van Freek de Jonge is een komiek die zijn optredens alleen nog maar kan beschouwen als afleidingsmanoeuvres. “Ik leefde niet meer emotioneel, maar analytisch en moest over de meest verschrikkelijke dingen grappen kunnen maken. Anderen raken en zelf buiten schot blijven.” Het verdriet om het verlies van een drie maanden oud kind vindt geen uitweg; hij durft de confrontatie niet aan en zwijgt erover, ook tegen zijn vrouw.
Dat valt jaren vol te houden, zeker wanneer je een beroemde, hardwerkende komiek bent, die het liefst tegen vijfhonderd mensen aanpraat, maar in een gesprek onder vier ogen volkomen dichtklapt. De bekendheid en het daarmee verbonden gevoel niet werkelijk gekend te zijn, ook door jezelf niet, heeft De Jonge in deze roman gethematiseerd.’ (Tom van Deel in Trouw, 28 augustus 2004)

‘Het probleem van grote delen van dit boek is dat de ik-figuur een ijdel soort zelfreflectie vertoont dat moet doorgaan voor eerlijk en genadeloos, maar dat bij de lezer niets dan plaatsvervangende schaamte oproept. Niet dat een hoofdpersoon sympathiek moet zijn, maar De Jonge had er beter aan gedaan een verteller te creëren die de behaagzieke auteur zo nu en dan eens flink de waarheid zou zeggen.
Zeker de eerste hoofdstukken zijn hierdoor moeilijk te verteren. Zodra De Jonge zich concentreert op de levens van Jonas en Victor, maakt hij daarentegen veel goed. Prachtige, absurdistische scènes, scherpe observaties, bondige formuleringen.’ (Peter Swanborn in de Volkskrant, 27 augustus 2004)

PUBLICATIES

Tekst

Door de knieën. Eerste, tweede en derde druk 2004.

Geluid

Freek de Jonge leest Door de knieën. 4CD-luisterboek (2004).
Uit de flaptekst: In juni 2004 las Freek de Jonge zijn nieuwste boek integraal voor aan een klein publiek bij Uitgeverij Rubinstein. Op deze cd’s hoort u de live-registratie van deze sessie, zonder dat hierin is gemonteerd.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

1993 – Opa’s Wijsvinger

In de zomer van 1993 speelt Freek de Jonge op zomertheaterfestival De Parade. Hij is de grote publiekstrekker. Vier keer per avond vertelt hij in een propvol tentje in een half uur tijd de parabel Opa’s Wijsvinger. Opa is predikant. Die verliest bij het plaatsen van een mollenklem zijn wijsvinger. Hij ziet het als wraak van God op de dienaar die onvoldoende op Hem vertrouwt en zich dus groter waant dan God. Hoogmoed komt voor de val. Vanaf dat moment kan hij alleen nog maar met gebalde vuist naar de hemel wijzen. De drie vingerkootjes bewaart opa in een Hofnar-sigarenkistje. Na zijn dood moeten ze met zijn lichaam ter aarde worden besteld. Ze gaan over van opa op vader en van vader op zoon. De laatste is de verteller van het verhaal, dat ook nog een moraal heeft: ‘Wat is een komiek? Een dominee zonder wijsvinger!’
Ook in de roman staan hoogmoed en de val centraal. Opa’s Wijsvinger beschrijft de opkomst en ondergang van een satirisch goochelduo. Dat duo heet Opa’s Wijsvinger. Het brengt anarchistisch goochelwerk, maatschappij-kritische liederen en conferences. Het bestaat uit pianist-componist Johannes Huls en komiek-illusionist-schrijver-conferencier Arthur Roest. De eerste is de begeleider; de tweede is de man om wie alles draait: een arrogante betweter. Het duo heeft groot succes. Maar ook zij denken groter dan God te zijn. En dus komt de val en ze gaan uit elkaar. Als het verhaal begint, is het vijftien jaar later.
Eerst is er nog een proloog, die op zichzelf staat, maar alle motieven bevat die de roman verder uitwerkt. Die proloog handelt over de val (soms zelfs letterlijk), over wat je toevalt door het toeval, over wat je lot is. In de Tweede Wereldoorlog komt de ene man onbedoeld terecht op het onderduikadres van de andere man. Hij krijgt ook diens naam en dat leidt er uiteindelijk toe dat hij wordt opgepakt en in het concentratiekamp terechtkomt. De speling van het lot. ‘Waarom hebben ze, zoals bij mij, dan je naam niet veranderd?’, vraagt de gelukkige als ze elkaar, toevallig dus, in een overvolle trein ontmoeten. De ander antwoordt: ‘Mijn vader, die dominee was, zei altijd: “Als Kaïn Abel geheten zou hebben, dan zou Abel Kaïn hebben vermoord”.’ Ook in die trein wisselen ze van plaats. Als de trein plotseling moet remmen, krijgt de ongelukkige een zware koffer op zich en breekt zijn nek. En er gebeurt nog meer toevalligs rond het gegeven wat het betekent als de een de plaats van de ander inneemt. ‘De woorden “toeval” en “lot” en clichés als “voor hetzelfde geld” en “zo is het leven” klonken boven alles uit.’
Die proloog vormt dus de inleiding op een roman rond de pijnlijke herinneringen aan dat komische duo: twee mannen met een gecompliceerde band, maar wel tot elkaar veroordeeld. Johannes Huls is na het uiteenvallen van het duo afgezakt tot barpianist. Soms wordt hij nog herkend, maar dan toch vooral als de muzikale begeleider van de superieure Roest.
Ongeïnspireerd slijt Huls zijn riedeltjes in een verlopen restaurant. Hij woont bij een hospita, maar heeft last van haar verslaafde zoon. Daarom vlucht hij elke ochtend naar het buurtcafé, waar tweederangs kunstenaars elkaar ontmoeten. En op zijn kamer zit hij tussen opgestapelde oude kranten. Kranten vol nieuws over de maatschappelijke thema’s waarover zij zich op het podium zo hebben opgewonden uit idealisme, terwijl de generatie van nu maar één probleem heeft: luxe. Nog twee verklaringen voor de boektitel Opa’s Wijsvinger: ook Huls is zo’n man die vindt dat het in zijn tijd beter was en de schrijver zelf is oud en wijs geworden. Opa vertelt en wijst met zijn vinger – nou ja, gebalde vuist.
Huls verneemt dat Roest is opgenomen in een psychiatrische inrichting waar het stikt van de verknipte wereldverbeteraars. Hij begint aan het beschrijven van hun gezamenlijke carrière. Als hij het eerste deel af heeft, gaat hij naar de inrichting en hoopt dat Roest die memoires wil ruilen tegen de drie vingerkootjes van de opa van Huls. Het verhaal van die grootvader met die mollenklem was de succesconference van het duo. Er kwam wrevel, want het stond Huls niet aan dat Roest deed of het zijn eigen opa was om wie het verhaal draait. Roest heeft die kootjes van Huls te leen gekregen, omdat hij er iets mee wilde doen in een goocheltruc. En Huls kreeg ze niet terug.
Uiteindelijk zullen ze elkaar niet ontmoeten, ook al komt het heel dichtbij. Huls zakt nog verder af, gaat zwerven en amputeert uiteindelijk zelfs zijn eigen wijsvinger en brengt de kootjes ervan naar zijn grootvaders graf. Zodoende lost hij alsnog de wens van zijn grootvader in.
In de proloog ging het over de grote gevolgen die het kan hebben als de een de plaats inneemt van de ander. In werkelijkheid werd het probleem van Neerlands Hoop dat Bram Vermeulen tornde aan zijn rol van begeleider, niet alleen door zijn ambitie om behalve de muziek ook teksten te gaan schrijven, maar zeker ook door zich in het openbaar conferences van Freek de Jonge toe te eigenen. Hoogmoed die leidde tot de val.
Opa’s Wijsvinger is zeker een sleutelroman te noemen en in Huls herkennen we Bram Vermeulen en in Roest Freek de Jonge. Maar voor een literaire roman is dat niet voldoende. Daarom versleutelt Freek de Jonge de sleutelroman en laat Huls ook model staan voor zichzelf en beide personages vallen uiteindelijk zelfs samen. Met als een van de kernzinnen: ‘Er is maar weinig voor nodig om een ander te zijn, maar of je zo je lot kunt ontlopen, valt te betwijfelen.’

COULISSEN

Opa’s Wijsvinger draagt hij op aan Toon Hermans, die hij zijn Godfather noemt.

‘Vooraan in Opa’s Wijsvinger staat een citaat van Alan Bloom: “Uiteindelijk begint het erop te lijken dat volledige vrijheid alleen mogelijk is zonder kennis van goed en kwaad”.
“Ik heb het vaak over onschuld en het verliezen ervan. En ik denk dat de onschuldige mens niet op de hoogte is van goed en kwaad. Of hij denkt op een naïeve manier over moraliteit, in de zin van: te langen leste zal het goede wel overwinnen. In die zin is alleen de onschuldige vrij. Wie die onschuld is kwijtgeraakt, voelt een sterk heimwee naar die vroegere vrijheid. Maar hij kan ze niet meer bereiken, want het conflict tussen goed en kwaad – de moraliteit – ligt in de weg. Meestal wordt het zaakje opgelost door het goede opzij te zetten en het kwaad te laten triomferen. Zo bewerkstelligt de drang naar vrijheid eigenlijk het tegenovergestelde van waar hij op uit is. De heer, de meester, de baas, de hoofdredacteur, kan dan wel vrij zijn, maar dan zullen zijn ondergeschikten daarvoor moeten boeten. En omgekeerd: zijn de onderdanen vrij, dan is het de heer die boet.”
Het ligt in de genen van de mens dat hij zijn vrijheid, zijn geluk altijd moet veroveren ten koste van anderen. Je pakt wat je krijgen kunt.
“Het ligt in de genen, ja. Maar het ligt ook in het beperkte denkvermogen van de mens. In het Taoïsme speelt vrijheid nauwelijks een rol. Daar streeft men naar gelijkmoedigheid: je hoeft helemaal niks na te streven, geen vrijheid, geen geluk, geen rijkdom. Dat zijn allemaal termen die door iemand aan een schrijftafel bedacht zijn. Het zijn intellectuele termen, die wij mateloos overschatten. Ik bedoel: we zijn een bepaalde weg ingeslagen, maar we hadden duizend andere wegen kunnen inslaan. Maar eenmaal voor één weg gekozen, is er geen weg terug”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

Opa’s Wijsvinger’ kun je lezen als een versluierde biografie van je dagen bij Neerlands Hoop. Je schrijft: “Nog nooit heeft hij met iemand over de jaren van het duo kunnen spreken uit angst dat hij rancuneus zou klinken in de oren van wie hem verkeerd wilden verstaan. Hij had die periode toegedekt in de hoop dat de herinneringen zouden verstikken.” Maar die herinneringen zijn niet verstikt, anders zou je er niet over schrijven.
“Dat lijkt mij een goedkope psychologische interpretatie. Ik loop niet gebukt onder die periode, er zit niets onverwerkts achter. Het is absoluut voorbij. Ik loop niet de hele tijd gekweld rond, zo van: ik moet dit van mij af schrijven. Ik heb nooit vanuit rancune of bitsheid gewerkt, ook niet op het toneel. ’t Is een pure manifestatie van wat ik uit het leven oppik. (…)”
En toch: Opa’s Wijsvinger is één lange ontmaskering.
“Noem het: zelfrelativering. Ik leg mezelf niet op de pijnbank. Ik bedoel: de mensen hebben al die tijd een idee rondom mij opgebouwd en ik laat gewoon zien dat die idee aan alle kanten twijfelachtig is. Het leeft allemaal in het hoofd van de anderen, niet in het mijne”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

‘In je boek heb je het over: je steunt een project voor een schooltje in Ecuador, en als je ter plekke gaat kijken, blijkt met het geld een arena voor stierenvechten te zijn gebouwd.
(…) “Het is ons idee over goedheid en het is hun idee over goed besteed geld. In onze Bloed aan de Paal-tijd zetten wij hier in Nederland en België heel hoog in, maar onze Argentijnse medestrijders bekeken dat zaakje veel opportunistischer. Dat heeft mij toen ongelooflijk teleurgesteld.”
(Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

Freek de Jonge: ‘Zo langzamerhand weet ik dat de kracht van wat ik doe, ligt in het entertainment – amusant en op zijn best heel erg amusant, maar burgerlijk en gevaarloos. Dat is verslavend en tegelijkertijd ongelooflijk hinderlijk. Ik ben de enige die er beter van word en mijn publiek, om het maar zo te noemen, wordt op zijn wenken bediend. En dat pulkt toch al de lekkerste dingen uit de samenleving. Die groep kun je niets meer vertellen. Ze kennen alleen maar luxeproblemen, ja, net als ikzelf. Het is zelfs zover gekomen dat ik de indruk heb dat er geen andere problemen bestaan. Mensen die niet te eten hebben, hebben al die sores van ons althans niet. Die willen alleen maar eten. Dat besef bemoeilijkt mijn stellingname in het theater: waar moet ik het in godsnaam nog over hebben? (…)
Neerlands Hoop was een religie, we hadden een grote, meeslepende invloed op massa’s mensen. Die culmineerde in de Argentinië-actie – dat er geen voetbal gespeeld moest worden in een land dat zijn eigen burgers om zeep helpt, was bovendien van zichzelf al vanzelfsprekend. We hadden dus gelijk. Maar we kregen het niet. Dat is een keerpunt voor me geweest. We bereikten de toppen van ons succes toen ik zesentwintig was. Dat is een schrikbarende ervaring, carrière-technisch heb je geen enkel perspectief meer: wat moet je verder nog? Welnu, na die actie heb ik een antwoord opgedrongen gekregen. Ik was er rijp voor me bij de Baader-Meinhofgroep aan te melden. Ja, zonder meer. Geweld zag ik nog als enige oplossing, maar omdat ik – waarom weet ik niet – aan die conclusie geen consequenties heb verbonden, heb ik impliciet gekozen voor het cynisme. En voor gezeur. Vaststellen dat het oude Cuba niks was, maar dat het nieuwe Cuba ook niks is. Alles dus op zijn beloop laten, met behoud van gewetensnood. Niemand schiet daar wat mee op.’ (Interview met Pieter Kottmann voor NRC-Handelsblad, 10 december 1993)

In een interview voor het AVRO-programma Opium staat Freek de Jonge op 15 oktober 1993 uitvoerig stil bij het schrijfproces. Hij vertelt dat het onderwerp van de roman Opa’s Wijsvinger al lang op zijn weg lag. Maar hij heeft erover gezwegen ‘totdat Bram eindelijk zijn mond hield’. En hij heeft het verhaal lang bij zich gehouden om er met de goede afstand naar te kunnen kijken. Als hij er dan aan gaat werken en de band tussen Bram en hem ontleedt, blijft er van die band niet veel over, zo vertelt hij. Hij heeft dan al besloten het boek vanuit Bram te beschrijven en niet vanuit zichzelf. Want anders zouden nieuwe beschuldigingen van ijdelheid voor het oprapen liggen. En hij is zich er bij het schrijven steeds van bewust dat het vooral cabaretpubliek zal zijn dat zijn boek koopt. Hij tempert daarmee zijn eigen verwachtingen. Met zijn boek Neerlands Bloed heeft hij de literatuur immers niet aan zich weten te binden. Dat vindt hij jammer, zo zegt hij, want tegen romanciers kijkt hij op. Dit omdat zij, in tegenstelling tot theatermakers, geen concessies aan behaagzucht doen. Nou ja, de goede, oprechte schrijvers dan. Die stellen zich niet aan. Zo zitten ze niet in talkshows, want ze weten dat hun persoon niets toevoegt aan wat ze geschreven hebben. Voor hem ligt dat anders: hij zal altijd de cabaretier zijn, of hij nou in het theater staat of een boek schrijft of presenteert.

Van de andere kant, zo vertelt hij in datzelfde radio-interview, voelt hij zich wel de schrijver onder de cabaretiers. Wel wat anders dan Kees van Kooten en Youp van ’t Hek. Hij wil zich met zijn boeken afzetten tegen die twee ‘verstrooiers’ met hun ‘geschenkenreeks’-bundeltjes. Als er van zijn boeken zoveel verkocht zouden worden als van hen, zou hij zenuwachtig worden en denken dat hij niet diep genoeg gegaan is. Hij wil alleen maar op zoek zijn naar goede verstaanders. Zoals Neerlands Hoop dat ook was: dat je met elkaar de illusie had dat je samenzweerde tegen die verschrikkelijke maatschappij. Het gaat dus om de elite en niet om de massa, want die zal je verpletteren en vernietigen.

Freek de Jonge: ‘Ik vind wat daar aan proza uitkomt schandalig voor de pretenties die ze hebben. Met zijn leven en zijn maatschappijkritiek toont Youp veel pretenties. Dat geldt ook voor Kees. Youp heeft een programma gemaakt dat Alles of Nooit heette. En dan brengt hij dit soort boekjes op de markt? Dat is Niets en Nimmer. Als je de mensen aanvalt op hun plooirokken en hun ruiten broeken en je gooit alleen maar plooibroeken en ruiten rokken in de winkel, heb je geen recht van spreken meer. Ik wil hoger reiken.
Kijk, mijn publiek bestaat uit zo’n honderdvijftigduizend mensen. Van Neerlands Bloed zijn achtentwintigduizend exemplaren verkocht. Een groot deel van mijn publiek vindt het dus te zware kost. Daar moet ik blij om zijn. Die boekjes van Kees en Youp zitten in de geschenkenreeks. Het zijn cadeautjes. Zoals je iemand een asbak of een bloemetje geeft, geef je een boekje van Youp. Het wordt ook helemaal niet gelezen. Volgens mij wordt het niet eens uitgepakt; het circuleert in die kringen.’ (Interview in het radioprogramma Opium, 15 oktober 1993)

‘Ik citeer even uit Opa’s Wijsvinger: “We doken direct na de voorstelling, als gebruikelijk in die tijd, met een aantrekkelijke jongedame de stad in.” Er gebeurde blijkbaar wat in die Neerlands Hoop-dagen. Iets wat later heeft bijgedragen tot de breuk met Bram. Ik vermoed dat jij ’m wel eens de les spelde over zijn amoureuze escapades. (…) Je stond daar hypocriet met het vingertje omhoog.
“Absoluut. En dan rest tenslotte niets anders dan: weggaan. (…) Zolang ik net zo wellustig ben als jij of hypocriet of wat dan ook, kunnen we prima met elkaar opschieten. Zodra dat evenwicht verstoord is, klapt de boel in mekaar. Je kunt dat moralistisch noemen, maar het is gewoon een kwestie van: ’t is niet meer te delen”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

‘Je schrijft: “Opa’s Wijsvinger, dat was toch alleen maar Roest.” Vrij vertaald: Neerlands Hoop, dat was toch alleen maar Freek. En zo wás het ook. Maar ’t klinkt wel hard.
“’t Was inderdaad zo. Dat is weer die wreedheid die in het boek z’n hoogtepunt bereikt als de man in de spots zijn begeleider totaal op zijn plaats zet. In werkelijkheid is zoiets nooit met Neerlands Hoop gebeurd, maar ’t was wel latent aanwezig, die behoefte”.’ (Interview met Wilfried Hendrickx voor Humo, 11 november 1993)

KRITIEKEN

‘De proloog maakt al duidelijk dat De Jonge niet zomaar een autobiografisch verhaal heeft willen vertellen, maar langs de weg van de roman iets ongedefinieerds, iets ingewikkelds heeft beoogd. Wat dat is, is ter interpretatie aan de lezer. Laat ik voorop stellen dat De Jonge voldoende verbale kwaliteiten heeft om zo’n verhaal niet saai te maken. Bovendien heeft hij van Opa’s Wijsvinger (…) op onnavolgbare wijze een reeks schakels gemaakt die ten slotte ook een soort “ontknoping” mogelijk maakt. Ingewikkeld genoeg dus en ook wel inventief.’
(Willem Kuipers in de Volkskrant, 19 november 1993)

‘Het is alsof de auteur een literaire verdwijntruc heeft willen uitvoeren. Alsof hij de autobiografische kern van de roman – de geschiedenis van het legendarische Neerlands Hoop – heeft willen laten verdwijnen in een moeras van bijverhaaltjes.
Dat heeft de roman geen goed gedaan. Te veel ruimte wordt nu in beslag genomen door de omzwervingen van Huls en diens pogingen om het verleden en de confrontatie met Roest uit de weg te gaan. (…) Pas naarmate de confrontatie dichterbij komt en Huls’ herinneringen aan “die periode” dwingender worden, ontstaat er iets van een lading. Dan krijg je een intrigerend beeld van de (psychologische) geschiedenis van de ondergang van Huls en Roest, Bram en Freek. In het gepaste bredere kader. Uiteindelijk kan de lezer De Jonge, een van die twee ontgoochelde goochelaars, dus in de ogen kijken.’ (Gertjan van Schoonhoven in NRC-Handelsblad, 19 november 1993)

PUBLICATIES

Opa’s Wijsvinger (1993).

Heruitgave (1995 en 1998).

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

1991 – Neerlands Bloed

Op woensdag 15 mei 1991 gaat Freek de Jonge zijn te verschijnen roman Neerlands Bloed in zijn geheel voorlezen. Daarvoor heeft hij de kleine zaal van het Amsterdamse Concertgebouw afgehuurd. Hij rekent erop dat er van zijn tweehonderdduizend fans zo’n vierhonderd zullen zijn die het er voor over hebben 175 gulden te betalen om, weliswaar met lunch en diner, vanaf tien uur ’s morgens ruim twaalf uur achtereen naar hem te komen luisteren. Met vierhonderd keer dat entreebedrag haalt hij dan zo’n zeventigduizend gulden op voor de Nijmeegse Blindenbibliotheek Le Sage ten Broek. De keuze voor dit goede doel komt voort uit het feit dat zijn eigen moeder inmiddels slechtziend is en daarmee voor haar leesplezier afhankelijk is geworden van de gesproken-boekuitgaven van deze organisatie.
Vierhonderd betalende bezoekers is dus waarop hij hoopt, maar er komen er maar… twintig. Reden om met hen en nog zo’n dertig genodigden, onder wie de leiding van de blindenbibliotheek en journalisten, te verhuizen naar een kleinere ruimte. Le Sage ten Broek zal hij, zo belooft hij, in elk geval ook de geluidsopname van deze dag schenken.

September 1990 vertrekt Freek de Jonge naar Noord-Amerika om daar te gaan optreden. Maar na twee weken wordt hij ziek. Begin oktober ondergaat hij in Toronto een buikoperatie en kort daarna keert hij terug naar Nederland. Daar schrijft hij, in de laatste vijf weken van het jaar, de eerste versie van de roman Neerlands Bloed. Het idee ervoor ontstaat als Hella en hij in januari 1989 Indonesië en Japan bezoeken. Ze zijn in ­Hiroshima op de dag dat Hirohito, de keizer van Japan, begraven wordt. Hirohito is het symbool van de Japanse wreedheden in Nederlands-Indië en dus ook van betekenis voor Nederland: land van onderdrukten en onderdrukkers.

Neerlands Bloed gaat over het volwassen worden van de Zeeuwse jongen Wouter Pieterse. Het boek begint en eindigt in Japan. Als Wouter twintig jaar oud is, demonstreert hij daar op de dag van de begrafenis van keizer Hirohito. Met de daad lost hij een belofte in die hij tien jaar eerder heeft gedaan aan het sterfbed van zijn buurman: dokter Havelaar. Wouter is de zoon van een leraar Nederlands op het Christelijk Lyceum Goes. Buurjongen Max is de zoon van deze dokter Havelaar; de moeder van Max is op Java vermoord door rebellen. Max is een veelbelovende voetballer, een van de redenen waarom Wouter hem bewondert. Pas in Hiroshima realiseert Wouter zich dat zijn leven tot dan toe in het teken heeft gestaan van heldenverering en dat hij zich nu pas bevrijd voelt.
Wouter kijkt niet alleen op tegen zijn buurjongen, ook spiegelt hij zich graag aan Kees de jongen. Hij is, net als de hoofdpersoon in het boek van Theo Thijssen, een puber met een rijke fantasie. Hij kijkt met afstand naar de grotemensenwereld en stort zich er niet hardhandig in, zoals Max, maar laat zich er stukje bij beetje in opnemen. Niet alleen de verwijzing naar Theo Thijssen, maar ook de keuze van de auteur voor namen als Wouter Pieterse en Max Havelaar heeft natuurlijk betekenis, zoals ook het feit dat het motto van de dichter Gerrit Achterberg is rechtstreeks verwijst naar de literatuurgeschiedenis. Zo doet de wijze waarop de vader van Wouter om het leven komt, denken aan een dodelijk ongeluk waarbij Achterberg betrokken was. Vader Pieterse werkte overigens aan een dissertatie over Achterberg, maar dan blijkt dat die jarenlange vermeend noeste arbeid slechts twee velletjes met notities heeft opgeleverd. Op zijn dood is de slechte relatie met zijn leerlingen in het algemeen en met Max in het bijzonder van invloed. Pieterse kan geen orde houden, terwijl Max steeds onhandelbaarder is geworden nadat hij zijn been heeft gebroken tijdens een voetbalwedstrijd.
Het eerste en het zevende hoofdstuk – Hiroshima en Kyoto – spelen zich af in Japan. Het tweede en zesde hoofdstuk gaan over Max en zijn vader. Het derde en vijfde over Wouter en zijn ouders. Binnen deze symmetrische structuur vormt het vierde hoofdstuk dus het midden. Het heet Neerlands Bloed en is het hart van het boek. Dat hoofdstuk gaat over een Nederlandse man in een Jappenkamp. Hij heeft de mogelijkheid te ontsnappen, maar hij doet het niet. Met die keuze redt hij uiteindelijk de levens van zijn medegevangenen.
Freek de Jonge, in een interview in HP/De Tijd (17 mei 1991): ‘Ware vrijheid bestaat alleen in je hoofd. (…) Ware vrijheid is: geen keuzes hoeven maken, de gelukzaligheid van ademhalen. Voor de gewone sterveling is dat niet te doen, voor mystici wel. Zo’n staat van opperste vrijheid heb ik niet bereikt. Daar ben ik ook niet op uit. Ik ben nog sterk bezig mijn ego gestalte te geven en daar is niets op tegen, lijkt me. Dat is wat ik in dit leven moet doen.’
Net als in zijn theatervoorstellingen staat in dit boek de vrijheid van denken centraal. Mensen offeren zich op voor hun idealen en gaan dood. Anderen vluchten in fantasie, worden gek en hebben ook grote kans het met de eigen of andermans dood te moeten bekopen. Door zich de vragen te stellen of de mens vrij is of geketend en of in het leven alles is voorbeschikt of door toeval wordt bepaald, lukt het Wouter in elk geval de vrijheid te vinden om met zichzelf in het reine te komen.

‘En, weet je al wie ik ben?’
‘Wouter en Kees natuurlijk’, antwoordt ze lachend.
Ik laat de tijd de ruimte en vraag, maar nu niet langer om te weten wie ik ben: ‘Wie ben jij?’

 

COULISSEN

‘Voor het duurbetaalde toegangsbewijs werden ook lunch en diner geserveerd. De meeste luisteraars vonden de hoofdstukken spannend en humoristisch genoeg om niet te gaan knikkebollen. Er werd zelfs gelachen alsof het een gewone voorstelling van Freek de Jonge was.
Bovendien was het voor die twintig fans een uitstekende gelegenheid om hun held eens in een wat intiemere sfeer te ontmoeten. Tijdens de pauzes verdween hij niet in zijn kleedkamer, maar begeleidde hij de groep zelfs naar de lunchruimte, waar desgewenst iedereen bij hem kon aanschuiven.’
(Xandra van Gelder en Arno Haijtema in de Volkskrant, 16 mei 1991)
‘Van de showbusiness heeft Freek de Jonge – na enige eerdere aankondigingen – voorlopig afscheid genomen. Zeer tot ongenoegen van iemand als Jacques Klöters, zelf cabaretier, die vorig jaar in Vrij Nederland schreef: “Altijd zal Freek terugkeren naar het theater, omdat hij daar briljant is en ergens anders verdienstelijk. (…) Als komiek had Freek weinig concurrentie. Als serieus denker wel.”
“Ik ben geen geboren schrijver, ik ben een geboren performer”, geeft De Jonge toe. “Maar het nadeel van het theater is dat niets vast ligt, dat alles wat je doet aan verandering onderhevig is. Ik improviseerde altijd veel. (…) Dat hou je niet altijd vol. Er komt een moment dat je meer wilt vastleggen. Dat heeft iets met angst te maken, het gevoel het je niet te kunnen permitteren met iets slechts te komen. Naarmate je meer gearriveerd raakt, wordt die angst groter. Bij mijn laatste show, De Volgende, heb ik voor het eerst getracht teksten uit mijn hoofd te leren en die een paar maanden lang ongewijzigd te laten. Een soort lafheid eigenlijk. Maar het is meer dan dat. De behoefte werd steeds groter iets te maken wat in één keer staat, dat onveranderlijk is. Dan is de overgang naar de literatuur een logische stap. Je verliest een hoop spontaniteit en leukigheid en je wint – hopelijk – aan zeggingskracht”.’
‘Wat het theater betreft: daar was de fut een beetje uit. Nog steeds. “Ik reed laatst langs de Amstel op het moment dat Carré leegstroomde: mensen die naar Les Misérables waren geweest. Dan krijg ik niet onmiddellijk de behoefte zelf weer in Carré te gaan staan. Wim Sonneveld had een legendarische hekel aan zijn publiek – zo wil ik niet worden. Ik wil geen hekel krijgen aan die mensen. Maar als ik kijk wat er de laatste tijd wordt geboren aan cabaret, dan krijg ik daar een vreselijke weerzin tegen – zo flauw en kinderachtig allemaal. Dat geldt ook voor mijn eigen shows. Als ik ze terugzie, vind ik ze vaak nog wel goed, maar niet zo goed als ik ook heb gedacht dat ze waren. Met Neerlands Hoop heb ik dat nog sterker. Als ik die programma’s weer zie, denk ik: mijn god, wat een overschatting.’
“Ik weet niet of ik weer terugkeer op toneel. En als ik terugkeer, wil ik de grappen ondergeschikter gaan maken aan het geheel. Ik wil niet meer onder die druk staan van het publiek te behagen. Dat is het prettige van een roman: je bent niet gebonden aan humor, hoewel ik het niet kon laten er iets van slapstick in te verwerken. Maar je bent niet gebonden aan een bepaalde lach-frequentie. Lachen is een overgewaardeerde emotie, vooral in een zaak. De mensen grijpen alles aan om in lachen te kunnen uitbarsten.”
‘Binnenkort verschijnen de eerste recensies van Neerlands Bloed. Maakt de schrijver zich zorgen? “Nee, daar ben ik heel open en nuchter in, al ben ik natuurlijk benieuwd wat men ervan vindt. Ach, je bent altijd boos over een slechte recensie, omdat je vindt dat het niet goed begrepen is of verkeerd uitgelegd. Maar een goede kritiek leg ik eerder terzijde dan een slechte, daar denk ik minder lang over na. (…) Mijn probleem is dat ik debuteer met een achtergrond. Iedereen heeft al een mening of een verwachting. Aan de andere kant is het ook een voordeel. Ik hoef geen aantrekkelijke jonge vrouw te zijn om op te vallen met mijn eerste roman.”’ (Bovenstaande citaten komen uit een interview met Bert Bukman voor HP/De Tijd, 17 mei 1991)

KRITIEK

‘De angst moet er bij Freek de Jonge flink ingezeten hebben om als romanschrijver niet voor vol te worden aangezien. In het laatste hoofdstuk van zijn eerste roman neemt hij alvast stelling tegen de kritiek die vast en zeker gaat verminken en verhaspelen wat zo zorgvuldig is “gekoesterd, verbeterd, aangedikt en afgezwakt”. “Niet serieus genomen te worden, dat was toch het allerhoogste wat men in die kringen kon bereiken”, zo klinkt het wat bitter. Deze angst voor onbegrip en laatdunkende reacties is wel begrijpelijk. De ondertoon van Neerlands Bloed is hier en daar onmiskenbaar cabaretesk, zoals ook de titel verwijst naar De Jonge’s cabareteske verleden met Neerlands Hoop. (…) Ook in zijn taalgebruik is veel podium terug te vinden. Zijn formuleringen zijn eerder puntig dan mooi en lijken meer afgestemd op een luisteraar dan op een lezer: veel korte zinnen, afgebeten dialoogjes, veel vraag- en uitroeptekens en van tijd tot tijd een schuine opmerking.
De stijl is mij te kortademig en te springerig, maar de strakke compositie van de roman vergoedt veel. Daaruit blijkt dat De Jonge in staat is tot het spannen van een ruime en aantrekkelijke literaire boog. Neerlands Bloed is bijna volmaakt symmetrisch. Het eerste hoofdstuk correspondeert met het zevende, het tweede met het zesde, het derde met het vijfde. Het vierde, het titelhoofdstuk, vormt het middelpunt van de roman en valt ook goed apart te lezen. Een mooi en ingetogen verhaal is het, dat zich afspeelt in een interneringskamp nabij Bandung, enkele maanden voor de bevrijding. Het gaat hier niet om individuele lotgevallen, maar om een zaak van algemeen belang. De Jonge maakt namelijk aannemelijk dat het een mens niet is gegeven om te weten wat vrijheid is. Toch doen bijna al zijn figuren verwoede, maar vergeefse pogingen te ontsnappen. Een steeds terugkerend beeld is het gat: een steeds net te krappe opening (een wc-raampje, een gat in de schutting) waarin de vluchters blijven steken, met spartelende armen en benen. Soms breekt iemand daarbij doormidden. De enkeling die er wel in slaagt om zich door zo’n gat te wurmen, heeft aan zijn aldus verworven vrijheid niet veel, want hij is dan meteen ten dode opgeschreven. Vrijheid, verdraagt zich niet met het leven – dat is wat deze martelaar aan de achterblijvers duidelijk maakt.
Het is niet te gewaagd om in dit gat bovendien in Freudiaanse zin een vagina te herkennen: een even lokkende als angstwekkende vagina, die de mens ertoe probeert te verleiden voorgoed terug te keren naar de moederschoot. De mens is in deze roman dan ook van het mannelijk geslacht. Vooral is hij een jongen, een Nederlandse jongen, hevig tobbend met zijn seksuele driften. (…)
Neerlands Bloed is een zeer existentiële roman. Gelukkig is hij niet alleen zwaarwichtig, maar ook nogal geestig. Je zou eruit kunnen leren hoe je moet leven, maar misschien nog beter hoe je niet moet leven. Op het eerste gezicht gaapt er een kloof tussen het minieme jongensleven van Wouter of Kees en de grote boze wereld van interneringskampen en Hiroshima. Ongeveer het verschil tussen een bloedneus en een geweldig bloedbad.’ (Janet Luis in NRC/Handelsblad, 24 mei 1991)

 

PUBLICATIES

Freek de Jonge: Neerlands Bloed.
Eerste druk (gebonden) (1991)
Tweede druk (paperback) (1992)
Derde druk (paperback) (1993)
Heruitgave (1994)
Nieuwe heruitgave (1998)

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]

1987 – Zaansch Veem

‘Freek de Jonge schreef dit boek in opdracht van het gemeentebestuur van Zaanstad, ter gelegenheid van de afronding van de plannen ter reconstructie en verfraaiing van de binnenstad van Zaandam’, zo meldt het colofon. Zaansch Veem verschijnt begin november 1987 in een gebonden uitgave voor de gemeente Zaanstad en in een paperback als handelseditie.

Aanvankelijk is het de bedoeling van Freek de Jonge een klein boekje van zo’n 35 pagina’s te maken met zijn Zaanse herinneringen aan halverwege de jaren vijftig – hij was toen tien jaar. Maar als zijn uitgeverij, De Harmonie, het boek groter ziet groeien, spoort men hem aan zich niet langer te richten op zo’n kleine bibliofiele uitgave, maar op zijn literaire debuut als romancier.

Zaansch Veem heeft overduidelijk een autobiografisch karakter. Bijzonder sfeervol, met zeer veel oog voor detail en met talloze terzijdes, waarin de stijl en de humor van de cabaretier Freek de Jonge doorklinken, beschrijft het boek de jaren van het domineesgezin De Jonge in Zaandam, nadat het eerder in Workum heeft gewoond. Freek, die zich identificeert met zijn zachtmoedige vader, wil later ook dominee worden. Hij kwijt zich nu al van zijn hogere taken door elke zaterdag te collecteren voor de nieuwe kerk: de Paaskerk. Brandweerman lijkt hem een goede tweede keus, maar die laat hij vallen als hij twee Zaanse pakhuizen van de firma NV Zaansch Veem ziet afbranden, waarbij een brandweerman om het leven komt. Verder is hij een kind zoals wij ons de kindertijd graag herinneren: onbezorgd en ondernemend, speels en sportief.

Als de Paaskerk bijna voltooid is, heeft zijn vader met dominee Van Petegem een bespreking over de inwijding van de kerk, twee dagen later. Freek loopt naar binnen om te zien wat hij met zijn inzameling tot stand heeft gebracht:

Ik ging op een hoekje van een van de lange banken zitten wachten. (…) Er kwam iemand de trap op gestommeld. Ik keek om en zag een man in een witte overall. Hij had een bril op, zwart achterover gekamd haar en een ruige snor. Ik herkende hem onmiddellijk van de foto uit de Typhoon, Karel Appel! Mijn hart begon te bonken. Een echte kunstenaar, zo vlakbij.(…) Karel Appel liep naar de muur achter de avondmaalstafel. Hij zette de grote bus verf die hij had meegebracht op de grond, wipte het deksel eraf en doopte er een dikke kwast in, die meer van een gewone huisschilderskwast had dan van een fijn penseel. (…) Ik dook weg onder de bank. De kunstenaar had mij niet opgemerkt en ik wilde hem op dit belangrijke moment van concentratie niet storen met mijn aanwezigheid. Mijn huig wipte op en neer in mijn keel. Karel Appel ging de bijbeltekst op de muur schilderen en ik zou daar, als enige, bij aanwezig zijn. Sierlijk, zelfverzekerd zou zijn geoefende hand de woorden uit de Heilige Schrift omtoveren tot tekens aan de wand. (…)

De kwast ging iets te diep in de verfpot en een poging om ermee bij de witte muur te komen zonder vlekken op de vloer te maken mislukte. Snel bracht Karel Appel de lekkende kwast terug boven de pot. (…) Tot nu toe zag het er allemaal nog een beetje onbeholpen uit, maar daar zou weldra verandering in komen, was mijn vaste overtuiging. (…) Meneer Appel streek de kwast aan de rand van de verfpot af, hield zijn hand eronder om lekken te voorkomen, beklom het trapje dat tegen de muur stond en schreef: DE GAN

De verf van de N zakte in een dun lijntje naar beneden. Appel ving het met zijn kwast op en maakte er een stip van. Ik begreep uit dit geworstel dat het met een kwast verf tegen een staande muur oneindig veel moeilijker schrijven was dan met een kroontjespen op lijntjespapier dat plat voor je neus lag. Maar hij was kunstenaar en hoe kon ik dat ooit worden? Appel kwam nu zichtbaar over een dood punt heen.

DE GANSE SCHEPPING WACHT stond er opeens. De ganse schepping wacht, daar hoorde ik óók bij. Waar wachtten wij op? MET REIKHALZEND VERLANGEN
De snelheid waarmee hij schilderde was nu adembenemend. Appel wekte de indruk dat het hem niets meer kon schelen of het wel of niet netjes was. Hier was méér aan de hand dan de juffrouw of de meester behagen, begreep ik uit de woestheid waarmee Karel de kwast indoopte en de verf als het ware tegen het witte stucwerk kwakte. Mooi gelijkmatig waren de letters geenszins. Hoofdletters midden in de zin en stippen om vlekken op te vangen. Hij hield zich ook niet aan regels.

Ik vroeg mij af of hij wellicht eerst een schets opzette, maar verwierp dat idee meteen. Dit was echte verf, die kreeg je nooit meer weg of je moest de hele muur opnieuw stuken. Nee, ik was hier getuige van de oerdrift van een artiest, die als medium tussen materie en mysterie, als mens oploste en uitsteeg boven de regels van mooi en lelijk. (…)
Niemand anders dan God had de wereld kunnen maken zoals hij was, zo zag Hij het. Mooi of lelijk, daar stond God boven, dat kon je er zelf van maken. Daar had vader gelijk in. Alles leek mij volstrekt duidelijk. Ik nam mij in het diepste geheim plechtig voor kunstenaar te worden, terwijl Karel Appel struikelde over de lege verfbus, die hij onder het slaken van een vloek in de hoek van de preekstoel trapte.

Ik probeerde te gaan staan. Mijn rechterbeen sliep, waardoor ik er doorheen zakte. Ik greep me aan de bank vast. De kunstenaar hoorde mijn gestommel, keek om en kwam naar mij toe gelopen. Ik bleef rustig en voelde me niet betrapt, wat normaal zou zijn geweest als je grote mensen bespied had. We zouden immers weldra collega’s zijn. Hij legde zijn met verf besmeurde hand op mijn rechterschouder en maakte daarmee een zwarte vlek op mijn trui. Geen punt. Ik zou moeder alles uit kunnen leggen. Ik zou haar adviseren de trui niet meer te wassen maar weg te leggen in een kast voor later of hem meteen in te laten lijsten.
‘Wat staat daar, maatje?’, vroeg de kunstenaar op luide toon en met een aanstekelijk Amsterdams accent. Ik las hardop: ‘De ganse schepping wacht met reikhalzend verlangen op het openbaar worden der zonen Gods.’ Mijn voordracht luchtte de schilder zichtbaar op. ‘Mooi, het is dus te lezen,’ zei hij en voegde eraan toe: ‘ach joh, ik rotzooi maar wat an!’
Hij liet mijn schouder los en ik bleef in verwondering alleen achter. ‘Ik rotzooi maar wat an’, galmde het na in mijn hoofd.(…) Het klonk als een vloek, maar tegelijk als een Geuzenleus. Het leek wel een geloofsbelijdenis. Zoiets als: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’, wat Luther gezegd had toen hij zich moest verantwoorden voor zijn hervormingen.
Luther was een van mijn helden. Als ik dominee was geworden, had ik zeker een paar hervormingen doorgevoerd, maar nu werd ik kunstenaar. Opgelucht dat ik me over de toekomst geen zorgen meer hoefde te maken, liep ik naar de muur toe en rook aan de verf. (…) Ik nam de vette kwast van de grond en imiteerde op een halve meter van de muur de kunstschilder, dansend langs de muur met de kwast als een degen vooruitgestoken. Heel voorzichtig drukte ik de plakkerige dot haar van de kwast op de punt achter GODS en stak mijn linkerarm in de lucht. Daar stond ik, gestold, als een toreador die zojuist de stier de genadestoot heeft gegeven. Het speet mij dat ik Karel Appel niet gevraagd had zijn leerling te mogen worden. Leerlingen van Rembrandt hadden het ook tot een straatnaam geschopt. Niet alles zou hij me hoeven leren. Slordig schrijven kon ik al.

Als hij met de kwast in zijn hand betrapt wordt door zijn vader en dominee Van Petegem, begrijpt Freek de Jonge uit de reactie van de laatste dat die Appels recentste schepping een schandaal vindt. En als de Paaskerk op zondag geopend wordt, ziet hij dat de tekst verdwenen is:

Ik had het gevoel dat mijn adem afgesneden werd. Er was iets vreselijks gebeurd! (…) Hijgend stond ik boven aan de trap, draaide me om en zag een witte muur. Ik wist het al bij de laatste drie treden. Iemand had de tekst overgeschilderd met witte verf. Er was geen spat meer van te zien. In één klap had men uitgewist wat er die vrijdagmiddag gebeurd was. Ik schreeuwde zo hard als ik kon: ‘Ik rotzooi maar wat an!’(…)

Dit was verraad! Dit was heiligschennis! Je kon de schepping toch ook niet zomaar uitpoetsen. Je had het er maar mee te doen. Ik stormde de trap af. (…) Woedend van onmacht rende ik nog een keer de trap op met een licht gekoesterde hoop dat het een bange droom geweest was, een omgekeerde luchtspiegeling, een teken Gods. Maar terwijl ik me tussen de koorleden die naar beneden liepen door wrong, besefte ik dat me iets dierbaars ontnomen was.
‘Waarom hebben ze dat gedaan?’, vroeg ik wijzend op de witte muur aan de organist, die als laatste de balkontrap af kwam die naar het orgel leidde. ‘Ze vonden het niet zo mooi, geloof ik.’ Deze zin suisde na in mijn verdoofde denken. Vooral die laatste twee woorden: ‘Geloof ik…’

Wekelijks heeft hij, gelovig en gedienstig als hij graag wil zijn, geholpen de kerk tot stand te brengen. Nu rent hij ervan weg omdat het voelt of zijn idealen zijn vernietigd. Er is niets veranderd, dit land en het water zijn nog altijd even mooi, maar hij is definitief veranderd. Hij zal geen dominee worden, maar kunstenaar. Dit beschermende milieu kan hem daartegen niet meer beschermen.

COULISSEN

De werktitel van Zaansch Veem is Reikhalzend Verlangen. Die titel gebruikt hij in september 2004 voor een lied in zijn theaterserie De Vergrijzing. In 2010 verschijnt het op de CD Van A naar Z.

KRITIEKEN

‘Cabaretier Freek de Jonge was toen hij in Zaandam opgroeide voornamelijk braaf. Iedere zaterdag collecteerde hij voor de nieuw te bouwen hervormde Paaskerk. Als hij al iets zondigs deed, zoals stiekem naar de film gaan met een vriendje, dan laste hij een extra collecte in om zijn geweten te sussen. Verder hield hij van voetballen, had een grote angst voor de a-socialen van het Blauwe Pad en vond – als zoon van een hervormd predikant – gereformeerden, katholieken en heidenen soms aardig, maar vooral onbetrouwbaar. Zo op het oog niet een jeugd om een spannend of geestig boek over te schrijven. Toch voldoet Zaansch Veem, Freeks “literaire debuut” ruimschoots aan deze karakteristieken. (…)
In Zaansch Veem (…) daalt Freek af naar zijn jonge jaren en beschrijft de wereld met de verbazing die hij toen gehad moet hebben. Freek de Jonge blijkt dan veel te lijken op Kees de jongen uit het gelijknamige boek van Theo Thijssen. Ook hij droomt ervan verborgen talenten te hebben – die natuurlijk worden ontdekt. En ook Freek verricht in zijn fantasie de meest stoutmoedige heldendaden.

De Paaskerk (…) speelt een belangrijke rol in het boek. Vlak voor de kerk wordt geopend ziet de jonge Freek (…) hoe de schilder Karel Appel (…) een bijpassende tekst op de witte muur van de kerk schildert. (…) Groot is (…) zijn boosheid als later blijkt dat dominee Van Petegem (…) de slordig geschreven tekst heeft laten overschilderen. Die boosheid is dertig jaar gebleven, zo zei Freek in Zaanstad bij de presentatie van zijn boek – dat hij dan ook eerst Reikhalzend verlangen had willen noemen. Freek pleitte ervoor alsnog Appels zinnen in ere te herstellen. “Kunst is niets anders dan het verhaal wat er omheen is gegroeid. Alleen dat rechtvaardigt het al om die tekst weer tevoorschijn te halen”.’ (Marnix de Bruyne in NRC-Handelsblad, 15 januari 1988)

‘…Uiteindelijk is daar dit boek uit tevoorschijn gekomen, wat voor de lokale bevolking een feest van naamherkenning is: winkelnamen, straten, scholen, kerken en pakhuizen – bij iemand die Zaandam kent klingelt er bij iedere naam een feestelijk belletje. (…) Zo roept De Jonge tegelijk met het Zaandam van de jaren vijftig een kinderwereld op die trekken vertoont van elke kinderwereld. De ongeveer tienjarige Freek groeit op in een beschermd milieu. Zijn vader is dominee, zijn moeder is moeder. Dat wil zeggen: ze is alleen maar zijn moeder, niet meer maar zeker ook niet minder. Aan haar dagelijkse beslommeringen om rond te komen met het karige huishoudgeld heeft ze haar handen vol, maar voor haar kinderen staat ze altijd klaar met de vanzelfsprekendheid die nodig is om later zo’n liefdevol beeld te scheppen als De Jonge hier van haar geeft. Wanneer hij bij een vriendje thuis een colavlek op het tapijt maakt en de moeder van het vriendje boos wordt – en blijft – loopt hij verdrietig en bang de kamer uit en gaat op de trap zitten:
Moeder was me allang komen troosten, maar wij hadden dan ook zeil op de vloer. Ze was eerst wel boos geworden, natuurlijk, omdat ze moeder was… Maar als je eenmaal huilde, won haar liefde het van haar woede en kwam ze je tranen afvegen en haar arm om je heen slaan. Dan voelde je je gelukkiger dan voor het ongelukje. Je probeerde het huilen nog wat te rekken. Dat lukte meestal niet meer en met een paar diepe zuchten was alles weer voorbij. Vergeven en vergeten.
Ook zijn vader speelt een belangrijke rol in zijn leven, al was het alleen maar omdat Freek later eveneens dominee wil worden. Dan kun je op doordeweekse dagen uitslapen en mag je met belangrijke mensen praten alsof dat de normaalste zaak van de wereld is – aan de hoofdcommandant van de B.B. vragen: “Nog een koekje, Kees?” bijvoorbeeld. (…)

De identificatie met onbereikbaar dichtbije mensen of zaken speelt het hele boek door een belangrijke rol en roept overtuigend het romantische ideaal op van een tienjarige jongen die in zijn veilige beslotenheid droomt van een groots en meeslepend leven. Typerend voor die instelling is de overdrijving van de werkelijkheid tot mondiale proporties: een leuke oom is meteen “de leukste oom van de wereld”, de vader van een vriendje is “de rijkste man van de wereld”, een brave hond is “de liefste hond van de wereld”.

Wie klein leeft moet in het groot denken om er iets van te maken. Er is weinig voor nodig om de dromerijen van de kleine Grote Held op gang te brengen. In zijn fantasie bevaart hij de wereldzeeën, net als zijn neef Fred, de aardigste neef van de wereld; hij redt tientallen mensen uit een in het water gereden trein; een voetbalwedstrijdje krijgt het volume van een wereldkampioenschap. (…)

Door zijn identificatie met de kunstenaar Appel – als die even weg is pakt Freek de kwast en bootst de schilderbewegingen na – krijgt hij bijna de schuld van de door dominee Van Petegem verafschuwde letters op de muur. Maar de woede van Freek breekt pas los wanneer hij later ontdekt dat die muurtekst gewoonweg verdwenen is onder een laag witte verf. En met die woede begint zijn twijfel aan het geloof. Hij rent de kerk uit voordat de openingsmis begint, hij wil met dat “verminkte gebouw” niets meer te maken hebben.

Op zijn eenzame tocht naar de pont dienen zich nu de tekens aan van het nieuwe: hij hoort de laatste plaat van Fats Domino; aan lelijke Henkie, die hij altijd schuwde, vraagt hij voor het eerst een sigaret; de boten in de havens nodigen uit om weg te lopen van huis; hij stapt op de pont die de scheidslijn tussen Zaandam en Amsterdam overbrugt en hij gooit zijn altijd zorgvuldig gekoesterde coladopjes in het water. En tenslotte steekt hij de sigaret aan met een doosje lucifers dat hij zonder blikken of blozen aan een Blauwpadder heeft gevraagd. Zaandam en het geloof zijn vanaf nu te klein voor Freek.

Zaansch Veem is niet in een schets blijven steken. Het boek houdt het midden tussen een novelle en een roman waarin langzaam maar zeker wordt toegewerkt naar een dubbele of zelfs driedubbele climax: het doorbrekende besef voor kunstenaar geboren te zijn, de breuk met het geloof en, in de werkelijk ontroerende slotscène na de vlucht uit het kerkgebouw, het afscheid van zijn kindertijd en het inzicht dat een nieuwe levensfase begonnen is. Dat is de mooiste slotscène van de wereld.’ (Koos Hageraats in De Tijd, 11 december 1987)

PUBLICATIES

Gebonden editie voor gemeente Zaanstad (1987).

Paperback. Eerste t/m derde druk (1987), vierde t/m zesde druk (1988), zevende en achtste druk (1989), negende druk (1990), tiende druk (1991) en elfde druk (1994).

Freek de Jonge leest ‘Zaansch Veem’. 4CD-luisterboek (2004).

Paperback in de serie Rainbow Pockets (2005).

Pretparken (1988).
Eerste uitgave in de reeks Budgetpockets van Uitgeverij -Budgetboeken. Bestaat uit zeven verhalen uit de programma’s De Tragiek, De Mars en De Bedevaart en de boeken Het Damestasje en Zaansch Veem (De Paaskerk en Het Ruyterveer).

In De Rode Draad (1995) en De Toeschouwer (2006) staan fragmenten uit het boek: Het Blauwe Pad, De Bullekerk, De kip of het ei, Koninginnedag, De Paaskerk, Het Zaansch Veem brandt! en Zelfportretje.

[Tekst: Frank Verhallen uit ‘Kijk! Dat is Freek’]